Besluit van 19 december 2025 tot wijziging van enige uitvoeringsbesluiten op het gebied van de belastingen en enige andere besluiten (Eindejaarsbesluit 2025)
Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 28 november 2025, nr. 2025002779;
Gelet op de artikelen 5.20 en 7.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001, artikel 18g van de Wet op de loonbelasting 1964, de artikelen 7.3, 7.5, 8.8 en 8.13 van de Wet minimumbelasting 2024, artikel 21 van de Successiewet 1956, artikel 11 van de Wet op de omzetbelasting 1968, de artikelen 30 en 37b van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994, de artikelen 24a en 59 van de Wet belastingen op milieugrondslag en de artikelen 38 en 66a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;
De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 10 december 2025, nr. W06.25.00353/III);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën van 18 december 2025, nr. 2025-0000608361.
Hebben goedgevonden en verstaan:
ARTIKEL I
Het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 wordt als volgt gewijzigd:
A.
Artikel 17a wordt als volgt gewijzigd:
6.
Indien de waarde, bedoeld in het eerste lid, ten minste 10% hoger is dan de waarde in het economische verkeer van de woning in verhuurde of verpachte staat op de waardepeildatum, bedoeld in artikel 18 van de Wet waardering onroerende zaken, wordt, in afwijking van het eerste lid, voor de toepassing van artikel 5.20, derde lid, van de wet uitgegaan van die waarde in het economische verkeer.B.
Artikel 21bis, vierde lid, vervalt.
ARTIKEL II
In het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 wordt artikel 10b als volgt gewijzigd:
9.
Bij dienstbetrekkingen in deeltijd wordt voor het partnerpensioen bij overlijden voor pensioendatum en voor het wezenpensioen het laatstgenoten pensioengevend loon verminderd overeenkomstig de deeltijdfactor. Indien de werknemer een deeltijdfunctie aanvaardt in de periode die aanvangt 10 jaar direct voorafgaande aan de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum, mag, in afwijking van de eerste zin, worden uitgegaan van het laatstgenoten pensioengevende loon direct voorafgaande aan het aanvaarden van die deeltijdfunctie. De tweede zin is uitsluitend van toepassing, voor zover de omvang van het dienstverband na het aanvaarden van de deeltijdfunctie niet lager is dan 50% van de omvang van het dienstverband aan het eind van de periode direct voorafgaande aan de aanvang van de periode, bedoeld in de tweede zin.ARTIKEL III
Het Uitvoeringbesluit minimumbelasting 2024 wordt als volgt gewijzigd:
A.
Na artikel 6 worden drie artikelen ingevoegd, luidende:
Artikel 6a. Beoordeling herzieningstermijn van geaggregeerde passieve belastinglatenties
1.
Voor de toepassing van artikel 7.3, zevende lid, van de wet kan een groepsentiteit ten aanzien van een geaggregeerde passieve belastinglatentie die betrekking heeft op een grootboekrekening of een geaggregeerde passieve belastinglatentiecategorie gezamenlijk beoordelen of een bedrag aan passieve belastinglatentie niet is herzien en niet is betaald binnen de periode, bedoeld in dat artikel.2.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt een netto afname van het saldo van een geaggregeerde passieve belastinglatentie die betrekking heeft op een grootboekrekening of van een geaggregeerde passieve belastinglatentiecategorie aangemerkt als een herziening van een passieve belastinglatentie.3.
Indien sprake is van een afname van het saldo van een geaggregeerd passieve belastinglatentie die betrekking heeft op een grootboekrekening of van een geaggregeerde passieve belastinglatentiecategorie, mag een groepsentiteit de eerst opgekomen passieve belastinglatentie aanmerken als de herziene passieve belastinglatentie, mits:- de passieve belastinglatentie betrekking heeft op een enkele grootboekrekening;
- de passieve belastinglatentie betrekking heeft op een geaggregeerde passieve belastinglatentiecategorie die uitsluitend bestaat uit passieve belastinglatenties die betrekking hebben op grootboekrekeningen met een vergelijkbare herzieningstermijn; of
- de passieve belastinglatenties in een geaggregeerde passieve belastinglatentiecategorie geen vergelijkbare herzieningstermijn hebben, maar de groep aannemelijk maakt dat sprake zal zijn van een adequate herziening van de passieve belastinglatenties voor zover de herzieningstermijn van vijf verslagjaren wordt overschreden.
4.
Voor de toepassing van het derde lid worden passieve belastinglatenties geacht een vergelijkbare herzieningstermijn te hebben indien deze volledig worden herzien binnen een periode van twee jaar van elkaar.5.
Indien sprake is van een afname van het saldo van de geaggregeerde passieve belastinglatentie die betrekking heeft op een grootboekrekening of van de geaggregeerde passieve belastinglatentiecategorie en het derde lid niet van toepassing is, wordt de laatst opgekomen passieve belastinglatentie aangemerkt als de herziene passieve belastinglatentie.6.
Indien het maximaal toegestane bedrag ten minste gelijk is aan het openstaande saldo van een geaggregeerde passieve belastinglatentiecategorie of grootboekrekening wordt geen passieve belastinglatentie teruggenomen in het getoetste verslagjaar. Indien het maximaal toegestane bedrag lager is dan het openstaande saldo van een grootboekrekening of van een geaggregeerde passieve belastinglatentiecategorie, wordt het verschil aangemerkt als een niet-toegestaan saldo.7.
Indien het niet-toegestane saldo in een verslagjaar toeneemt ten opzichte van het voorgaande verslagjaar, wordt die toename aangemerkt als een bedrag aan passieve belastinglatentie dat wordt teruggenomen. Indien het niet-toegestane saldo in een verslagjaar afneemt ten opzichte van het voorgaande verslagjaar, wordt die afname aangemerkt als een herziening van een teruggenomen passieve belastinglatentie, een herziening van een niet-gebruikte toerekening als bedoeld in artikel 7.3, derde lid, onderdeel a, van de wet of een herziening van een passieve belastinglatentie die is opgekomen voorafgaand aan het overgangsjaar.8.
Indien de groepsentiteit aannemelijk maakt dat de geaggregeerde passieve belastinglatentie die betrekking heeft op een grootboekrekening of de geaggregeerde passieve belastinglatentiecategorie enkel bestaan uit passieve kortetermijnbelastinglatenties of uit passieve kortetermijnbelastinglatenties en actieve belastinglatenties, wordt voor de toepassing van het eerste lid niet beoordeeld of een bedrag aan passieve belastinglatentie niet is herzien en niet is betaald binnen de periode, bedoeld in artikel 7.3, zevende lid. Indien in een verslagjaar de eerste zin niet meer van toepassing is, blijven bij de beoordeling op grond van het eerste lid passieve kortetermijnbelastinglatenties die zijn opgekomen voorafgaand aan dat verslagjaar buiten beschouwing.9.
Niettegenstaande artikel 7.3, achtste lid, van de wet wordt, indien het eerste lid wordt toegepast ten aanzien van een geaggregeerde passieve belastinglatentie waarin een passieve belastinglatentie als bedoeld in artikel 7.3, achtste lid, van de wet is inbegrepen, die passieve belastinglatentie betrokken in de gezamenlijke beoordeling, bedoeld in het eerste lid.10.
De keuze op grond van artikel 7.3, negende lid, onderdeel b, van de wet is van toepassing op alle geaggregeerde passieve belastinglatenties die betrekking hebben op dezelfde grootboekrekening of geaggregeerde passieve belastinglatentiecategorie.11.
De keuze, bedoeld in artikel 7.3, negende lid, onderdeel b, van de wet kan worden gemaakt ten aanzien van een geaggregeerde passieve belastinglatentie die betrekking heeft op een grootboekrekening of een geaggregeerde passieve belastinglatentiecategorie, ongeacht of het de verwachting is dat de individuele passieve belastinglatenties of de geaggregeerde passieve belastinglatenties niet worden herzien binnen de periode, bedoeld in artikel 7.3, zevende lid, van de wet.12.
Voor de toepassing van het eerste lid worden passieve belastinglatenties die zien op de volgende activa en passiva enkel gezamenlijk beoordeeld indien zij zijn geaggregeerd ten behoeve van een grootboekrekening:- niet-afschrijfbare immateriële activa, waaronder goodwill;
- afschrijfbare immateriële activa met een boekhoudkundige levensduur van meer dan vijf jaren; en
- vorderingen en schulden van verbonden partijen.
13.
Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:14.
Voor de toepassing van het dertiende lid, onderdeel a, wordt niet in aanmerking genomen:- een grootboekrekening die structureel een actieve belastinglatentie genereert; of
- een grootboekrekening waarbij als gevolg van timingverschillen tussen verslaggevingsregels en fiscale regels op verschillende momenten een actieve belastinglatentie dan wel een passieve belastinglatentie wordt verantwoord.
Artikel 6b. Toerekening van betrokken belastingen in het geval van kruislingse verrekening
1.
De toerekening van betrokken belastingen aan een groepsentiteit, bedoeld in artikel 7.5, eerste, derde, vierde en vijfde lid, van de wet, vindt ten aanzien van belastingen die door een hoofdentiteit of groepsentiteit-belanghouder kunnen worden verrekend met belastingen over het inkomen van verschillende vaste inrichtingen of entiteiten plaats volgens de formule:A = B x (C / D)waarbij wordt verstaan onder:A: het bedrag aan betrokken belastingen van de hoofdentiteit of groepsentiteit-belanghouder dat wordt toegerekend aan de groepsentiteit;B: het totale bedrag aan toe te rekenen betrokken belastingen, berekend op grond van het tweede lid;C: de allocatiesleutel van een vaste inrichting of entiteit voor de toerekening van betrokken belastingen, berekend op grond van het derde lid;D: de som van alle allocatiesleutels voor de toerekening van betrokken belastingen.2.
Het totale bedrag aan toe te rekenen betrokken belastingen wordt berekend volgens de formule:B = E – F – Gwaarbij wordt verstaan onder:B: het totale bedrag aan toe te rekenen betrokken belastingen;E: de totale acute belastinglast van de hoofdentiteit of groepsentiteit-belanghouder;F: de binnenlandse acute belastinglast van de hoofdentiteit of groepsentiteit-belanghouder waarbij de acute belastinglast met betrekking tot het buitenlandse broninkomen buiten beschouwing blijft;G: de betrokken belasting die is geheven overeenkomstig een geaggregeerde belastingregeling voor buitenlandse gecontroleerde lichamen als bedoeld in artikel 6, tiende lid.3.
De allocatiesleutel van een vaste inrichting of entiteit voor de toerekening van betrokken belastingen wordt berekend volgens de formule:C = (H x I) – Jwaarbij wordt verstaan onder:C: de allocatiesleutel van een vaste inrichting of entiteit voor de toerekening van betrokken belastingen;H: het buitenlandse broninkomen van de vaste inrichting of entiteit;I: het binnenlandse belastingtarief;J: de verrekenbare buitenlandse belasting met betrekking tot het buitenlandse broninkomen van de vaste inrichting of entiteit.4.
De totale acute belastinglast van de hoofdentiteit of groepsentiteit-belanghouder, bedoeld in het tweede lid, wordt verminderd met het bedrag aan belastinglast dat betrekking heeft op een onzekere belastingpositie en het bedrag aan belastinglast ten aanzien waarvan niet de verwachting bestaat dat het binnen drie jaar na afloop van het verslagjaar wordt betaald.5.
Het totale bedrag aan toe te rekenen betrokken belastingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, de allocatiesleutel van een vaste inrichting of entiteit voor de toerekening van betrokken belastingen, bedoeld in het eerste en derde lid, en de binnenlandse belastinglast van de hoofdentiteit of groepsentiteit-belanghouder waarbij het buitenlandse broninkomen buiten beschouwing blijft, bedoeld in het tweede lid, bedragen ieder ten minste nihil.Artikel 6c. Bedrag gecorrigeerde mutaties in belastinglatenties bij de toerekening van betrokken belastingen
1.
Voor de toerekening van betrokken belastingen aan een groepsentiteit, bedoeld in artikel 7.5, eerste, derde, vierde en vijfde lid, van de wet, wordt het bedrag aan gecorrigeerde mutaties in belastinglatenties bepaald volgens de formule:A = B – Cwaarbij wordt verstaan onder:A: het bedrag aan gecorrigeerde mutaties in belastinglatenties van de hoofdentiteit of groepsentiteit-belanghouder dat wordt toegerekend aan de groepsentiteit;B: het bedrag aan gecorrigeerde mutaties in belastinglatenties met betrekking tot het buitenlandse broninkomen van de groepsentiteit;C: de verrekenbare buitenlandse belasting met betrekking tot het buitenlandse broninkomen van de groepsentiteit.2.
De gecorrigeerde mutaties in belastinglatenties met betrekking tot het buitenlandse broninkomen van de groepsentiteit, bedoeld in het eerste lid, worden in aanmerking genomen tegen het minimumbelastingtarief of, indien dit lager is, het van toepassing zijnde belastingtarief waartegen deze gecorrigeerde mutaties in belastinglatenties in de financiële verslaggeving zijn opgenomen.3.
Indien de informatieaangifte-indienende groepsentiteit daarvoor kiest, wordt de toerekening van betrokken belastingen ten aanzien van gecorrigeerde mutaties in belastinglatenties, bedoeld in het eerste lid, voor een periode van vijf verslagjaren buiten beschouwing gelaten.B.
Na artikel 7 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 7a. Aankoopprijsaanpassingen in de kwalificerende financiële verslaggeving
Indien aanpassingen aan de boekwaarde van activa en passiva die toerekenbaar zijn aan de aankoop van een groepsentiteit zijn verwerkt in de financiële verslaggeving, wordt die financiële verslaggeving niet aangemerkt als kwalificerende financiële verslaggeving als bedoeld in artikel 8.8, twaalfde lid, onderdeel b, onder 2°, van de wet, tenzij wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:- de groep heeft geen kwalificerend landenrapport ingediend voor een verslagjaar dat aanvangt na 31 december 2022 dat is gebaseerd op financiële verslaggeving waarin aanpassingen aan de boekwaarde van activa en passiva die toerekenbaar zijn aan de aankoop van de verworven groepsentiteit niet zijn verwerkt, behalve wanneer de groepsentiteit wettelijk verplicht was om deze aanpassingen op te nemen in haar financiële verslaggeving;
- elke vermindering van het inkomen van de groepsentiteit die toerekenbaar is aan een waardevermindering van goodwill met betrekking tot transacties die zijn aangegaan na 30 november 2021, wordt voor de toepassing van de vereenvoudigde berekening van het effectieve belastingtarief, bedoeld in artikel 8.8, eerste lid, onderdeel b, van de wet, en voor de berekening van artikel 8.8, eerste lid, onderdeel c, van de wet toegevoegd aan de winst voor belastingen, mits de financiële verslaggeving geen omkering van uitgestelde belastingverplichting of erkenning of toename van een uitgestelde belastingvordering heeft met betrekking tot de waardevermindering van goodwill.
C.
Artikel 8 wordt als volgt gewijzigd:
- een securitisatie-entiteit.
- de groepsentiteiten van een multinationale groep die gevestigd zijn in een staat indien een of meer van die groepsentiteiten een of meer actieve belastinglatenties als bedoeld in artikel 14.1, tweede lid, onderdeel b, c, of d, van de wet hebben gevormd en de aanwending van die belastinglatentie of belastinglatenties voor de berekening van de binnenlandse bijheffing niet is uitgesloten van het totale bedrag aan gecorrigeerde mutaties in belastinglatenties of de berekening van de vereenvoudigde betrokken belastingen, bedoeld in artikel 8.8, derde lid, van de wet.
3.
Voor de groepsentiteiten in een staat waarbij zich niet een van de omstandigheden, bedoeld in het tweede lid, voordoet, wordt voldaan aan de consistentiestandaard indien de kwalificerende binnenlandse bijheffing in die staat voldoet aan de voorwaarden bedoeld in het eerste lid.4.
Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:Artikel 6a. Beoordeling herzieningstermijn van geaggregeerde passieve belastinglatenties
Artikel 6b. Toerekening van betrokken belastingen in het geval van kruislingse verrekening
Artikel 6c. Bedrag gecorrigeerde mutaties in belastinglatenties bij de toerekening van betrokken belastingen
Artikel 7a. Aankoopprijsaanpassingen in de kwalificerende financiële verslaggeving
Indien aanpassingen aan de boekwaarde van activa en passiva die toerekenbaar zijn aan de aankoop van een groepsentiteit zijn verwerkt in de financiële verslaggeving, wordt die financiële verslaggeving niet aangemerkt als kwalificerende financiële verslaggeving als bedoeld in artikel 8.8, twaalfde lid, onderdeel b, onder 2°, van de wet, tenzij wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
ARTIKEL IV
In het Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956 wordt artikel 10a als volgt gewijzigd:
6.
Indien de waarde, bedoeld in het eerste lid, ten minste 10% hoger is dan de waarde in het economische verkeer van de woning in verhuurde of verpachte staat op de waardepeildatum, bedoeld in artikel 18 van de Wet waardering onroerende zaken, wordt, in afwijking van het eerste lid, voor de toepassing van artikel 21, achtste lid, van de Successiewet 1956 uitgegaan van die waarde in het economische verkeer.ARTIKEL V
Het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 wordt als volgt gewijzigd:
A.
In artikel 1, eerste lid, wordt na «11, eerste lid, aanhef en onderdelen f, g, onder 3°, o, onder 2°, en u,» ingevoegd «en negende lid,».
B.
In bijlage B vervalt in de algemene aantekening, derde alinea, «van onderdeel b».
ARTIKEL VI
Het Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994 wordt als volgt gewijzigd:
A.
In artikel 1 vervalt «37b, derde lid en vierde lid, onderdeel b,».
B.
Artikel 6, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:
C.
Hoofdstuk IIIA vervalt.
ARTIKEL VII
Het Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994 wordt met ingang van 1 januari 2028 als volgt gewijzigd:
A.
In artikel 1 vervalt «30, tweede lid,».
B.
Artikel 6 vervalt.
ARTIKEL VIII
Het Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag wordt als volgt gewijzigd:
A.
Na artikel 5 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 5a
1.
Het verzoek om een vergunning voor een fiscaal vertegenwoordiger, bedoeld in artikel 24a, derde lid, van de wet, bevat de volgende gegevens:- naam en adres van de verzoeker;
- het beoogde tijdstip van aanvang van het fiscaal-vertegenwoordigerschap;
- naam en adres van de degene die de afvalstoffen overbrengt uit Nederland en die niet in Nederland is gevestigd en aldaar geen vaste inrichting heeft (in dit artikel: buitenlandse kennisgever).
2.
Een vergunning voor een fiscaal vertegenwoordiger wordt slechts verleend indien de verzoeker:- in Nederland woont of is gevestigd;
- in de afgelopen vijf jaren niet wegens overtreding van de wettelijke bepalingen inzake rijksbelastingen dan wel douane onherroepelijk is veroordeeld;
- een administratie voert die voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden;
- naar het oordeel van de inspecteur voldoende solvabel is.
3.
De verlening van een vergunning voor een fiscaal vertegenwoordiger is tevens gebonden aan de voorwaarde dat de verzoeker optreedt voor alle overbrengingen als bedoeld in artikel 23, eerste lid, onderdeel c, van de wet. De inspecteur kan op verzoek hiervan afwijken.4.
De inspecteur kan de vergunning intrekken of wijzigen:- op verzoek van de fiscaal vertegenwoordiger met schriftelijke instemming van de buitenlandse kennisgever;
- op verzoek van de buitenlandse kennisgever;
- indien de fiscaal vertegenwoordiger niet meer voldoet aan de aan de vergunning gebonden voorwaarden.
B.
In artikel 21a, eerste lid, wordt «restwarmte, aardwarmte of van warmte opgewekt met vaste, vloeibare of gasvormige biomassa, aquathermie, een lucht-water-warmtepomp of een elektrische boiler» telkens vervangen door «de warmtebronnen, bedoeld in dat lid».
C.
Na artikel 21a worden twee artikelen ingevoegd, luidende:
Artikel 21aa
1.
De uitzondering in artikel 59, derde lid, van de wet voor installaties voor stadsverwarming waarbij grotendeels gebruik wordt gemaakt van de warmtebronnen, bedoeld in dat lid, is mede van toepassing indien tijdelijk niet aan die voorwaarde kan worden voldaan in verband met de vervanging van een warmtebron als bedoeld in dat lid.2.
Het eerste lid is van toepassing indien de inspecteur op verzoek van de verbruiker, bedoeld in artikel 59, derde lid, van de wet, of de leverancier van het aardgas bij voor bezwaar vatbare beschikking een ontheffing heeft verleend van de voorwaarde die dat lid aan de uitzondering verbindt. De ontheffing wordt verleend voor een periode van ten hoogste drie jaar.3.
De ontheffing wordt slechts verleend indien bij het verzoek om ontheffing stukken zijn overgelegd waaruit blijkt:- waarom tijdelijk niet kan worden voldaan aan de voorwaarde die artikel 59, derde lid, van de wet aan de uitzondering verbindt;
- wat de reden is van de vervanging van de warmtebron, bedoeld in artikel 59, derde lid, van de wet, en wanneer de periode waarin die vervanging plaatsvindt aanvangt en eindigt; en
- welke maatregelen worden genomen die redelijkerwijs kunnen worden verwacht om weer te voldoen aan de voorwaarde die artikel 59, derde lid, van de wet aan de uitzondering verbindt.
Artikel 21ab
1.
De uitzondering in artikel 59, derde lid, van de wet voor installaties voor stadsverwarming waarbij grotendeels gebruik wordt gemaakt van de warmtebronnen, bedoeld in dat lid, is mede van toepassing indien tijdelijk niet aan die voorwaarde kan worden voldaan in verband met een calamiteit die betrekking heeft op de installatie voor stadsverwarming.2.
Het eerste lid is van toepassing indien de inspecteur op verzoek van de verbruiker, bedoeld in artikel 59, derde lid, van de wet, of de leverancier van het aardgas bij voor bezwaar vatbare beschikking een ontheffing heeft verleend van de voorwaarde die dat lid aan de uitzondering verbindt. De ontheffing wordt verleend voor een periode van ten hoogste drie jaar.3.
De ontheffing wordt slechts verleend indien bij het verzoek om ontheffing stukken zijn overgelegd waaruit blijkt:- waarom tijdelijk niet kan worden voldaan aan de voorwaarde die artikel 59, derde lid, van de wet aan de uitzondering verbindt;
- dat de calamiteit redelijkerwijs niet kon worden voorzien; en
- welke maatregelen worden genomen die redelijkerwijs kunnen worden verwacht om weer te voldoen aan de voorwaarde die artikel 59, derde lid, van de wet aan de uitzondering verbindt.
Artikel 5a
Artikel 21aa
Artikel 21ab
ARTIKEL IX
In het Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag vervallen de artikelen 21aa en 21ab met ingang van 1 januari 2031.
ARTIKEL X
Het Uitvoeringsbesluit Algemene wet inzake rijksbelastingen 1964 wordt als volgt gewijzigd:
A.
Voor artikel 1 worden een hoofdstuk en een hoofdstukaanduiding ingevoegd, luidende:
B.
Voor artikel 5a wordt een hoofdstukaanduiding ingevoegd, luidende:
C.
Na artikel 5a wordt een hoofdstuk ingevoegd, luidende:
D.
Voor artikel 6 wordt een hoofdstukaanduiding ingevoegd, luidende:
Artikel a1
Artikel 5b
Als rijksbelasting waarop het inzagerecht betrekking heeft wordt aangewezen:
ARTIKEL XI
In het Uitvoeringsbesluit Algemene wet inzake rijksbelastingen 1964 vervalt met ingang van 1 januari 2032 hoofdstuk 4, onder vernummering van hoofdstuk 5 tot hoofdstuk 4.
ARTIKEL XII
In het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 wordt in artikel 60, derde lid, «artikel 45, derde lid» vervangen door «artikel 45, tweede lid».
ARTIKEL XIII
ARTIKEL XIV
Dit besluit wordt aangehaald als: Eindejaarsbesluit 2025.