Part of Smart Yellow Suite

WGK027862
Belastingplan 2026

Updates ontvangen over deze regeling? Log in

Overheid.nl - XML - JSON

Type Wet
Fase Bekendmaking
Ministerie Financiën
Datum uitgave 15 december 2025
Datum inwerkingtreding -
Per KB Nee

Opschrift

Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten

Samenvatting

Het wetsvoorstel bevat het inkomensbeleid voor het komende jaar en fiscale maatregelen met (budgettaire) gevolgen die samenhangen met de begroting voor het jaar 2026. Voor de meeste maatregelen in dit wetsvoorstel is het wenselijk dat deze maatregelen per 1 januari 2026 in werking treden.

Documenten

stb-2025-444 (PDF)

Wet van 17 december 2025 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2026)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is fiscale maatregelen te treffen die voortvloeien uit de koopkrachtbesluitvorming voor het jaar 2026 en dat het ook in het kader van het fiscale beleid voor het jaar 2026 en volgende jaren wenselijk is in een aantal belastingwetten en enige andere wetten wijzigingen aan te brengen;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Wet inkomstenbelasting 2001 wordt als volgt gewijzigd:

A

De in artikel 2.10, eerste lid, opgenomen tabel en de in artikel 2.10a, eerste lid, opgenomen tabel worden als volgt gewijzigd:

Aa

Artikel 3.20 wordt als volgt gewijzigd.

2.
De onttrekking, bedoeld in het eerste lid, eerste zin, wordt op jaarbasis verlaagd met 4% van de waarde van de auto indien uit het kentekenregister blijkt dat de CO2-uitstoot 0 gram per kilometer is, met dien verstande dat het bedrag van de verlaging ten hoogste € 1.200 bedraagt tenzij de auto wordt aangedreven door een motor die kan worden gevoed met waterstof of de auto is voorzien van geïntegreerde zonnepanelen waarbij de voor de aandrijving benodigde energie wordt opgeslagen in een accupakket dat geen lood bevat en het vermogen van de zonnepanelen in wattpiek gedeeld door het verbruik in wattuur per kilometer ten minste 7 is. Het verbruik in wattuur wordt gemeten overeenkomstig bijlage XXI bij Verordening (EU) 2017/1151 van de Commissie van 1 juni 2017 tot aanvulling van Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie, tot wijziging van Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad, Verordening (EG) nr. 692/2008 van de Commissie en Verordening (EU) nr. 1230/2012 van de Commissie en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 692/2008 van de Commissie (PbEU 2017, L 175).
B

Aan artikel 3.20a wordt een lid toegevoegd, luidende:

5.
Indien de fiets niet meer dan bijkomstig bij het woon- of verblijfadres van de belastingplichtige wordt gestald, wordt de onttrekking in afwijking van het eerste lid gesteld op nihil. Van stallen wordt geacht geen sprake te zijn indien de belastingplichtige in de periode waarin de fiets zich bij het woon-of verblijfadres bevindt niet de beschikkingsmacht over de fiets heeft.
C

Artikel 3.95b wordt als volgt gewijzigd:

  1. het in artikel 2.13 opgenomen percentage, geldend voor het jaar waarin de voordelen zijn genoten;
  2. het in de vierde kolom van de in artikel 2.12 opgenomen tabel als tweede vermelde percentage, geldend voor het jaar waarin de voordelen zijn genoten.
6.
Ingeval de tot een werkzaamheid als bedoeld in artikel 3.92b behorende vermogensbestanddelen middellijk worden gehouden via een lichaam waarin de belastingplichtige niet een aanmerkelijk belang als bedoeld in hoofdstuk 4 of afdeling 7.3 houdt en die vermogensbestanddelen met ingang van enig tijdstip worden gehouden via een lichaam waarin de belastingplichtige een aanmerkelijk belang houdt, is het vijfde lid ter zake van die vermogensbestanddelen niet van toepassing op voordelen als bedoeld in dat lid, voor zover de waarde in het economische verkeer van deze vermogensbestanddelen op het direct daaraan voorafgaande tijdstip het opgeofferde bedrag van het lucratieve belang overtreft.
D

[Vervallen]

E

Artikel 5.20 wordt als volgt gewijzigd:

5.
Het derde lid is niet van toepassing indien sprake is van:
  1. een voor bepaalde tijd aangegane huurovereenkomst als bedoeld in artikel 271 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek; of
  2. gelieerde partijen die een zodanige huurprijs of pachtprijs zijn overeengekomen dat deze tussen willekeurige derden niet zou zijn overeengekomen.
F

Aan artikel 5.26 wordt een lid toegevoegd, luidende:

4.
Bij het bepalen van het werkelijke rendement van bezittingen en schulden is artikel 5.12 uitsluitend van toepassing, indien het achterliggende vermogensbestanddeel, bedoeld in dat artikel, een banktegoed is als bedoeld in artikel 5.2, derde lid.
G

Artikel 5.31 wordt als volgt gewijzigd:

  1. de waarde van een woning wordt bepaald op basis van het tweede tot en met vijfde lid;
  2. artikel 5.21 niet wordt toegepast, indien ter zake van het betreffende effect sprake is van een lopende termijn van inkomsten of verplichtingen waarvan de waarde niet of niet volledig in de notering in de prijscourant is verdisconteerd».
H

[Vervallen]

Ha

In artikel 10.6bis wordt «31/3%-punt» vervangen door «4,8%-punt».

I

[Vervallen]

J

Artikel 10.7 wordt als volgt gewijzigd:

ARTIKEL II

De Wet inkomstenbelasting 2001 wordt met ingang van 1 januari 2027 als volgt gewijzigd:

aA

Artikel 3.20 wordt als volgt gewijzigd:

A

Het in artikel 5.13, eerste lid, als eerste genoemde bedrag wordt vervangen door «€ 200» en het in dat lid als tweede genoemde bedrag wordt vervangen door «€ 400».

ARTIKEL IIBIS

In de Wet inkomstenbelasting 2001 vervalt met ingang van 1 januari 2028 artikel 3.20, tweede lid.

ARTIKEL aIIA

De Wet inkomstenbelasting 2001 wordt met ingang van 1 januari 2029 als volgt gewijzigd:

9.
In afwijking van het eerste en derde lid bedraagt het bedrag van de energie-investeringsaftrek niet meer dan het bedrag van de winst uit de onderneming. Indien toepassing van de eerste zin tot een verlaging van het bedrag van de energie-investeringsaftrek leidt, wordt het bedrag waarmee de energie-investeringsaftrek is verlaagd aangemerkt als niet-gerealiseerde energie-investeringsaftrek.
10.
De inspecteur stelt het bedrag van de niet-gerealiseerde energie-investeringsaftrek vast bij voor bezwaar vatbare beschikking. Artikel 3.151, derde tot en met zesde lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat daarbij voor verlies uit werk en woning of ondernemingsverlies wordt gelezen: niet-gerealiseerde energie-investeringsaftrek.
11.
De niet-gerealiseerde energie-investeringsaftrek wordt in de volgende negen kalenderjaren verrekend door in die jaren een verhoging van de energie-investeringsaftrek in aanmerking te nemen. Deze verhoging bedraagt maximaal het bedrag waarmee de winst de energie-investeringsaftrek van dat jaar overtreft. Verrekening van niet-gerealiseerde energie-investeringsaftrek vindt plaats in de volgorde waarin deze niet-gerealiseerde energie-investeringsaftrek is ontstaan.
12.
Het verrekenen van niet-gerealiseerde energie-investeringsaftrek in een volgend kalenderjaar vindt plaats bij voor bezwaar vatbare beschikking van de inspecteur. In de beschikking wordt tevens vastgesteld welk bedrag van de niet-gerealiseerde energie-investeringsaftrek wordt verrekend. De inspecteur geeft de beschikking gelijktijdig met het vaststellen van de aanslag over het jaar waarin de niet-gerealiseerde energie-investeringsaftrek wordt verrekend. Het bedrag van de verrekende niet-gerealiseerde energie-investeringsaftrek wordt op het aanslagbiljet afzonderlijk vermeld.
13.
Rechtsmiddelen tegen de beschikking, bedoeld in het twaalfde lid, kunnen uitsluitend betrekking hebben op de toepassing van het elfde lid.
14.
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder winst verstaan: het bedrag van de winst zonder toepassing van dit artikel die de belastingplichtige als ondernemer uit de onderneming geniet.
10.
In afwijking van het eerste en derde lid bedraagt het bedrag van de milieu-investeringsaftrek niet meer dan het bedrag van de winst uit de onderneming. Indien toepassing van de eerste zin tot een verlaging van het bedrag van de milieu-investeringsaftrek leidt, wordt het bedrag waarmee de milieu-investeringsaftrek is verlaagd aangemerkt als niet-gerealiseerde milieu-investeringsaftrek.
11.
De inspecteur stelt het bedrag van de niet-gerealiseerde milieu-investeringsaftrek vast bij voor bezwaar vatbare beschikking. Artikel 3.151, derde tot en met zesde lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat daarbij voor verlies uit werk en woning of ondernemingsverlies wordt gelezen: niet-gerealiseerde milieu-investeringsaftrek.
12.
De niet-gerealiseerde milieu-investeringsaftrek wordt in de volgende negen kalenderjaren verrekend door in die jaren een verhoging van de milieu-investeringsaftrek in aanmerking te nemen. Deze verhoging bedraagt maximaal het bedrag waarmee de winst de milieu-investeringsaftrek van dat jaar overtreft. Verrekening van niet-gerealiseerde milieu-investeringsaftrek vindt plaats in de volgorde waarin deze niet-gerealiseerde milieu-investeringsaftrek is ontstaan.
13.
Het verrekenen van niet-gerealiseerde milieu-investeringsaftrek in een volgend kalenderjaar vindt plaats bij voor bezwaar vatbare beschikking van de inspecteur. In de beschikking wordt tevens vastgesteld welk bedrag van de niet-gerealiseerde milieu-investeringsaftrek wordt verrekend. De inspecteur geeft de beschikking gelijktijdig met het vaststellen van de aanslag over het jaar waarin de niet-gerealiseerde milieu-investeringsaftrek wordt verrekend. Het bedrag van de verrekende niet-gerealiseerde milieu-investeringsaftrek wordt op het aanslagbiljet afzonderlijk vermeld.
14.
Rechtsmiddelen tegen de beschikking, bedoeld in het dertiende lid, kunnen uitsluitend betrekking hebben op de toepassing van het twaalfde lid.
15.
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder winst verstaan: het bedrag van de winst zonder toepassing van dit artikel die de belastingplichtige als ondernemer uit de onderneming geniet.

ARTIKEL IIA

In de Wet inkomstenbelasting 2001 worden met ingang van 1 januari 2031 het in de laatste kolom van de in artikel 2.10, eerste lid, opgenomen tabel als eerste vermelde percentage en het in de laatste kolom van de in artikel 2.10a, eerste lid, opgenomen tabel als eerste vermelde percentage verhoogd met 0,01%-punt.

ARTIKEL IIB

In de Wet inkomstenbelasting 2001 worden met ingang van 1 januari 2032 het in de laatste kolom van de in artikel 2.10, eerste lid, opgenomen tabel als eerste vermelde percentage en het in de laatste kolom van de in artikel 2.10a, eerste lid, opgenomen tabel als eerste vermelde percentage verhoogd met 0,01%-punt.

ARTIKEL IIC

In de Wet inkomstenbelasting 2001 worden met ingang van 1 januari 2033 het in de laatste kolom van de in artikel 2.10, eerste lid, opgenomen tabel als eerste vermelde percentage en het in de laatste kolom van de in artikel 2.10a, eerste lid, opgenomen tabel als eerste vermelde percentage verhoogd met 0,01%-punt.

ARTIKEL IID

In de Wet inkomstenbelasting 2001 worden met ingang van 1 januari 2035 het in de laatste kolom van de in artikel 2.10, eerste lid, opgenomen tabel als eerste vermelde percentage en het in de laatste kolom van de in artikel 2.10a, eerste lid, opgenomen tabel als eerste vermelde percentage verhoogd met 0,01%-punt.

ARTIKEL III

De Wet op de loonbelasting 1964 wordt als volgt gewijzigd:

aA

Artikel 13bis wordt als volgt gewijzigd:

2.
Het voordeel, bedoeld in het eerste lid, eerste zin, wordt op kalenderjaarbasis verlaagd met 4% van de waarde van de auto indien uit het kentekenregister blijkt dat de CO2-uitstoot 0 gram per kilometer is, met dien verstande dat het bedrag van de verlaging ten hoogste € 1.200 bedraagt tenzij de auto wordt aangedreven door een motor die kan worden gevoed met waterstof of de auto is voorzien van geïntegreerde zonnepanelen waarbij de voor de aandrijving benodigde energie wordt opgeslagen in een accupakket dat geen lood bevat en het vermogen van de zonnepanelen in wattpiek gedeeld door het verbruik in wattuur per kilometer ten minste 7 is. Het verbruik in wattuur wordt gemeten overeenkomstig bijlage XXI bij Verordening (EU) 2017/1151van de Commissie van 1 juni 2017 tot aanvulling van Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie, tot wijziging van Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad, Verordening (EG) nr. 692/2008 van de Commissie en Verordening (EU) nr. 1230/2012 van de Commissie en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 692/2008 van de Commissie (PbEU 2017, L 175).
A

Aan artikel 13ter wordt een lid toegevoegd, luidende:

5.
Indien de fiets niet meer dan bijkomstig bij het woon- of verblijfadres van de werknemer wordt gestald, wordt het voordeel in afwijking van het eerste lid gesteld op nihil. Van stallen wordt geacht geen sprake te zijn indien de werknemer in de periode waarin de fiets zich bij het woon- of verblijfadres bevindt niet de beschikkingsmacht over de fiets heeft.
B

De in artikel 20a, eerste lid, opgenomen tabel en de in artikel 20b, eerste lid, opgenomen tabel worden als volgt gewijzigd:

C

[Vervallen]

D

Aan artikel 31a, tweede lid, onderdeel e, wordt toegevoegd «, met dien verstande dat voor zover de vergoeding of verstrekking ziet op de periode waarin de werknemer in Nederland arbeid verricht dan wel in Nederland verblijft en in een ander land arbeid verricht de volgende kosten worden uitgezonderd:

  1. uitgaven van levensonderhoud;
  2. uitgaven voor gesprekskosten voor privédoeleinden».
E

Artikel 32ba wordt als volgt gewijzigd:

9.
Bij het begin van het kalenderjaar wordt het in het achtste lid, tweede zin, laatstgenoemde bedrag bij ministeriële regeling vervangen door een ander bedrag. Dit bedrag wordt berekend door het te vervangen bedrag te vermenigvuldigen met de contractloonontwikkelingsfactor, bedoeld in artikel 10.2b, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, en vervolgens de nodig geachte afronding aan te brengen. Indien in het voorafgaande jaar een dergelijke afronding is toegepast, kan bij vervanging worden uitgegaan van het niet-afgeronde bedrag.

ARTIKEL IV

De Wet op de loonbelasting 1964 wordt met ingang van 1 januari 2027 als volgt gewijzigd:

Artikel 32bc

Artikel 39j

Artikel 32bc is tot 17 september 2030 niet van toepassing met betrekking tot personenauto’s die door de inhoudingsplichtige vóór 1 januari 2027 voor het eerst aan een of meer werknemers ter beschikking zijn gesteld.

ARTIKEL IVA

In de Wet op de loonbelasting 1964 worden met ingang van 1 januari 2031 het in de laatste kolom van de in artikel 20a, eerste lid, opgenomen tabel als eerste vermelde percentage en het in de laatste kolom van de in artikel 20b, eerste lid, opgenomen tabel als eerste vermelde percentage verhoogd met 0,01%-punt.

ARTIKEL IVB

In de Wet op de loonbelasting 1964 worden met ingang van 1 januari 2032 het in de laatste kolom van de in artikel 20a, eerste lid, opgenomen tabel als eerste vermelde percentage en het in de laatste kolom van de in artikel 20b, eerste lid, opgenomen tabel als eerste vermelde percentage verhoogd met 0,01%-punt.

ARTIKEL IVC

In de Wet op de loonbelasting 1964 worden met ingang van 1 januari 2033 het in de laatste kolom van de in artikel 20a, eerste lid, opgenomen tabel als eerste vermelde percentage en het in de laatste kolom van de in artikel 20b, eerste lid, opgenomen tabel als eerste vermelde percentage verhoogd met 0,01%-punt.

ARTIKEL IVD

In de Wet op de loonbelasting 1964 worden met ingang van 1 januari 2035 het in de laatste kolom van de in artikel 20a, eerste lid, opgenomen tabel als eerste vermelde percentage en het in de laatste kolom van de in artikel 20b, eerste lid, opgenomen tabel als eerste vermelde percentage verhoogd met 0,01%-punt.

ARTIKEL V

De Wet op de loonbelasting 1964 wordt met ingang van 1 januari 2028 als volgt gewijzigd:

A

Artikel 13bis, tweede lid, vervalt.

B

In artikel 32ba, eerste lid, wordt «64%» vervangen door «65%».

ARTIKEL VI

In de Wet op de loonbelasting 1964 komt met ingang van 1 januari 2031 artikel 39j te vervallen.

ARTIKEL VII

In de Wet bedrag ineens, RVU en verlofsparen vervalt artikel V, onderdelen E en G.

ARTIKEL VIII

ARTIKEL IX

Onze Minister zendt drie jaar na de inwerkingtreding van de in artikel IV, onderdelen B en C, opgenomen pseudo-eindheffing een verslag aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal over de doeltreffendheid en de effecten hiervan.

ARTIKEL IXA

In de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 wordt met ingang van 1 januari 2029 in artikel 8, eerste lid, «3.31» vervangen door «3.31 tot en met 3.42, eerste tot en met achtste lid, 3.42a, eerste tot en met negende lid, 3.43».

ARTIKEL X

De Successiewet 1956 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 11 wordt als volgt gewijzigd:

4.
Hetgeen aan een echtgenoot bij ontbinding van een huwelijksgoederengemeenschap, meer toekomt dan de helft van die gemeenschap of, in geval van een verrekenbeding, hetgeen aan een echtgenoot meer toekomt dan de helft van de te verrekenen som, wordt voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen:
  1. in geval van ontbinding of verrekening bij overlijden: geacht van de andere echtgenoot te zijn verkregen krachtens erfrecht door diens overlijden;
  2. in geval van ontbinding of verrekening tijdens leven: geacht van de andere echtgenoot te zijn verkregen krachtens schenking.
5.
Het vierde lid is van overeenkomstige toepassing bij verrekening op grond van een beding dat is overeengekomen door personen die op het moment van verrekening partners als bedoeld in artikel 1a zijn of zijn geweest.
B

Artikel 12 wordt als volgt gewijzigd:

C

Artikel 19 wordt als volgt gewijzigd:

  1. kinderen die niet in familierechtelijke betrekking staan tot de persoon waarvan uit een genetische test blijkt dat die hun biologische ouder is, met kinderen die wel in familierechtelijke betrekking staan tot die persoon.
3.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de genetische test waarmee de belastingplichtige het biologische ouderschap kan doen blijken.
D

Artikel 21 wordt als volgt gewijzigd:

16.
Het achtste lid is niet van toepassing indien sprake is van:
  1. een voor bepaalde tijd aangegane huurovereenkomst als bedoeld in artikel 271 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek; of
  2. gelieerde partijen die een zodanige huurprijs of pachtprijs zijn overeengekomen dat deze tussen willekeurige derden niet zou zijn overeengekomen.
E

In artikel 35a, tweede lid, wordt «artikel 45, derde lid, tweede zin» vervangen door «artikel 45, tweede lid, tweede zin».

F

Artikel 45 wordt als volgt gewijzigd:

G

In artikel 53, zesde lid, wordt «artikel 45, derde lid» vervangen door «artikel 45, tweede lid».

H

In artikel 66, eerste lid, onderdeel 1°, wordt «artikel 45, tweede en derde lid» vervangen door «artikel 45, tweede lid».

ARTIKEL XI

De Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 9, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

B

Na artikel 9 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 9a
1.
In afwijking van artikel 9, derde lid, onderdeel a, bedraagt de belasting tot 1 januari 2031 voor een bijzondere personenauto als bedoeld in dat onderdeel met een aandrijving uitsluitend op elektriciteit of waterstof: het tarief voor een personenauto met een uitstoot van 0 gram per kilometer als bedoeld in artikel 9, eerste lid.
2.
In afwijking van artikel 9, derde lid, onderdeel b, bedraagt de belasting tot 1 januari 2031 voor een motorrijwiel met een aandrijving uitsluitend op elektriciteit of waterstof: € 200.
C

In artikel 16b, eerste lid, wordt «en artikel 9, derde lid, onderdeel c» vervangen door «, artikel 9, derde lid, onderdeel c, en artikel 9a, tweede lid».

Artikel 9a

ARTIKEL XII

Artikel 16b van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 vindt bij het begin van het kalenderjaar 2026 geen toepassing op de bedragen, genoemd in de tabel die is opgenomen in artikel 9, eerste lid, van die wet en op het bedrag, genoemd in de laatste zin van dat lid.

ARTIKEL XIII

De Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 wordt met ingang van 1 januari 2027 artikel 9, eerste lid, als volgt gewijzigd:

ARTIKEL XIV

ARTIKEL XV

In de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 wordt met ingang van 1 januari 2028 artikel 9, eerste lid, als volgt gewijzigd:

ARTIKEL XVI

ARTIKEL XVII

De Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 23b, eerste lid, komt te luiden:

1.
In afwijking van de artikelen 23 en 23a bedraagt de belasting voor een motorrijtuig dat een aandrijving heeft uitsluitend op elektriciteit of waterstof een percentage van de ingevolge die artikelen verschuldigde belasting. Dat percentage is:
  1. voor het jaar 2026: 70%;
  2. voor het jaar 2027: 70%;
  3. voor het jaar 2028: 70%;
  4. voor het jaar 2029: 75%.
Aa

Na artikel 27 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 28
In afwijking van dit hoofdstuk, afdeling 3, bedraagt de belasting nihil voor een motorrijtuig van voertuigcategorie N2 als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, onder ii, van Verordening (EU) 2018/858 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 715/2007 en (EG) nr. 595/2009 en tot intrekking van Richtlijn 2007/46/EG (PbEU 2018, L 151), indien dat motorrijtuig een toegestane maximum massa heeft van 3.500 kilogram of minder.
B

Artikel 30, eerste lid, aanhef, komt te luiden:

Voor een bestelauto die:.

Artikel 28

In afwijking van dit hoofdstuk, afdeling 3, bedraagt de belasting nihil voor een motorrijtuig van voertuigcategorie N2 als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, onder ii, van Verordening (EU) 2018/858 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 715/2007 en (EG) nr. 595/2009 en tot intrekking van Richtlijn 2007/46/EG (PbEU 2018, L 151), indien dat motorrijtuig een toegestane maximum massa heeft van 3.500 kilogram of minder.

ARTIKEL XVIIA

In de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 vervalt met ingang van 1 januari 2027 artikel 28.

ARTIKEL XVIII

In de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 vervalt met ingang van 1 januari 2028 artikel 30.

ARTIKEL XIX

De Wet belastingen op milieugrondslag wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 14, eerste en derde lid, wordt «300 kubieke meter» vervangen door «50.000 kubieke meter».

Aa

In artikel 17, derde lid, wordt «300 kubieke meter» telkens vervangen door «50.000 kubieke meter».

B

In artikel 63, eerste lid, wordt het bedrag verhoogd met € 9,30.

C

Artikel 71p wordt als volgt gewijzigd:

2.
Het tarief voor een afvalverbrandingsinstallatie, genoemd in het eerste lid, onderdeel a, wordt bij aanvang van de volgende kalenderjaren, alvorens artikel 90 wordt toegepast, telkens verhoogd. Deze verhoging is voor:
  1. het kalenderjaar 2027: € 48,26;
  2. het kalenderjaar 2028: € 49,00;
  3. het kalenderjaar 2029: € 49,00; en
  4. het kalenderjaar 2030: € 48,00.
Artikel 90 vindt geen toepassing op een bedrag in dit lid nadat daarmee het tarief is verhoogd.
D

Artikel 71q, tweede lid, komt te luiden:

2.
De herberekening geschiedt in de aflopende volgorde die is gebaseerd op de hoogte van het tarief beginnend met het belastingtijdvak met het hoogste tarief.

ARTIKEL XX

Artikel 90 van de Wet belastingen op milieugrondslag vindt bij het begin van het kalenderjaar 2026 geen toepassing op het tarief voor een broeikasgasinstallatie of lachgasinstallatie, genoemd in artikel 71p, eerste lid, onderdeel a, van die wet.

ARTIKEL XXI

De Wet belastingen op milieugrondslag wordt met ingang van 1 januari 2027 als volgt gewijzigd:

A

Artikel 12 wordt als volgt gewijzigd:

B

Artikel 14 wordt als volgt gewijzigd:

2.
Als een levering als bedoeld in het eerste lid wordt niet aangemerkt de levering van leidingwater aan een verbruiker via een kleine of zeer kleine collectieve watervoorziening als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drinkwaterwet.
C

Artikel 17 wordt als volgt gewijzigd:

D

Artikel 18a vervalt.

E

In artikel 22, eerste lid, vervalt onderdeel o, onder vervanging van de puntkomma aan het slot van onderdeel n door een punt.

F

Artikel 29a vervalt.

G

Hoofdstuk III, afdeling 6, vervalt.

ARTIKEL XXII

In de Wet belastingen op milieugrondslag worden met ingang van 1 januari 2028 in artikel 28, eerste lid, onderdelen a, b en d, de tarieven verhoogd met € 53,25.

ARTIKEL XXIII

In de Wet belastingen op milieugrondslag wordt met ingang van 1 januari 2029 artikel 28 als volgt gewijzigd:

  1. het storten van afvalstoffen waarvoor op grond van de op de artikelen 8.40, eerste lid, en 10.2, tweede lid, van de Wet milieubeheer berustende algemene maatregel van bestuur, houdende een stortverbod binnen inrichtingen voor aangewezen categorieën van afvalstoffen, op verzoek een ontheffing is verleend van het in die algemene maatregel van bestuur opgenomen stortverbod: € 145,50 per 1.000 kilogram.

ARTIKEL XXIV

In de Wet belastingen op milieugrondslag wordt met ingang van 1 januari 2030 artikel 28, eerste lid, als volgt gewijzigd:

ARTIKEL XXV

In de Wet belastingen op milieugrondslag wordt met ingang van 1 januari 2031 artikel 28, eerste lid, als volgt gewijzigd:

ARTIKEL XXVI

In de Wet belastingen op milieugrondslag wordt met ingang van 1 januari 2032 artikel 28, eerste lid, als volgt gewijzigd:

ARTIKEL XXVII

In de Wet belastingen op milieugrondslag wordt met ingang van 1 januari 2033 artikel 28, eerste lid, als volgt gewijzigd:

ARTIKEL XXVIII

In de Wet belastingen op milieugrondslag wordt met ingang van 1 januari 2034 artikel 28, eerste lid, als volgt gewijzigd:

ARTIKEL XXIX

In de Wet belastingen op milieugrondslag wordt met ingang van 1 januari 2035 artikel 28, eerste lid, als volgt gewijzigd:

ARTIKEL XXX

De Wet milieubeheer wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 16b.17, derde en vierde lid, komt te luiden:

3.
De reductiefactor bedraagt 1,023.
4.
De correctiefactor voor broeikasgasinstallaties voor de verbranding van stedelijk afval bedraagt voor het jaar 2026 0,85, voor het jaar 2027 0,70, voor het jaar 2028 0,55, voor het jaar 2029 0,40, voor het jaar 2030 0,25, voor het jaar 2031 0,17, voor het jaar 2032 0,09 en voor het jaar 2033 en de daaropvolgende jaren 0.
B

Aan artikel 16b.27 wordt een lid toegevoegd, luidende:

3.
Exploitanten van broeikasgasinstallaties voor de verbranding van stedelijk afval kunnen uitsluitend dispensatierechten leveren aan en ontvangen van andere exploitanten van broeikasgasinstallaties voor de verbranding van stedelijk afval.

ARTIKEL XXXI

In de Provinciewet komt artikel 222, derde lid, onderdeel d te luiden:

  1. dit tarief voor motorrijtuigen als bedoeld in artikel 23b, eerste lid, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994, wordt vermenigvuldigd met het percentage, genoemd in dat artikel;.

ARTIKEL XXXII

In de Provinciewet vervalt met ingang van 1 januari 2028 artikel 222, derde lid, onderdeel a, onder 3°, onder vervanging van de puntkomma aan het slot van onder 2° door een punt.

ARTIKEL XXXIII

In de Algemene wet inzake rijksbelastingen wordt artikel 30g als volgt gewijzigd:

ARTIKEL XXXIIIA

In de Wet op de accijns wordt artikel 27, eerste lid, als volgt gewijzigd:

ARTIKEL XXXIV

De Wet op de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken wordt met ingang van 1 januari 2027 als volgt gewijzigd:

A

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

B

Artikel 6 komt te luiden:

Artikel 6
Onder alcoholvrije dranken worden verstaan vruchten- en groentesap en water, mineraalwater en spuitwater voor zover niet vallend onder GN-code 2201 en overige alcoholvrije drank, ook indien zij alcohol bevatten, voor zover zij niet worden aangemerkt als bier, wijn, tussenproducten of overige alcoholhoudende producten in de zin van de Wet op de accijns.
C

Artikel 9 wordt als volgt gewijzigd:

3.
Als overige alcoholvrije drank worden niet aangemerkt:
  1. alcoholvrije dranken van GN-code 2202 99 11 met een suikergehalte van niet meer dan 5,0 gewichtspercenten en een verzadigd vetgehalte van niet meer dan 1,1 gewichtspercenten;
  2. volledige zuigelingenvoeding, opvolgzuigelingenvoeding en voeding voor medisch gebruik als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdelen c, d, onderscheidenlijk g, van Verordening (EU) nr. 609/2013.
4.
Als overige alcoholvrije drank wordt evenmin aangemerkt de drank, bedoeld in het derde lid, in vaste vorm of als concentraat in kleinhandelsverpakking of in een verpakking die is bestemd voor afnemers die voor gebruik gerede overige alcoholvrije drank vervaardigen voor gebruik ter plaatse.
D

In artikel 10, tweede lid, wordt «limonade» telkens vervangen door «overige alcoholvrije drank».

Artikel 6

Onder alcoholvrije dranken worden verstaan vruchten- en groentesap en water, mineraalwater en spuitwater voor zover niet vallend onder GN-code 2201 en overige alcoholvrije drank, ook indien zij alcohol bevatten, voor zover zij niet worden aangemerkt als bier, wijn, tussenproducten of overige alcoholhoudende producten in de zin van de Wet op de accijns.

ARTIKEL XXXV

In de Wet inkomstenbelasting BES komt in artikel 24a, eerste lid, de tabel te luiden:

ARTIKEL XXXVA

De Wet vrachtwagenheffing wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

B

Artikel 3, eerste lid, onderdeel d, komt te luiden:

  1. emissievrij zijn en een maximummassa hebben van maximaal 4.250 kilogram.
C

In de in artikel 5, eerste lid, onderdelen a, b en c, opgenomen tabellen wordt «Toegestane maximummassa (kg)» telkens vervangen door «Maximummassa van de combinatie (kg)».

D

Artikel 8 wordt als volgt gewijzigd:

ARTIKEL XXXVI

In het Belastingplan 2023 wordt artikel XLA als volgt gewijzigd:

ARTIKEL XXXVII

In het Belastingplan 2024 vervallen de artikelen III en IX.

ARTIKEL XXXVIII

Het Belastingplan 2025 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel II, artikel III, onderdelen D en E, en artikel IX, onderdeel A, vervallen.

B

Artikel IV wordt als volgt gewijzigd:

C

Artikel XXV, onderdeel F, vervalt.

D

In artikel XLIII wordt «1 januari 2026» vervangen door «1 januari 2027», wordt «€ 789,10» vervangen door «€ 844,69», wordt »€ 516,25» vervangen door «€ 552,29», wordt »€ 344,74» vervangen door «€ 369,02», wordt «€ 973,84» vervangen door «€ 1002,07», wordt «€ 635,90» vervangen door «€ 654,33»en wordt «€ 425,43» vervangen door «€ 437,77».

E

In artikel LVIII, onderdeel a, wordt «onderdeel IV» vervangen door «onderdeel B».

F

In artikel LXV, derde lid, wordt «artikel 2, eerste lid,» vervangen door «artikel 30».

ARTIKEL XXXVIIIBIS

In de Wet van 20 december 2017 tot wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001 tot het geleidelijk uitfaseren van de aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld (Stb. 2017, 523) wordt in artikel III, aanhef, «2048» vervangen door «2041».

ARTIKEL XXXVIIIA

De Wet behoud verlaagd btw-tarief op cultuur, media en sport wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel II, derde lid, wordt na «artikelen» ingevoegd «4.17a, achtste lid, onderdeel c, 5.5».

B

Artikel IV vervalt.

ARTIKEL XXXVIIIB

In de Wet aanpassing fiscale bedrijfsopvolgingsfaciliteiten 2024 vervallen artikel II, onderdeel A, onder 0, en artikel V, onderdeel B, onder 1a, 1b en 3a.

ARTIKEL XXXVIIIC

In de Wet aanpassing fiscale bedrijfsopvolgingsfaciliteiten 2025 vervallen de artikelen I, onderdelen A, onder 1 tot en met 6 en 8, Aa en B, onder 1 en 2, en III, onderdelen B, onder 1 tot en met 5, 7 en 8, Ba en C, onder 1, subonderdeel a, tweede zin, en subonderdelen b tot en met d, 2 en 3.

ARTIKEL XXXIX

Artikel X, onderdeel A vindt geen toepassing op verkrijgingen op grond van huwelijkse voorwaarden die zijn aangegaan voor 16 september 2025, 16:00 uur, alsmede op verkrijgingen op grond van een notarieel samenlevingscontract dat is afgesloten voor 16 september 2025, 16:00 uur. De eerste zin is niet langer van toepassing zodra die huwelijkse voorwaarden, onderscheidenlijk dat notariële samenlevingscontract, op of na dat tijdstip worden, onderscheidenlijk wordt, gewijzigd met betrekking tot het aandeel in de huwelijksgoederengemeenschap of de te verrekenen som.

ARTIKEL XL

De artikelen 5.26, vierde lid, en 5.31, eerste lid, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001 blijven buiten toepassing voor zover het werkelijke rendement van bezittingen en schulden, bedoeld in artikel 5.25, eerste lid, van die wet, wordt bepaald over bezittingen of schulden die direct voorafgaand aan 25 augustus 2025, 16.00 uur tot de bezittingen, bedoeld in artikel 5.3, tweede lid, van die wet, onderscheidenlijk de schulden, bedoeld in artikel 5.3, derde lid, van die wet, behoorden.

ARTIKEL XLI

ARTIKEL XLII

De bedragen, bedoeld in de artikelen en onderdelen, genoemd in artikel XXXV, onderdeel c, van het Belastingplan 2024, waarop artikel 10.1, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 van overeenkomstige toepassing is bij het begin van het kalenderjaar 2026, worden daarbij niet vermenigvuldigd met de tabelcorrectiefactor, maar met 1,027782.

ARTIKEL XLIII

[Vervallen]

ARTIKEL XLIV

[Vervallen]

ARTIKEL XLV

Artikel 10.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 vindt met betrekking tot artikel 5.13 van die wet geen toepassing bij het begin van het kalenderjaar 2027.

ARTIKEL XLVI

Na toepassing van de artikelen I, onderdeel A, en III, onderdeel B, artikel 10.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en de artikelen 20a, tweede lid, en 20b, tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 bij het begin van het kalenderjaar 2026 worden de bedragen in kolom III van de tabellen in de artikelen 2.10, eerste lid, en 2.10a, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 en in de artikelen 20a, eerste lid, en 20b, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 bij ministeriële regeling gewijzigd in de bedragen die na toepassing van die bepalingen voortvloeien uit de bij het begin van het kalenderjaar 2026 in de kolommen I en II van die tabellen vermelde bedragen en de in kolom IV van die tabel vermelde percentages.

ARTIKEL XLVIA

Artikel 10.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 is bij het begin van het kalenderjaar 2026 van overeenkomstige toepassing op het in de artikelen 23, derde en vierde lid, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen vermelde bedrag, onderscheidenlijk laatstvermelde bedrag.

ARTIKEL XLVII

Artikel 27a van de Wet op de accijns vindt bij het begin van het kalenderjaar 2026 geen toepassing op de bedragen, genoemd in artikel 27, eerste lid, onderdeel a, tweede bedrag, onderdeel b, tweede bedrag, en onderdeel d, van die wet.

ARTIKEL XLVIII

  1. dit tarief voor motorrijtuigen als bedoeld in artikel 23b, eerste lid, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994, wordt vermenigvuldigd met het percentage, genoemd in dat lid;.
  1. dit tarief voor motorrijtuigen als bedoeld in artikel 23b, eerste lid, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994, wordt vermenigvuldigd met het percentage, genoemd in dat lid;.

ARTIKEL XLIX

Ingeval de samenloop van wetten die in 2025 in het Staatsblad zijn of worden gepubliceerd en wijzigingen aanbrengen in een of meer belastingwetten, niet of niet juist is geregeld, of indien als gevolg van die samenloop onjuistheden ontstaan in de aanduiding van artikelen, artikelonderdelen, verwijzingen en dergelijke in de desbetreffende wetten, kunnen die wetten op dit punt bij ministeriële regeling worden gewijzigd.

ARTIKEL L

ARTIKEL LI

Deze wet wordt aangehaald als: Belastingplan 2026.

Wetswijzigingen integreren met je processen? Probeer Way 3 weken gratis.