Besluit van 25 juni 2026 tot wijziging van het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie in verband met de inzet van beroepskrachten in opleiding in de voorschoolse educatie en het opnemen van de vaardigheid interactief voorlezen (Besluit beroepskrachten in opleiding in de voorschoolse educatie en interactief voorlezen) [KetenID: WGK027110]
Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 5 november 2025, nr. WJZ/55013931 (ID 27110);
Gelet op artikel 1.50b van de Wet kinderopvang;
De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 11 februari 2026, nr. W05.25.00327/I);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 22 juni 2026, nr. WJZ/64641520 (ID 27110);
Hebben goedgevonden en verstaan:
ARTIKEL I. WIJZIGING BESLUIT BASISVOORWAARDEN KWALITEIT VOORSCHOOLSE EDUCATIE
Het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie wordt als volgt gewijzigd:
A
In artikel 2a, derde lid, wordt «artikel 167, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 2°, van de Wet op het primair onderwijs» vervangen door «artikel 160, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 1°, van de Wet op het primair onderwijs».
B
In artikel 3, derde lid, aanhef, wordt «De bezitter van een getuigschrift» vervangen door «De beroepskracht die een voor de werkzaamheden passende opleiding heeft gevolgd».
C
Na artikel 3 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 3a. Beroepskracht in opleiding in de voorschoolse educatie
1.
Onverminderd het bij of krachtens artikel 1.50 van de Wet kinderopvang bepaalde met betrekking tot de inzet van een beroepskracht in opleiding, wordt een beroepskracht in opleiding voor de toepassing van artikel 3, eerste lid, gelijkgesteld met een beroepskracht voorschoolse educatie, indien:- de beroepskracht in opleiding een voor de werkzaamheden passende opleiding als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, in de beroepsbegeleidende leerweg, bedoeld in artikel 7.2.7, vierde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs volgt en:
- hij het keuzedeel, bedoeld in artikel 4, tweede lid, aantoonbaar volgt, dan wel met goed gevolg heeft afgerond; of
- de kennis en vaardigheden, genoemd in artikel 4, tweede lid, onderdeel zijn van de beroepsopleiding waarop de kwalificatie is gericht;
- hij het eerste leerjaar van de opleiding aantoonbaar heeft afgerond;
- de beroepskracht in opleiding, de praktijkbegeleider en de opleidingsbegeleider schriftelijk hebben ingestemd met een door hen opgesteld begeleidingsplan betreffende de inzet van de beroepskracht in opleiding in de voorschoolse educatie en er conform het opgestelde begeleidingsplan wordt gehandeld; en
- bij het aanbieden van voorschoolse educatie ten minste één beroepskracht voorschoolse educatie die voldoet aan de eisen, bedoeld in artikel 4, ook op de groep aanwezig is, met dien verstande dat indien de groep uit meer dan acht feitelijk aanwezige kinderen bestaat, dit geen beroepskracht voorschoolse educatie als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, betreft.
2.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de inhoud en de wijze van totstandkoming van het begeleidingsplan, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c.D
Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:
1a.
Als een voor de werkzaamheden passende opleiding als bedoeld in het eerste lid, en als bewijsstuk waarmee kan worden aangetoond dat de opleiding is gevolgd, gelden uitsluitend de opleidingen onderscheidenlijk de bewijsstukken die als zodanig:- bij ministeriële regeling zijn aangewezen; of
- zijn opgenomen in een bij ministeriële regeling aangewezen, reeds aangegane collectieve arbeidsovereenkomst.
- het interactief voorlezen aan het jonge kind.
3a.
De beroepskracht voorschoolse educatie beheerst op de onderdelen mondelinge taalvaardigheid en lezen aantoonbaar ten minste het niveau 3F als bedoeld in bijlage 1 bij het Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen of het niveau B2 van het Europees Referentiekader voor Talen in het Nederlands. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over het op grond van de eerste volzin vereiste niveau en de voor het aantonen daarvan benodigde bewijsstukken.E
Artikel 8 komt te luiden:
Artikel 8. Overgangsrecht
1.
Artikel 4, zoals dat luidde op 31 juli 2027, blijft van toepassing ten aanzien van degene die op die datum inzetbaar was als beroepskracht voorschoolse educatie.2.
Degene die op 31 juli 2027 reeds is begonnen met een voor de werkzaamheden passende opleiding als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, is vanaf het moment dat hij, op basis van die opleiding, voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 4, zoals dat luidde op 31 juli 2027, inzetbaar als beroepskracht voorschoolse educatie op grond van die voorwaarden.3.
Artikel 4, tweede lid, zoals dat luidde op 31 juli 2027, blijft van toepassing ten aanzien van de inzet van de beroepskracht in opleiding, die op die datum stond ingeschreven voor een voor de werkzaamheden passende opleiding als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdeel a, voor zover het de toepassing van artikel 3a, eerste lid, onderdeel a, subonderdelen 1° en 2°, betreft.Artikel 3a. Beroepskracht in opleiding in de voorschoolse educatie
Artikel 8. Overgangsrecht
ARTIKEL II. INWERKINGTREDING
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2027, met uitzondering van artikel I, onderdeel D, onder 5, 7 en 9 en onderdeel E, die in werking treden met ingang van 1 augustus 2027.
ARTIKEL III. CITEERTITEL
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit beroepskrachten in opleiding in de voorschoolse educatie en interactief voorlezen.