Part of Smart Yellow Suite

WGK027048
Wijziging Besluit Woningbouwimpuls 2020

Updates ontvangen over deze regeling? Log in

Overheid.nl - XML - JSON

Type Algemene Maatregel van Bestuur
Fase Bekendmaking
Ministerie Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Datum uitgave 16 juli 2025
Datum inwerkingtreding -
Per KB Nee

Samenvatting

De Woningbouwimpuls is een bestaande specifieke uitkering die met een aantal wijzigingen wordt voortgezet. De wijziging is nodig omdat, naast het voortzetten van de Woningbouwimpuls, een nieuwe reguliere woningbouwbijdrage wordt geïntroduceerd via de beoogde Realisatiestimulans. Met de introductie van de beoogde Realisatiestimulans dient de Woningbouwimpuls op onderdelen te worden aangepast. De beoogde Realisatiestimulans is een voorspelbare bijdrage per gemeente, gebaseerd op het aantal woningen waarvan de realisatie in dat jaar is gestart. Het doel van de beoogde Realisatiestimulans is om bij te dragen aan de woningbouwopgave door gemeenten een financiële impuls te geven om woningen in het betaalbare segment te realiseren. De wijzigingen van de Wbi zien op de actualisatie van de begripsbepalingen van middenhuur en betaalbare koop en de uitwerking van de aanvraagcriteria en het beoordelingskader worden verplaatst naar de Regeling Wbi. Deze worden bij de wijziging van de Regeling aangescherpt.

Documenten

stb-2025-306 (PDF)

Besluit van 8 oktober 2025 tot wijziging van het Besluit Woningbouwimpuls 2020 in verband met actualisatie van begrippen betaalbare woningen en delegatie van criteria voor toekenning

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 3 juni 2025, nr. 2025-0000355710 ;

Gelet op artikel 81, tweede lid, van de Woningwet;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 20 augustus 2025, No. W04.25.00136/I);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 6 oktober 2025, nr. 2025-0000531793;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Besluit Woningbouwimpuls 2020 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

  1. huurwoning voor middenhuur: huurwoning met een aanvangshuurprijs van ten minste het bedrag, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag, en ten hoogste:
    1. het bedrag als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het Besluit huurprijzen woonruimte; of
    2. het onder i bedoelde bedrag met inbegrip van een vermeerdering als bedoeld in artikel 8a, eerste, derde, vierde of vijfde lid, voor zover het gaat om een huurwoning als bedoeld in die leden;
  2. betaalbare koopwoning: koopwoning met een koopprijs vrij op naam bij eerste verkoop van ten hoogste de geïndexeerde bovengrens, bedoeld in artikel 7, vierde lid, van de Huisvestingswet 2014;
B

Artikel 2 komt te luiden:

Artikel 2. Activiteiten waarvoor een uitkering kan worden verstrekt
1.
Onze Minister kan op aanvraag van een college een specifieke uitkering verstrekken aan de gemeente voor bijdragen in projecten die:
  1. Het realiseren of het versnellen van de bouw van een substantieel aantal betaalbare woningen in een kwalitatief goede leefomgeving tot doel hebben;
  2. Nog niet in de uitvoerende fase zijn;
  3. Binnen afzienbare tijd opgestart kunnen worden; en
  4. Door de bij het project betrokken partijen zelf van een substantiële financiële bijdrage worden voorzien.
2.
De aangevraagde uitkering bedraagt ten hoogste het aantoonbare financiële tekort van een gemeente op de voor het project noodzakelijke publieke investeringen verminderd met bijdragen als bedoeld in het eerste lid, onder d, en publieke opbrengsten verbonden aan het project.
3.
Bij ministeriële Regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de toepassing van het eerste en tweede lid.
C

In artikel 3 komen onder vernummering van het tweede tot het eerste lid en het vierde tot het tweede lid het eerste en derde lid te vervallen.

D

Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

E

Artikel 5, eerste lid, wordt «artikel 4, derde lid» vervangen door «artikel 4, tweede lid» en wordt «artikel 4, vijfde lid» vervangen door «artikel 4, vijfde lid».

F

In het eerste lid, onderdeel c, en het derde lid, onderdeel a, van artikel 6 wordt «artikel 3, tweede of derde lid,» vervangen door «artikel 3, eerste lid,».

G

In artikel 7, derde lid, wordt «artikel 4, eerste of tweede lid,» vervangen door «artikel 4, eerste lid,» en na «bedoelde aanvraagtijdvak» wordt ingevoegd «welke termijn de commissie, door schriftelijke kennisgeving daarvan aan Onze Minister binnen die termijn, eenmalig kan verlengen met een door de commissie daarbij te bepalen termijn van ten hoogste vier weken».

H

In artikel 8, tweede lid, wordt «artikel 4, derde lid,» vervangen door «artikel 4, tweede lid,»

I

Artikel 11 komt te luiden:

Artikel 11. Overgangsrecht
De aanvraag wordt behandeld onder het recht zoals dat luidde ten tijde van het aanvraagtijdvak als bedoeld in artikel 4, eerste lid, waarbinnen die aanvraag is gedaan.

Artikel 2. Activiteiten waarvoor een uitkering kan worden verstrekt

Artikel 11. Overgangsrecht

De aanvraag wordt behandeld onder het recht zoals dat luidde ten tijde van het aanvraagtijdvak als bedoeld in artikel 4, eerste lid, waarbinnen die aanvraag is gedaan.

II

Aan het Besluit van 29 oktober 2022, houdende het stellen van regels over het verstrekken van specifieke uitkeringen aan gemeenten of provincies voor activiteiten die passen in het rijksbeleid met betrekking tot het bouwen, het wonen en de woonomgeving ( Stb. 2022, 452 ) wordt na artikel 5 een artikel toegevoegd, luidende:

Artikel 6. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit specifieke uitkeringen volkshuisvesting

Artikel 6. Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit specifieke uitkeringen volkshuisvesting

III

Dit Besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2026.

stb-2026-306 (PDF)

Wet van 23 september 2026 tot wijziging van de Werkloosheidswet en enige andere wetten vanwege aanpassing van de Regeling dienstverlening aan huis (Wet aanpassing Regeling dienstverlening aan huis) [KetenID WGK025918]

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Regeling dienstverlening aan huis, die betrekking heeft op de rechtspositie van werknemers die doorgaans op minder dan vier dagen per week werken in het huishouden van een natuurlijk persoon, niet van toepassing te laten zijn bij aangewezen publiek gefinancierde dienstverlening;

Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I WERKLOOSHEIDSWET

Aan artikel 6, eerste lid, onderdeel c, van de Werkloosheidswet wordt toegevoegd «, tenzij het verrichten van deze diensten geheel of gedeeltelijk betaald wordt vanuit een, bij regeling van Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën, aan te wijzen regeling voor publieke financiering van deze diensten».

ARTIKEL II ZIEKTEWET

Aan artikel 6, eerste lid, onderdeel c, van de Ziektewet wordt toegevoegd «, tenzij het verrichten van deze diensten geheel of gedeeltelijk betaald wordt vanuit een, bij regeling van Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën, aan te wijzen regeling voor publieke financiering van deze diensten».

ARTIKEL III WET OP DE ARBEIDSONGESCHIKTHEIDSVERZEKERING

Aan artikel 6, eerste lid, onderdeel c, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt toegevoegd «, tenzij het verrichten van deze diensten geheel of gedeeltelijk betaald wordt vanuit een, bij regeling van Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën, aan te wijzen regeling voor publieke financiering van deze diensten».

ARTIKEL IV BURGERLIJK WETBOEK

Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek wordt als volgt gewijzigd:

A

[vervallen]

B

In artikel 629, tweede lid, onderdeel a, wordt «in dienstbetrekking staat» vervangen door «in dienstbetrekking staat, tenzij het verrichten van deze diensten geheel of gedeeltelijk betaald wordt vanuit een, bij regeling van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën, aan te wijzen regeling voor publieke financiering van deze diensten».

C

Aan artikel 671, eerste lid, onderdeel d, wordt toegevoegd «, tenzij het verrichten van de diensten ten behoeve van het huishouden geheel of gedeeltelijk betaald wordt vanuit een, bij regeling van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën, aan te wijzen regeling voor publieke financiering van deze diensten».

ARTIKEL V WET FLEXIBEL WERKEN

In artikel 2b, vijfde lid, onderdeel a, van de Wet flexibel werken wordt «in dienstbetrekking staat» vervangen door «in dienstbetrekking staat, tenzij het verrichten van deze diensten geheel of gedeeltelijk betaald wordt vanuit een, bij regeling van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën, aan te wijzen regeling voor publieke financiering van deze diensten».

ARTIKEL VI WET OP DE LOONBELASTING 1964

In de Wet op de loonbelasting 1964 wordt aan artikel 5 een lid toegevoegd, luidende:

3.
Het eerste lid is niet van toepassing indien het verrichten van de diensten geheel of gedeeltelijk wordt betaald vanuit een, bij regeling van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën, aan te wijzen regeling voor publieke financiering van deze diensten.

ARTIKEL VII EVALUATIE

Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zendt binnen twee jaar en vervolgens binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Het verslag dat binnen twee jaar aan de Staten-Generaal wordt gezonden beperkt zich tot de vraag of de compenserende middelen voor pgb-houders op grond van de Wet langdurige zorg en de Zorgverzekeringswet toereikend zijn.

ARTIKEL VIIA OVERGANGSRECHT ZVW-PGB

ARTIKEL VIII OVERGANGSWET NIEUW BURGERLIJK WETBOEK

Na artikel 214 van de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 215
1.
Het in artikel 629, tweede lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek genoemde tijdvak van zes weken, blijft van toepassing op de werknemer:
  1. die doorgaans op minder dan vier dagen per week uitsluitend of nagenoeg uitsluitend diensten verricht ten behoeve van het huishouden van de natuurlijk persoon tot wie hij in dienstbetrekking staat als bedoeld in artikel 629, tweede lid, onderdeel a, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, zoals dat luidde op de dag voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel IV, onderdeel B, van de Wet aanpassing regeling dienstverlening aan huis; en
  2. wiens eerste dag van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte is gelegen voor het tijdstip, bedoeld in onderdeel a.
2.
Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel b, worden perioden van ongeschiktheid tot werken geacht eenzelfde, niet onderbroken periode van ongeschiktheid te vormen, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen. Bij de vaststelling van de periode van vier weken blijven perioden waarin zwangerschaps- of bevallingsverlof is genoten overeenkomstig artikel 3:1, tweede en derde lid, van de Wet arbeid en zorg, buiten beschouwing.

Artikel 215

ARTIKEL IX

ARTIKEL X

Deze wet wordt aangehaald als: Wet aanpassing Regeling dienstverlening aan huis.

Wetswijzigingen integreren met je processen? Probeer Way 3 weken gratis.