Part of Smart Yellow Suite

WGK026920
Wet harmonisering huurtoeslag 2025 en verlaging eigen bijdrage

Updates ontvangen over deze regeling? Log in

Overheid.nl - XML - JSON

Type Wet
Fase Bekendmaking
Ministerie Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
Datum uitgave 2 oktober 2024
Datum inwerkingtreding -
Per KB Ja

Opschrift

Wijziging van de Wet verlaging eigen bijdrage huurtoeslag, de Wet op de huurtoeslag en enkele andere wetten ter verbetering van de koopkracht en vereenvoudiging van de regeling

Samenvatting

Vermindering van het aantal huishoudtypes per 2025 en verlaging van de eigen bijdrage huurtoeslag per 2026 alsmede wijziging van de afbouw van het recht op huurtoeslag per 2026.

Documenten

stb-2024-426 (PDF)

Wet van 18 december 2024 tot wijziging van de Wet verlaging eigen bijdrage huurtoeslag, de Wet op de huurtoeslag en enkele andere wetten ter verbetering van de koopkracht en vereenvoudiging van de regeling

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje- Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die dezen zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de regeling van de huurtoeslag te vereenvoudigen en de eigen bijdrage van huurtoeslagontvangers verder te verlagen teneinde de koopkracht te verbeteren;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De in artikel 1, onderdelen c tot en met f, van de Wet verlaging eigen bijdrage huurtoeslag genoemde bedragen worden verhoogd met € 11,58.

ARTIKEL II

De Wet op de huurtoeslag wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1, onderdeel g, wordt «Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties» vervangen door «Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening».

B

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

C

[vervallen]

D

Artikel 17 wordt als volgt gewijzigd:

1.
Het minimum-inkomensijkpunt wordt verkregen door:
  1. voor een eenpersoonshuishouden: de uitkomst van het bedrag van het bruto- ouderdomspensioen voor de pensioengerechtigde, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van de Algemene Ouderdomswet, zoals dat bedrag naar redelijke verwachting in het berekeningsjaar zal luiden, vermeerderd met het bedrag van de bruto-vakantie-uitkering, vastgesteld overeenkomstig artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van die wet, zoals dat bedrag naar redelijke verwachting in het berekeningsjaar zal luiden, te herrekenen naar een jaarinkomen in het berekeningsjaar en dat jaarinkomen te vermeerderen met € 2 340;
  2. voor een meerpersoonshuishouden: de uitkomst van twee maal het bedrag van het bruto- ouderdomspensioen voor de pensioengerechtigde, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder b, van de Algemene Ouderdomswet, zoals dat bedrag naar redelijke verwachting in het berekeningsjaar zal luiden, vermeerderd met het bedrag van de bruto-vakantie-uitkering, vastgesteld overeenkomstig artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van die wet, zoals dat bedrag naar redelijke verwachting in het berekeningsjaar zal luiden, te herrekenen naar een jaarinkomen in het berekeningsjaar en dat jaarinkomen te vermeerderen met € 2 512.
E

Artikel 18 wordt als volgt gewijzigd:

1.
Het referentie-inkomensijkpunt bedraagt:
  1. voor een eenpersoonshuishouden: € 30.575;
  2. voor een meerpersoonshuishouden: € 39.875.
3.
De normhuur, bedoeld in het tweede lid, wordt verlaagd met:
  1. € 2,27 als sprake is van een eenpersoonshuishouden; en
  2. € 4,54 als sprake is van een meerpersoonshuishouden.
F

Artikel 21 wordt als volgt gewijzigd:

  1. het deel van de rekenhuur boven de aftoppingsgrens wordt voor een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen percentage gesubsidieerd.
G

Artikel 27 wordt als volgt gewijzigd:

H

In artikel 50 wordt «negende lid» vervangen door «achtste lid» en wordt «acht» vervangen door «vier».

I

[vervallen]

ARTIKEL III

De Wet op de huurtoeslag wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 16 wordt na «rekenhuur dat» ingevoegd «minimaal» en wordt «de artikelen 17, 18 en 19» vervangen door «artikel 17».

B

Artikel 18 vervalt.

C

Artikel 19 vervalt.

D

Artikel 21, tweede en derde lid, worden vervangen door een lid, luidende:

2.
Voor elk rekeninkomen boven het minimum-inkomensijkpunt, bedoeld in artikel 17, wordt, per type huishouden als bedoeld in artikel 2, de overeenkomstig het eerste lid bepaalde hoogte van de huurtoeslag, verlaagd met de uitkomst van de formule:Y x (afbouwpercentage/12) in welke formule voorstelt:Y: het rekeninkomen verminderd met het minimum-inkomensijkpunt, bedoeld in artikel 17;afbouwpercentage:
  1. 27% voor eenpersoonshuishoudens, of
  2. 22% voor meerpersoonshuishoudens.
E

Artikel 27 wordt als volgt gewijzigd:

8.
Bij ministeriële regeling kan het afbouwpercentage, bedoeld in artikel 21, tweede lid, worden gewijzigd voor zover de wijziging van de jaarinkomens, bedoeld in artikel 17, eerste lid, onbedoeld afwijkt van de wijziging welke naar verwachting plaats zal vinden met betrekking tot de inkomens boven het minimum-inkomensijkpunt.

ARTIKEL IV

Artikel 10, tweede lid, tweede zin, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte komt te luiden: Bij ministeriële regeling worden de bedragen, genoemd in onderdeel a, met ingang van 1 januari van elk jaar gewijzigd met de procentuele wijziging per 1 januari van het peiljaar van het bedrag, genoemd in artikel 17, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de huurtoeslag.

ARTIKEL V

Artikel 10, vijfde lid, van de Huisvestingswet 2014 komt te luiden:

5.
Bij ministeriële regeling worden de bedragen, genoemd in het vierde lid, met ingang van 1 januari van elk jaar gewijzigd met de procentuele wijziging per 1 januari van het peiljaar, bedoeld in artikel 252a, tweede lid, onderdeel f, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, van het bedrag, genoemd in artikel 17, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de huurtoeslag.

ARTIKEL VI

Artikel 475da van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt als volgt gewijzigd:

2.
Met inachtneming van het eerste lid bedraagt de beslagvrije voet:
  1. voor een alleenstaande (95% x A) + (((C - D) / 12) x E) + (I x (F / 12), of, als dat minder is, H-J);
  2. voor een alleenstaande ouder: (95% x A) + (((C - D) / 12) x E) + (I x (G / 12), of, als dat minder is, H-J) + (((C - D) / 12) x K);
  3. voor gehuwden zonder kinderen: (95% x B) + (((C - D) / 12) x E) + (I x (G / 12), of, als dat minder is, H-J);
  4. voor gehuwden met een of meer kinderen: (95% x B) + (((C - D) / 12) x E) + (I x (G / 12), of, als dat minder is, H-J) + (((C - (D + L)) / 12) x K).
Hierbij staat
  1. A voor de norm, genoemd in artikel 21, onderdeel a, van de Participatiewet;
  2. B voor de norm, genoemd in artikel 21, onderdeel b, van de Participatiewet;
  3. C voor het tot een jaarinkomen herleide belastbaar inkomen zoals dit is vastgesteld op basis van artikel 475d, eerste lid, van de geëxecuteerde, en, indien van toepassing, zijn echtgenoot;
  4. D voor het drempelbedrag, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de zorgtoeslag, of voor C, indien C lager is dan dit drempelbedrag;
  5. E voor het percentage van het toetsingsinkomen waarmee het drempelinkomen wordt vermeerderd, bedoeld in artikel 2, derde lid, van de Wet op de zorgtoeslag;
  6. F voor het afbouwpercentage voor een eenpersoonshuishouden, bedoeld in artikel 21, tweede lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag;
  7. G voor het afbouwpercentage voor een meerpersoonshuishouden, bedoeld in artikel 21, tweede lid, onderdeel b, van de Wet op de huurtoeslag;
  8. H voor de maximale rekenhuur, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag;
  9. I voor het belastbaar inkomen C verminderd met het minimum-inkomensijkpunt, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet op de huurtoeslag;
  10. J voor de basishuur, bedoeld in artikel 16 van de Wet op de huurtoeslag;
  11. K voor het percentage, bedoeld in artikel 2, zevende lid, van de Wet op het kindgebonden budget;
  12. L voor het bedrag waarmee het drempelinkomen van de ouder en diens partner op basis van artikel 2, achtste lid, van de Wet op het kindgebonden budget wordt verhoogd.

ARTIKEL VII

De in artikel 18, eerste lid, van de Wet op de huurtoeslag genoemde bedragen kunnen met ingang van 1 januari 2025 bij ministeriële regeling worden verhoogd.

ARTIKEL VIII

Indien het bij koninklijke boodschap van 23 februari 2023 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet op de huurtoeslag (vereenvoudiging van de huurtoeslag) (36 311) tot wet is of wordt verheven en die wet:

A

eerder in werking treedt of is getreden dan deze wet:

B

later in werking treedt dan:

ARTIKEL IX

Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2025, met uitzondering van de artikelen IV en V die in werking treden met ingang van 1 juli 2025 en met uitzondering van de artikelen I, III en VI die in werking treden op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

stb-2025-426 (PDF)

Besluit van 5 december 2025, houdende wijziging van het Besluit van 26 maart 2021, houdende wijziging van het Besluit SUWI en het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen in verband met de definiëring van de inkomstenverhouding voor de gegevensset van de polisadministratie (Stb. 2021, 198) en enkele andere besluiten in verband met vereenvoudiging van de uitvoering van de inkomstenverhouding bij betalingen van uitkeringen op grond van de Ziektewet en de Wet arbeid en zorg via de werkgever of inhoudingsplichtige en enkele aanpassingen van technische aard [KetenID WGK014814]

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 10 december 2024, nr. 2024-000661510;

Gelet op de artikelen 4, zevende lid, en 8, zesde lid, van de Wet arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese Unie, de artikelen 38d, negende lid, en 117b, derde lid, onderdeel h, van de Wet financiering sociale verzekeringen, artikel 10a, eerste tot en met vierde lid, van de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten, artikel 33, elfde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, artikel 15, tweede lid, van de Ziektewet en de artikelen 3:13, vierde lid, en 4:2b, vijfde lid, van de Wet arbeid en zorg;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 15 januari 2025, nr. W12.24.00342/III);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 2 december 2025, nr. 2025-0000275065,

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I WIJZIGING BESLUIT ARBEIDSVOORWAARDEN GEDETACHEERDE WERKNEMERS IN DE EUROPESE UNIE

Het Besluit arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese Unie wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

B

Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

  1. de loonstrookjes, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel a, van de wet;
  1. de arbeidsovereenkomsten met de gedetacheerde werknemers, of de gelijkwaardige documenten, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de wet.
C

In artikel 8, eerste lid, aanhef, vervalt «, de identiteit van de voor de uitbetaling van het loon verantwoordelijke persoon, met dien verstande dat daaronder wordt begrepen de voor de uitbetaling van de financiële tegenprestatie verantwoordelijke persoon,».

ARTIKEL II WIJZIGING BESLUIT WFSV

In artikel 2.19c, aanhef, van het Besluit Wfsv vervalt «van het staartlastenvermogen».

ARTIKEL III WIJZIGING WIJZIGINGSBESLUIT IN VERBAND MET DEFINIËRING INKOMSTENVERHOUDING

Het Besluit van 26 maart 2021, houdende wijziging van het Besluit SUWI en het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen in verband met de definiëring van de inkomstenverhouding voor de gegevensset van de polisadministratie (Stb. 2021, 198) wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel I, onderdeel 2, worden de nieuwe leden van artikel 5.1 van het Besluit SUWI als volgt gewijzigd:

  1. een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd geldt als aangegaan voor onbepaalde tijd op grond van artikel 668a of artikel 691 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.
  1. ouderdomspensioen als bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet, dat via de werkgever is opgebouwd of dat is opgebouwd via een verplichte beroepspensioenregeling of bedrijfstakpensioenregeling;
  1. nabestaandenpensioen als bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet, dat via de werkgever is opgebouwd of dat is opgebouwd via een verplichte beroepspensioenregeling of bedrijfstakpensioenregeling;
  1. arbeidsongeschiktheidspensioen als bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet, dat via de werkgever is opgebouwd of dat is opgebouwd via een verplichte beroepspensioenregeling of bedrijfstakpensioenregeling;
8.
Ter zake van rechtsbetrekkingen tussen de werknemer en de inhoudingsplichtige of de werkgever in de zin van het tweede lid geldt dat, in afwijking van het tweede lid, de volgende twee rechtsbetrekkingen als één inkomstenverhouding worden aangemerkt:
  1. de rechtsbetrekking, bedoeld in het tweede lid, op grond waarvan recht bestaat op loon uit tegenwoordige arbeid of gage, beide overeenkomstig de Wet op de loonbelasting 1964; en
  2. de gelijktijdige rechtsbetrekking op grond waarvan recht bestaat op een uitkering op grond van de Ziektewet of de Wet arbeid en zorg, die betrekking heeft op de rechtsbetrekking genoemd in onderdeel a met de werkgever of inhoudingsplichtige waaraan het UWV deze uitkering betaalt met het oogmerk deze uitkering door diens tussenkomst te doen betalen.
B

Artikel II wordt als volgt gewijzigd:

4.
Dit artikel blijft buiten toepassing indien:
  1. de toepassing van dit artikel leidt tot een lager dagloon; of
  2. gedurende het aangiftetijdvak, bedoeld in het eerste lid, het te vervangen loon mede bestaat uit een uitkering als bedoeld in artikel 12c, tweede lid, onderdeel b, die rechtstreeks is betaald aan de werknemer voor zover het recht op die uitkering niet bestaat tijdens en uit hoofde van een dienstbetrekking.

ARTIKEL IV WIJZIGING BESLUIT SUWI

In bijlage I van het Besluit SUWI vervalt «en scholingsbelemmerden».

ARTIKEL V INWERKINGTREDINGSBEPALING

stb-2025-24 (PDF)

Besluit 28 januari 2025 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet van 18 december 2024 tot wijziging van de Wet verlaging eigen bijdrage huurtoeslag, de Wet op de huurtoeslag en enkele andere wetten ter verbetering van de koopkracht en vereenvoudiging van de regeling (Stb. 2024, 426)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 23 januari 2025, nr. 2025-0000002356;

Gelet op artikel IX van de Wet van 18 december 2024 tot wijziging van de Wet verlaging eigen bijdrage huurtoeslag, de Wet op de huurtoeslag en enkele andere wetten ter verbetering van de koopkracht en vereenvoudiging van de regeling (Stb. 2024, 426)

Hebben goedgevonden en verstaan:

Enig artikel

De artikelen I, III en VI van de Wet van 18 december 2024 tot wijziging van de Wet verlaging eigen bijdrage huurtoeslag, de Wet op de huurtoeslag en enkele andere wetten ter verbetering van de koopkracht en vereenvoudiging van de regeling (Stb. 2024, 426) treden in werking met ingang van 1 januari 2026.

Wetswijzigingen integreren met je processen? Probeer Way 3 weken gratis.