Part of Smart Yellow Suite

WGK026562
Besluit erkenningen wegverkeer

Updates ontvangen over deze regeling? Log in

Overheid.nl - XML - JSON

Type Algemene Maatregel van Bestuur
Fase Bekendmaking
Ministerie Infrastructuur en Waterstaat
Datum uitgave 3 juli 2024
Datum inwerkingtreding -
Per KB Ja

Opschrift

Besluit van PM datum houdende regels voor het verlenen van erkenningen

Samenvatting

Het Besluit erkenningen is gebaseerd op de Wegenverkeerswet 1994 en bevat de erkenningen die door de RDW aan een bedrijf kunnen worden verleend, waarmee die bedrijven gerechtigd zijn om bepaalde handelingen te verrichten.

Documenten

stb-2025-309 (PDF)

Besluit van 16 oktober 2025, houdende regels voor erkenningen voor specifieke handelingen als bedoeld in artikel 4aud, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (Besluit erkenningen wegverkeer) [KetenID WGK 026562]

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 28 april 2025, nr. IenW/BSK-2025/87465, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken;

Gelet op de artikelen 4aud, eerste, tweede en vijfde lid, 4aue, eerste en derde lid, 37, derde lid, 40, tweede lid, 48, zesde lid, 50, eerste lid, onder b, tweede en vierde lid, 51a, eerste en tweede lid, 52b, 70b, eerste en derde lid, 70n, eerste lid, 73, tweede lid, onder b, 81, eerste lid, 99, derde lid, 159, onder b, 169a, tweede lid, en artikel 174d, vierde lid, van de Wegenverkeerswet 1994, artikel 26, vierde lid, van de Archiefwet en artikel 38 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 18 juni 2025, nr. W17.25.00103/IV);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 6 oktober 2025, nr. IenW/BSK-2025/249805, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 1. Definities

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Artikel 2. Erkenning bedrijfsvoorraad

De Dienst Wegverkeer kan aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon een erkenning verlenen waardoor deze gerechtigd is voertuigen in diens bedrijfsvoorraad of importeursvoorraad te hebben die bestemd zijn voor verkoop, verhuur, lease of demontage en:

Artikel 3. Erkenning tenaamstellen voertuigen voor derden

Artikel 4. Erkenning tenaamstellen voertuigen bedrijfsvoorraad of importeursvoorraad

Artikel 5. Erkenning inschrijven zonder onderzoek

De Dienst Wegverkeer kan aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon een erkenning verlenen waardoor deze gerechtigd is bij deze dienst een versnelde inschrijving van een voertuig in het kentekenregister aan te vragen zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door de Dienst Wegverkeer en zonder afzonderlijke controle op de afdracht van de ter zake van het voertuig verschuldigde belastingen en rechten door de Dienst Wegverkeer.

Artikel 6. Erkenning inschrijven met onderzoek

De Dienst Wegverkeer kan aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon een erkenning verlenen waardoor deze gerechtigd is bij deze dienst een versnelde inschrijving van een voertuig in het kentekenregister aan te vragen met afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door de Dienst Wegverkeer en met afzonderlijke controle op de afdracht van de ter zake van het voertuig verschuldigde belastingen en rechten door de Dienst Wegverkeer.

Artikel 7. Erkenning handelaarskenteken

De Dienst Wegverkeer kan aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon een erkenning verlenen waardoor deze gerechtigd is bij deze dienst een of meer handelaarskentekens aan te vragen en te gebruiken in het kader van:

Artikel 8. Erkenning demontage

Artikel 9. Erkenning export

De Dienst Wegverkeer kan aan een natuurlijke persoon of een rechtspersoon een erkenning verlenen waardoor deze gerechtigd is aan de Dienst Wegverkeer te melden dat een voertuig dat in het kentekenregister is geregistreerd, voorgoed buiten Nederland wordt gebracht.

Artikel 10. Erkenning foliefabrikant

Artikel 11. Erkenning lamineerder

Artikel 12. Erkenning kentekenplaatfabrikant

Artikel 13. Register voor vastleggen gegevens door erkenninghouder lamineerder en erkenninghouder kentekenplaatfabrikant

Artikel 14. Erkenning APK

Artikel 15. Erkenning wijziging goedkeuring voertuigen

De Dienst Wegverkeer kan aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon een erkenning verlenen waardoor deze kan waarborgen dat een aangebrachte wijziging in de bouw of inrichting van een voertuig voldoet aan de daarvoor gestelde eisen, bedoeld in artikel 99, derde lid, van de wet.

Artikel 16. Erkenning gasinstallaties

Artikel 17. Erkenning voorbehoud en verplichtingen

Artikel 18. Erkenning tachografen

De erkenning, bedoeld in artikel 9.1, eerste lid, van de Arbeidstijdenwet geldt mede als een erkenning op grond artikel 4aud, eerste lid, van de wet.

Artikel 19. Dienstenpassen

Artikel 20. Eisen en voorwaarden aan de erkenning voor een specifieke handeling of een bevoegdheid

Artikel 21. Last onder bestuursdwang

Artikel 22. Bestuurlijke boete

Artikel 23. Hoogte bestuurlijke boete

De bestuurlijke boete voor een overtreding van artikel 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 14, 15, 16 of 17 of de voorwaarden, bedoeld in artikel 174d, tweede lid, van de wet bedraagt ten hoogste het bedrag, bedoeld in artikel 174d, vierde lid, van de wet.

Artikel 24 (wijziging Besluit aanwijzing ambtenaren belast met opsporing ex artikel 159 Wegenverkeerswet 1994)

Artikel 2, tweede lid, van het Besluit van 7 april 1995, houdende aanwijzing ambtenaren belast met opsporing als bedoeld in artikel 159, onderdeel c, Wegenverkeerswet 1994 (Stb. 1995, 247) komt te luiden:

2.
De bij besluit van de Dienst Wegverkeer aangewezen ambtenaren zijn belast met het opsporen van overtredingen van de artikelen 44 en 45, derde lid, van het Kentekenreglement.

Artikel 25 (wijziging Besluit aanwijzing overheidsorganen waarvan archiefbescheiden dienen te worden bewaard [...] deze overheidsorganen gevestigd zijn of zijn geweest)

In artikel 1, derde lid, onder c, van het Besluit van 1 mei 2001, houdende aanwijzing van overheidsorganen waarvan de archiefbescheiden dienen te worden bewaard in de rijksarchiefbewaarplaats in de hoofdplaats van de provincie, waarin deze overheidsorganen gevestigd zijn of zijn geweest (Stb. 2001, 299) wordt «artikel 78 jo 84 van de Wegenverkeerswet 1994» vervangen door «artikel 78 van de Wegenverkeerswet 1994 in samenhang met artikel 14 van het Besluit erkenningen wegverkeer».

Artikel 26 (wijziging Besluit kennisgevingen aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen)

In artikel 1, onderdeel d, van het Besluit kennisgevingen aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen wordt «artikel 62, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994» vervangen door «artikel 2 van het Besluit erkenningen wegverkeer».

Artikel 27 (wijziging Besluit voertuigen)

Het Besluit voertuigen wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 12 wordt «als bedoeld in artikel 62 van de wet» vervangen door «als bedoeld in artikel 2 van het Besluit erkenningen wegverkeer».

B

In artikel 14, tweede lid, wordt «artikel 84 van de wet» vervangen door «artikel 14, eerste lid, van het Besluit erkenningen wegverkeer».

C

Artikel 23k, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

Artikel 28 (wijziging Kentekenreglement)

Het Kentekenreglement wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

B

In artikel 3 wordt «erkend bedrijf bedrijfsvoorraad of aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon als bedoeld in artikel 42, eerste lid, onderdeel b, kan, als wordt voldaan aan hoofdstuk 5,» wordt vervangen door «erkend bedrijf handelaarskenteken kan».

C

Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:

D

Artikel 6, eerste lid, onder h, komt te luiden:

  1. gegevens omtrent de volgende erkenningen:
    1. erkenning bedrijfsvoorraad;
    2. erkenning demontage;
    3. erkenning export;
    4. erkenning inschrijven zonder onderzoek;
    5. erkenning inschrijven met onderzoek;
    6. erkenning tenaamstellen voertuigen voor derden;
    7. erkenning tenaamstellen voertuigen bedrijfsvoorraad of importeursvoorraad;
    8. erkenning handelaarskenteken;
    9. erkenning voorbehoud en verplichtingen;
E

Artikel 7, eerste lid, onder b, komt te luiden:

  1. een natuurlijk persoon of een rechtspersoon aan wie een erkenning bedrijfsvoorraad, een erkenning demontage, een erkenning export, een erkenning inschrijven zonder onderzoek, een erkenning inschrijven met onderzoek, een erkenning tenaamstellen voertuigen voor derden, een erkenning tenaamstellen voertuigen bedrijfsvoorraad of importeursvoorraad, een erkenning handelaarskenteken of een erkenning voorbehoud en verplichtingen is verleend;
E1

Artikel 13, tweede lid, komt te luiden:

2.
In aanvulling op het eerste lid kunnen aan een erkend bedrijf voorbehoud en verplichtingen gevoelige gegevens, als bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdelen b en c, worden verstrekt die betrekking hebben op voertuigen waarover een aantekening, als bedoeld in artikel 17, eerste lid, onderdelen a en b, van het Besluit erkenningen wegverkeer is opgenomen in het kentekenregister en op de houder van dergelijke voertuigen.
F

In artikel 19, tweede lid, wordt «erkend bedrijf tenaamstelling» vervangen door «erkend bedrijf tenaamstellen voertuigen voor derden of een erkend bedrijf tenaamstellen voertuigen bedrijfsvoorraad of importeursvoorraad».

G

Artikel 21 wordt als volgt gewijzigd:

2.
Als de aanvraag om een eerste inschrijving wordt gedaan door een erkend bedrijf bedrijfsvoorraad, een erkend bedrijf inschrijven zonder onderzoek of een erkend bedrijf inschrijven met onderzoek met betrekking tot een nieuw en ongebruikt voertuig, kan de Dienst Wegverkeer op verzoek van het erkende bedrijf overgaan tot inschrijving zonder tenaamstelling.
H

Artikel 23 wordt als volgt gewijzigd:

3.
Met een voertuig zonder tenaamstelling als bedoeld in artikel 21, eerste lid, dat een handelaarskenteken voert dat is opgegeven met toepassing van artikel 3 mag worden gereden.
I

Artikel 25 wordt als volgt gewijzigd:

J

Artikel 25a, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1.
In afwijking van artikel 25, tweede en derde lid, kan het verzoek tot tenaamstelling van een voertuig uit een importeursvoorraad bij het bedrijf worden ingediend dat gebruik maakt van de erkenning tenaamstellen voertuigen bedrijfsvoorraad of importeursvoorraad met toepassing van het tweede tot en met zesde lid van dit artikel.
  1. een ondertekende machtiging welke de bij ministeriële regeling bepaalde gegevens bevat.
7.
Als een rechtspersoon een voertuig leaset, is de erkenninghouder voorbehoud en verplichtingen gemachtigd om namens die rechtspersoon de aanvraag, bedoeld in het derde lid, te doen. In dat geval verstrekt degene die blijkens het handelsregister bevoegd is de rechtspersoon te vertegenwoordigen de gegevens, bedoeld in het derde lid, onderdelen a en b, aan het erkend bedrijf voorbehoud en verplichtingen in plaats van aan het erkend bedrijf tenaamstellen bedrijfsvoorraad of importeursvoorraad.
8.
Als de rechtspersoon die een aanvraag doet, bedoeld in het derde lid, een erkend bedrijf voorbehoud en verplichtingen betreft, verstrekt deze aan het erkend bedrijf tenaamstellen bedrijfsvoorraad of importeursvoorraad, in afwijking van het derde lid, onderdelen a en b, een door de Dienst Wegverkeer vastgesteld machtigingsformulier.
J1

Aan artikel 26 wordt een lid toegevoegd, luidende:

8.
Een erkend bedrijf voorbehoud en verplichtingen kan ten behoeve van de overdracht van een voertuig, waarover een aantekening, als bedoeld in artikel 17, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit erkenningen wegverkeer, is opgenomen in het kentekenregister, een tijdelijk document aanvragen bij de Dienst Wegverkeer ter vervanging van de kentekencard, op een bij ministeriële regeling te bepalen wijze en onder bij die regeling te bepalen voorwaarden.
L

Artikel 27 wordt als volgt gewijzigd:

8.
In afwijking van het tweede en derde lid kan het erkende bedrijf bedrijfsvoorraad bij de Dienst Wegverkeer onder vermelding van het kenteken en de meldcode om opname in de bedrijfsvoorraad verzoeken met betrekking tot een voertuig dat al op naam van het erkende bedrijf staat en in diens bedrijfsvoorraad wordt opgenomen.
9.
Een erkend bedrijf voorbehoud en verplichtingen kan ten behoeve van de overdracht van een voertuig, waarover een aantekening, als bedoeld in artikel 17, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit erkenningen wegverkeer, is opgenomen in het kentekenregister, een tijdelijk document aanvragen bij de Dienst Wegverkeer ter vervanging van de kentekencard, op een bij ministeriële regeling te bepalen wijze en onder bij die regeling te bepalen voorwaarden.
M

In artikel 28, derde lid, wordt «verplichting van het tweede lid» vervangen door «verplichtingen van het eerste en tweede lid».

N

Artikel 28a wordt als volgt gewijzigd:

1.
In geval van overdracht van een voertuig dat ophoudt te behoren tot de bedrijfsvoorraad van een erkend bedrijf bedrijfsvoorraad dat ook gebruik maakt van de erkenning tenaamstellen voertuigen bedrijfsvoorraad of importeursvoorraad kan, in afwijking van artikel 28, een aanvraag om tenaamstelling gericht aan de Dienst Wegverkeer, bij dat bedrijf worden ingediend met toepassing van het tweede tot en met het vijfde lid van dit artikel.
  1. een ondertekende machtiging welke de bij ministeriële regeling bepaalde gegevens bevat.
4.
Het erkende bedrijf overlegt bij de aanvraag de bij ministeriële regeling bepaalde gegevens en bescheiden.
6.
Als een rechtspersoon een voertuig leaset, is het erkende bedrijf voorbehoud en verplichtingen gemachtigd om namens die rechtspersoon de aanvraag, bedoeld in het derde lid, te doen. In dat geval verstrekt degene die blijkens het handelsregister bevoegd is de rechtspersoon te vertegenwoordigen de gegevens, bedoeld in het derde lid, onderdelen a en b, aan het erkende bedrijf voorbehoud en verplichtingen in plaats van aan het erkende bedrijf tenaamstellen bedrijfsvoorraad of importeursvoorraad.
7.
Als de rechtspersoon die een aanvraag doet, bedoeld in het derde lid, een erkend bedrijf voorbehoud en verplichtingen betreft, verstrekt deze aan het erkende bedrijf tenaamstellen bedrijfsvoorraad of importeursvoorraad, in afwijking van het derde lid, onderdelen a en b, een door de Dienst Wegverkeer vastgesteld machtigingsformulier.
O

Artikel 31 komt te luiden:

Artikel 31. Verval tenaamstelling: melding voertuig voorgoed buiten Nederland brengen
1.
Degene die het voertuig voorgoed buiten Nederland brengt, meldt dit bij de Dienst Wegverkeer of een erkend bedrijf export en overlegt de volgende bescheiden:
  1. de kentekencard,
  2. de tenaamstellingscode,
  3. de bij het voertuig behorende kentekenplaten.
2.
Degene die het voertuig voorgoed buiten Nederland brengt, overlegt bij de Dienst Wegverkeer diens bij ministeriële regeling aangewezen legitimatiebewijs.
3.
Als de melding wordt gedaan bij de Dienst Wegverkeer en is voldaan aan de verplichtingen van het eerste lid, verricht deze dienst de volgende handelingen:
  1. controleert het legitimatiebewijs;
  2. laat de tenaamstelling vervallen;
  3. bewerkt de ongeldig geworden kentekencard op een door de Dienst Wegverkeer te bepalen wijze;
  4. geeft de ongeldige kentekencard en het legitimatiebewijs terug aan degene, bedoeld in het eerste lid;
  5. reikt tegen betaling van een door de Dienst Wegverkeer te bepalen tarief ten behoeve van het voorgoed buiten Nederland brengen van het voertuig een kentekenbewijs deel II uit aan degene, bedoeld in het eerste lid;
  6. geeft aan degene die het voertuig voorgoed buiten Nederland brengt een vrijwaringsbewijs af ten behoeve van de laatst tenaamgestelde;
  7. vernietigt de bij het voertuig behorende kentekenplaten.
4.
Als de melding wordt gedaan bij een erkend bedrijf export en is voldaan aan de verplichtingen van het eerste lid, is het derde lid van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat in afwijking van het derde lid, onderdeel b, het erkend bedrijf export het voorgoed buiten Nederland brengen meldt bij de Dienst Wegverkeer en dat in afwijking van het derde lid, onderdeel g, het erkend bedrijf export de kentekenplaten op een bij ministeriële regeling te bepalen wijze doorknipt en op een door de Dienst Wegverkeer te bepalen wijze bewaart.
5.
Het vrijwaringsbewijs, bedoeld in het derde lid, onder f, wordt door degene die het voertuig voorgoed buiten Nederland brengt onmiddellijk overgedragen aan de laatst tenaamgestelde.
P

Artikel 32 komt te luiden:

Artikel 32. Verval van de tenaamstelling: melding voertuig voorgoed buiten Nederland brengen uit bedrijfsvoorraad
1.
In afwijking van artikel 31 geldt in het geval het erkende bedrijf export een melding bij de Dienst Wegverkeer doet van het voorgoed buiten Nederland brengen van een voertuig dat zich in zijn bedrijfsvoorraad bevindt, het tweede tot en met vierde lid.
2.
Degene die het voertuig voorgoed buiten Nederland brengt, overlegt aan het erkende bedrijf export diens bij ministeriële regeling aangewezen legitimatiebewijs.
3.
Het erkende bedrijf export:
  1. controleert het legitimatiebewijs;
  2. meldt de overdracht van het voertuig ten behoeve van het voorgoed buiten Nederland brengen aan de Dienst Wegverkeer;
  3. bewerkt de ongeldig geworden kentekencard op een door de Dienst Wegverkeer te bepalen wijze;
  4. geeft de ongeldige kentekencard en het legitimatiebewijs aan de bedoelde persoon in het tweede lid;
  5. reikt tegen betaling van een door de Dienst Wegverkeer te bepalen tarief ten behoeve van het voorgoed buiten Nederland brengen van het voertuig een kentekenbewijs deel II uit;
  6. houdt het vrijwaringsbewijs onder zich; en
  7. knipt de kentekenplaten op een bij ministeriële regeling te bepalen wijze door en bewaart deze op een door de Dienst Wegverkeer te bepalen wijze.
4.
In geval het erkende bedrijf export zelf degene is die het voertuig voorgoed buiten Nederland brengt, zijn het tweede en het derde lid, onderdelen a en d, niet van toepassing.
Q

Artikel 33 komt te luiden:

Artikel 33. Onterechte melding voorgoed buiten Nederland brengen
1.
Als ten onrechte voor een voertuig is gemeld dat het voertuig voorgoed buiten Nederland is gebracht, dient degene die hiervan op de hoogte is geraakt binnen een door de Dienst Wegverkeer te bepalen termijn een verzoek tot correctie in op een door de Dienst wegverkeer te bepalen wijze.
2.
De Dienst Wegverkeer verwijdert de melding van het voorgoed buiten Nederland brengen naar aanleiding van het verzoek en herstelt met schriftelijke toestemming van de vorige eigenaar of houder van het voertuig de tenaamstelling van het voertuig als naar het oordeel van deze dienst is gebleken dat het voertuig ten onrechte is gemeld.
3.
Als de toestemming, bedoeld in het tweede lid, ontbreekt stelt de belanghebbende, bedoeld in het eerste lid, het voertuig voor onderzoek en tenaamstelling ter beschikking aan de Dienst Wegverkeer.
4.
Als het voertuig na de melding van voorgoed buiten Nederland brengen is ingeschreven of ingeschreven geweest in een ander land, dan wordt het verzoek tot correctie door de Dienst Wegverkeer afgewezen.
R

Na artikel 33 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 33a. Verval van de tenaamstelling: Melding demontage
1.
Degene die een voertuig voor demontage overdraagt aan een erkend bedrijf demontage ten behoeve van demontage, overlegt de kentekencard en de tenaamstellingscode aan dat bedrijf.
2.
Als degene die het voertuig overdraagt niet beschikt over de kentekencard of de tenaamstellingscode, vraagt hij voorafgaand aan de melding onder vermelding van het kenteken en de meldcode een demontagecode aan bij de Dienst Wegverkeer op een door deze dienst vastgestelde wijze.
3.
Als de aanvraag van een demontagecode door het erkende bedrijf wordt gedaan op verzoek van de eigenaar of houder of een daartoe gerechtigde aanbieder van het voertuig, meldt het erkende bedrijf het kenteken en de meldcode alsmede de legitimatiegegevens van deze persoon aan de Dienst Wegverkeer.
4.
Als de aanvraag van een demontagecode wordt gedaan door de houder van een voertuig waarover een aantekening, als bedoeld in artikel 17, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit erkenningen wegverkeer, in het kentekenregister is opgenomen, meldt de Dienst Wegverkeer de aanvraag van de demontagecode aan het erkende bedrijf voorbehoud en verplichtingen dat het betreffende voertuig in eigendom heeft. Het erkende bedrijf kan binnen zeven dagen na ontvangst van de melding de Dienst Wegverkeer verzoeken om een redelijke termijn te stellen waarbinnen de aantekening in stand wordt gehouden, teneinde het voertuig weer onder eigen beheer te nemen. Als het erkende bedrijf na zeven dagen na ontvangst van de melding geen verzoek heeft ingediend, of de door de Dienst Wegverkeer gestelde termijn verstreken is, haalt de Dienst Wegverkeer de aantekening door.
5.
Het erkende bedrijf demontage:
  1. meldt de demontage aan de Dienst Wegverkeer;
  2. verstrekt aan degene die is opgehouden eigenaar of houder van het voertuig te zijn of de aanbieder van het voertuig het vrijwaringsbewijs, en
  3. vernietigt, voor zover aanwezig, de ingenomen kentekenplaten en, voor zover aanwezig, het kentekenbewijs.
Artikel 33b. Onterechte melding demontage
1.
Als het erkende bedrijf demontage ten onrechte een voertuig voor demontage heeft gemeld, dient het binnen een door de Dienst Wegverkeer te bepalen termijn een verzoek tot correctie in op een door de Dienst wegverkeer vastgestelde wijze.
2.
De Dienst Wegverkeer verwijdert de melding van demontage naar aanleiding van het verzoek en herstelt met schriftelijke toestemming van de vorige eigenaar of houder van het voertuig de tenaamstelling van het voertuig als naar het oordeel van deze dienst is gebleken dat het voertuig ten onrechte is gemeld voor demontage.
3.
Als de toestemming van de vorige eigenaar of houder, bedoeld in het tweede lid, ontbreekt en door het erkende bedrijf voor de melding van demontage gebruik is gemaakt van een kentekenbewijs of een kentekencard, wordt het voertuig op naam van het demontagebedrijf tenaamgesteld in het kentekenregister of, als het erkende bedrijf ook gebruik maakt van de erkenning bedrijfsvoorraad, op diens verzoek tegen betaling in diens bedrijfsvoorraad opgenomen.
4.
Als de toestemming van de vorige eigenaar of houder, bedoeld in het tweede lid, ontbreekt en door het erkende bedrijf voor de melding van demontage gebruik is gemaakt van een demontagecode, stelt het erkende bedrijf het voertuig voor onderzoek en tenaamstelling ter beschikking aan de Dienst Wegverkeer.
S

Artikel 36 wordt als volgt gewijzigd:

3.
Wanneer een vervangende kentekencard of tenaamstellingscode wordt aangevraagd voor een voertuig waarover een aantekening, als bedoeld in artikel 17, eerste lid, onder b, van het Besluit erkenningen wegverkeer, in het kentekenregister is opgenomen, verlangt de Dienst Wegverkeer toestemming voor het verzenden van de vervangende kentekencard of tenaamstellingcode van het erkende bedrijf voorbehoud en verplichtingen dat het voertuig in eigendom heeft. In dat geval kan de Dienst Wegverkeer bepalen dat de vervangende kentekencard of de tenaamstellingscode naar het erkende bedrijf of een door deze aangewezen persoon worden gezonden.
S1

Aan artikel 37, tweede lid, wordt toegevoegd:

Bij de aanvraag is artikel 36, derde lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat toestemming door het erkende bedrijf voorbehoud en verplichting niet wordt verlangd als het erkende bedrijf de beslagene is.
T

Artikel 40, onderdeel e, komt te luiden:

  1. een erkend bedrijf export heeft gemeld dat een voertuig voorgoed buiten Nederland is gebracht of een erkend bedrijf demontage heeft gemeld dat een voertuig voorgoed buiten gebruik is gesteld;.
U

Artikel 40b wordt als volgt gewijzigd:

V

In artikel 40e wordt «artikel 46» vervangen door «de erkenning demontage».

W

Het opschrift van hoofdstuk 5 komt te luiden:

X

Artikel 41 komt te luiden:

Artikel 41. Geen opgave kenteken vereist
Het vereiste dat een kenteken voor een bepaald voertuig dient te zijn opgegeven, geldt niet voor een voertuig dat een handelaarskenteken voert als bedoeld in artikel 3 waarvan gebruik wordt gemaaktin het kader van:
  1. het bedrijfsmatig en in opdracht van derden te herstellen, bewerken en reinigen van een voertuig; en
  2. bedrijfsactiviteiten die worden uitgevoerd op grond van een:
    1. erkenning bedrijfsvoorraad;
    2. erkenning inschrijven zonder onderzoek; of
    3. erkenning inschrijven met onderzoek.
Y

Artikel 42 vervalt.

Y1

In artikel 43 wordt «Onverminderd artikel 42 wordt de afgifte van handelaarskentekenbewijzen geweigerd» vervangen door «De afgifte van handelaarskentekenbewijzen wordt geweigerd».

Z

Artikel 44 wordt als volgt gewijzigd:

5.
In het geval van een schorsing of een intrekking voor bepaalde tijd van de erkenning handelaarskenteken mag het handelaarskenteken niet worden gebruikt.
AA

Artikel 45 wordt als volgt gewijzigd:

  1. handelt in strijd met het bepaalde krachtens artikel 37, zevende lid, van de wet, voor zover het betreft nadere regels ter uitvoering van het derde lid van dat artikel.
AB

De artikelen 45a tot en met 49b vervallen.

AB1

In artikel 52, onder a, vervalt «dat behoort bij een ingevolge artikel 42 afgegeven handelaarskentekenbewijs dat voldoet aan hoofdstuk 5 en waarvan gebruik wordt gemaakt overeenkomstig de in dat hoofdstuk bedoelde voorschriften,».

AC

In artikel 53 vervalt «– 49, eerste lid;».

AD

Artikel 58c wordt als volgt gewijzigd:

7.
In afwijking van het eerste, tweede en vierde lid kan het erkende bedrijf bedrijfsvoorraad bij de Dienst Wegverkeer onder vermelding van het kenteken en de meldcode om opname in de bedrijfsvoorraad verzoeken voor zover het een voertuig betreft dat al op naam van het erkende bedrijf staat.
AE

Artikel 58e wordt als volgt gewijzigd:

AF

In artikel 58m, derde lid, wordt «bedrijfsvoorraadpas» vervangen door «dienstenpas».

AG

Artikel 58o wordt als volgt gewijzigd:

AH

Artikel 58r wordt als volgt gewijzigd:

  1. de bij het voertuig behorende kentekenplaten onmiddellijk over te dragen aan degene die eigenaar of houder van het voertuig is geworden.
2.
Degene die eigenaar of houder van het voertuig is geworden, is verplicht binnen een week na ontvangst van deel I B, deel II en de kentekenplaten, deze samen met een bij ministeriële regeling aangewezen legitimatiebewijs bij de Dienst Wegverkeer te overleggen.

Artikel 31. Verval tenaamstelling: melding voertuig voorgoed buiten Nederland brengen

Artikel 32. Verval van de tenaamstelling: melding voertuig voorgoed buiten Nederland brengen uit bedrijfsvoorraad

Artikel 33. Onterechte melding voorgoed buiten Nederland brengen

Artikel 33a. Verval van de tenaamstelling: Melding demontage

Artikel 33b. Onterechte melding demontage

Artikel 41. Geen opgave kenteken vereist

Het vereiste dat een kenteken voor een bepaald voertuig dient te zijn opgegeven, geldt niet voor een voertuig dat een handelaarskenteken voert als bedoeld in artikel 3 waarvan gebruik wordt gemaakt

in het kader van:

Artikel 29. Overgangsrecht verleende erkenningen en bevoegdheden

Artikel 30. Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen te tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Artikel 31. Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit erkenningen wegverkeer.

stb-2026-314 (PDF)

Wet van 14 oktober 2026 tot regels met betrekking tot de terugkeer van vreemdelingen en vreemdelingenbewaring (Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het, mede gelet op richtlijn nr. 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (PbEU L 348/98) wenselijk is een nieuwe regeling te treffen voor het regime en de wijze van tenuitvoerlegging van de vreemdelingenbewaring, rekening houdend met het bijzondere karakter van de vreemdelingenbewaring als dwangmaatregel in het terugkeerproces van vreemdelingen die niet rechtmatig in Nederland verblijven;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Artikel 1

Artikel 2

Vreemdelingenbewaring wordt uitsluitend toegepast met het oog op de doelstellingen van vreemdelingenbewaring, genoemd in de artikelen 59 tot en met 59c van de Vreemdelingenwet 2000, of in het belang van de grensbewaking met inachtneming van de artikelen 6 en 6a van de Vreemdelingenwet 2000.

Artikel 3

Artikel 4

Artikel 5

Artikel 6

De directeur meldt ongeoorloofde afwezigheid en andere bijzondere voorvallen onverwijld aan Onze Minister.

Artikel 7

De directeur verstrekt Onze Minister te allen tijde alle verlangde inlichtingen. Onze Minister kan nadere regels stellen omtrent de inhoud en de wijze van melding.

Artikel 8

Artikel 9

Artikel 10

Artikel 11

Artikel 12

Artikel 13

Artikel 14

Onze Minister kan afdelingen voor bijzondere opvang aanwijzen, bedoeld voor vreemdelingen die bijzondere opvang nodig hebben vanwege hun persoonlijkheid, lichamelijke of geestelijke toestand.

Artikel 15

Artikel 16

Voor de vreemdeling geldt het verblijfsregime, tenzij:

Artikel 17

Artikel 18

Artikel 19

Artikel 20

Artikel 21

Artikel 22

De vreemdeling heeft het recht zich binnen de inrichting vrij te bewegen op de afdeling waar hij is ondergebracht en op andere door de directeur aangewezen plaatsen, met inachtneming van:

Artikel 23

Artikel 24

Artikel 25

Artikel 26

Artikel 27

Artikel 28

De vreemdeling heeft, behoudens de in artikel 57 gestelde beperkingen, het recht brieven en stukken per post te verzenden en te ontvangen. De hieraan verbonden kosten komen, tenzij de directeur anders bepaalt, voor rekening van de vreemdeling.

Artikel 29

Artikel 30

Artikel 31

Bij ministeriële regeling worden nationale en internationale organisaties aangewezen die, gezien hun doelstelling die verband houdt met vreemdelingenbewaring, de inrichting kunnen bezoeken volgens de voorwaarden van artikel 30.

Artikel 32

Artikel 33

Op een relatieafdeling zijn de artikelen 21 tot en met 32 van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat families recht hebben op een afzonderlijke leefruimte die voldoende bescherming van de persoonlijke levenssfeer garandeert.

Artikel 34

Op een afdeling voor bijzondere opvang zijn de artikelen 21 tot en met 32 van overeenkomstige toepassing, tenzij de directeur in verband met de noodzakelijke zorg een op de vreemdeling persoonlijk toegesneden regime bepaalt.

Artikel 35

De directeur draagt er zorg voor dat in de inrichting bijzondere aandacht uitgaat naar kwetsbare groepen.

Artikel 36

Artikel 37

Onverminderd het overigens bij of krachtens deze wet bepaalde, gelden in de gesloten gezinsvoorziening de in dit hoofdstuk opgenomen bijzondere aanvullende regels en afwijkingen.

Artikel 38

De directeur draagt er zorg voor dat in de gesloten gezinsvoorziening het belang van de minderjarige in acht wordt genomen en bij de tenuitvoerlegging van de vreemdelingenbewaring zoveel mogelijk behartigd wordt.

Artikel 39

Bij de uitoefening van zijn bevelsbevoegdheid op grond van artikel 5, derde lid, jegens minderjarigen, betracht de directeur respect voor de uitoefening van het ouderlijk gezag.

Artikel 40

Artikel 41

Artikel 42

Artikel 43

Artikel 44

Artikel 45

Artikel 46

Artikel 47

Artikel 48

Artikel 49

Artikel 50

Artikel 51

Artikel 52

Artikel 53

Artikel 54

Artikel 55

Artikel 56

Artikel 57

De directeur kan brieven en poststukken als bedoeld in artikel 28 doen onderzoeken op de aanwezigheid van voorwerpen of stoffen die een gevaar kunnen opleveren voor de orde en veiligheid van de inrichting. Hij is bevoegd dergelijke voorwerpen of stoffen, tegen afgifte van een bewijs van ontvangst, onder zich te nemen en te houden gedurende het verblijf van de vreemdeling in de inrichting.

Artikel 58

Artikel 59

Artikel 60

Onze Minister kan nadere regels stellen omtrent de wijze waarop het vervoer van de vreemdeling plaatsvindt.

Artikel 61

In geval een vreemdeling de inrichting op grond van artikel 59 verlaat kunnen jegens hem de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 44 en 46, worden uitgeoefend door de ambtenaren van de inrichting belast met het vervoer, dan wel door de ambtenaren van Onze Minister.

Artikel 62

Artikel 63

Artikel 64

Artikel 65

Artikel 66

Artikel 67

Artikel 68

Artikel 69

Artikel 70

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de aanleg van bewaringsdossiers. In elk geval betreffen deze de aard van de daarin vervatte informatie, het recht op inzage of afschrift van het dossier door de betrokken vreemdeling en de beperkingen daarop en de termijn gedurende welke alsmede de wijze waarop het dossier bewaard blijft.

Artikel 71

De directeur draagt zorg voor een regelmatig overleg met vreemdelingen over zaken die rechtstreeks de vreemdelingenbewaring raken.

Artikel 72

Artikel 73

Artikel 74

In afwijking van titel 9.1 van de Algemene wet bestuursrecht heeft een vreemdeling het recht bij de commissie van toezicht beklag te doen over de omstandigheden van de vreemdelingenbewaring in de inrichting voor zover het de tenuitvoerlegging van het bij of krachtens deze wet gestelde betreft.

Artikel 75

Artikel 76

Artikel 77

Artikel 78

Artikel 79

Artikel 80

Artikel 81

Artikel 82

Artikel 83

Artikel 84

Artikel 85

Artikel 86

Artikel 87

Artikel 88

Tegen de uitspraak van de beklagcommissie van de commissie van toezicht voor het vervoer, bedoeld in artikel 83, kunnen Onze Minister en de vreemdeling beroep instellen bij de beroepskamer tenuitvoerlegging vreemdelingenbewaring. De artikelen 85 tot en met 87 zijn van toepassing, met uitzondering van artikel 86, tweede lid, en met dien verstande dat onder «de directeur» in artikel 85 steeds wordt verstaan: Onze Minister.

Artikel 89

Een vreemdeling kan een beroepschrift indienen tegen het medisch handelen van de aan de inrichting verbonden arts of diens vervanger, bedoeld in artikel 25. Met de inrichtingsarts wordt in dit hoofdstuk gelijkgesteld de verpleegkundige dan wel andere hulpverleners die door de inrichtingsarts bij de zorg aan vreemdelingen zijn betrokken.

Artikel 90

Artikel 91

Artikel 92

Artikel 93

Artikel 94

Artikel 95

Artikel 96

Artikel 97

In de artikelen 1, onderdeel q, en 8, eerste lid, onderdeel c, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen wordt «vreemdelingenbewaring» telkens vervangen door: vreemdelingenbewaring als bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring.

Artikel 98

In de artikelen 1, onderdeel t, en 9, tweede lid, onderdeel d, van de Penitentiaire beginselenwet wordt «vreemdelingenbewaring» telkens vervangen door: vreemdelingenbewaring als bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring.

Artikel 99

De Vreemdelingenwet 2000 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

2.
Een wijziging van artikel 2, onder e, of 21 van de Opvangrichtlijn gaat voor de toepassing van de definities in het eerste lid gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijziging uitvoering moet zijn gegeven.
B

Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:

4.
De artikelen 58, tweede en derde lid, en 58a zijn van overeenkomstige toepassing
5.
Onze Minister kan de maatregel, bedoeld in het eerste en tweede lid, opleggen aan de vreemdeling wiens aanvraag als bedoeld in artikel 28 is afgewezen, indien:
  1. er een risico op onttrekking bestaat, of
  2. de vreemdeling de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert.
C

Artikel 46, eerste lid, onderdeel c, komt te luiden:

  1. de directeur van een inrichting voor vreemdelingenbewaring waar de vreemdeling verblijft op grond van artikel 6 of 6a;.
D

Artikel 50 wordt als volgt gewijzigd:

2.
Een persoon mag worden overgebracht naar een plaats bestemd voor verhoor en vervolgens aldaar worden opgehouden, indien:
  1. de identiteit van een persoon niet onmiddellijk kan worden vastgesteld; of
  2. de identiteit onmiddellijk kan worden vastgesteld en blijkt dat de persoon geen rechtmatig verblijf heeft, dan wel rechtmatig verblijf niet onmiddellijk blijkt.
3.
De ophouding, bedoeld in het tweede lid, duurt ten hoogste negen uur en is gericht op identiteitsvaststelling, het bepalen van de verblijfsrechtelijke status van betrokkene en de afweging om al dan niet vreemdelingenbewaring als bedoeld in artikel 59 toe te passen. De tijd tussen middennacht en negen uur voormiddags wordt hierbij niet meegerekend.
4.
Indien nog grond bestaat voor het vermoeden dat de opgehouden persoon geen rechtmatig verblijf heeft, kan de in het derde lid bedoelde termijn door de Commandant der Koninklijke marechaussee respectievelijk de korpschef in het belang van het onderzoek met ten hoogste vierentwintig uur worden verlengd.
5.
De in het eerste lid bedoelde ambtenaren zijn bevoegd de opgehouden persoon aan diens kleding of lichaam te onderzoeken, alsmede zaken van deze persoon te doorzoeken.
6.
De in het eerste lid bedoelde ambtenaren hebben de bevoegdheden, bedoeld in het vijfde lid, eveneens ten aanzien van een in vreemdelingenbewaring gestelde vreemdeling, voor zover dit noodzakelijk is voor het verkrijgen van informatie omtrent de identiteit, de nationaliteit en de verblijfsrechtelijke positie van de desbetreffende vreemdeling.
E

Artikel 52, tweede lid, tweede volzin, komt als volgt te luiden:

In geval van terugkeer kan het reis- of identiteitspapier worden overgedragen aan de gezagvoerder van de vlucht waarmee de vreemdeling vertrekt naar het land waar de toelating gewaarborgd is.
F

De titel van hoofdstuk 5 komt als volgt te luiden:

G

Na de titel van hoofdstuk 5 wordt het volgende opschrift ingevoegd:

H

De artikelen 56 en 57 komen als volgt te luiden:

Artikel 56
1.
Met het oog op de voorbereiding van het vertrek, de uitzetting of de overdracht kan Onze Minister de volgende vrijheidsbeperkende maatregelen treffen ten aanzien van de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft en de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, onderdelen f tot en met k en m:
  1. het opleggen van een gebiedsgebod;
  2. het opleggen van een gebiedsgebod in combinatie met een meldplicht, onder het gelijktijdig aanbieden van onderdak.
2.
Toepassing van het eerste lid blijft achterwege wanneer en wordt beëindigd zodra de vreemdeling te kennen geeft Nederland te willen verlaten en hiertoe voor hem ook de gelegenheid bestaat.
3.
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de voorwaarden voor toepassing van het eerste lid, alsmede over de duur en de omstandigheden van de vrijheidsbeperking op grond van het eerste lid.
Artikel 57
1.
Met het oog op de voorbereiding van het vertrek, de uitzetting of de overdracht kan Onze Minister zekerheid verlangen van de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft en de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, onderdelen f tot en met k en m.
2.
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de voorwaarden voor toepassing van het eerste lid.
I

Na artikel 57 worden de volgende opschriften ingevoegd:

J

Artikel 58 komt als volgt te luiden:

Artikel 58
1.
Een vreemdeling kan door Onze Minister, met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze afdeling, in vreemdelingenbewaring worden gesteld. Dit is alleen mogelijk als uiterste middel indien minder dwingende maatregelen niet doeltreffend kunnen worden toegepast.
2.
Inbewaringstelling van een vreemdeling blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.
3.
Als de omstandigheden die aanleiding waren voor de inbewaringstelling van een vreemdeling zich niet meer voordoen, wordt de maatregel onmiddellijk beëindigd.
K

Na artikel 58 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 58a
1.
Indien uit het dossier of anderszins blijkt dat sprake is van een vreemdeling die in een bijzondere of kwetsbare positie verkeert of indien de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat hij in een bijzondere of kwetsbare positie verkeert, laat Onze Minister uit het besluit tot inbewaringstelling blijken op welke wijze deze omstandigheden bij de besluitvorming zijn betrokken.
2.
Inbewaringstelling van een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid blijft achterwege, indien inbewaringstelling in verband met zijn bijzondere of kwetsbare positie onredelijk bezwarend zou zijn.
L

Na artikel 58a wordt het volgende opschrift ingevoegd:

M

De artikelen 59 en 59a komen als volgt te luiden:

Artikel 59
1.
De vreemdeling die niet rechtmatig in Nederland verblijft, kan door Onze Minister met het oog op de uitzetting in vreemdelingenbewaring worden gesteld, indien:
  1. er een risico op onttrekking bestaat, of
  2. de vreemdeling de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert.
2.
De vreemdelingenbewaring duurt zo kort mogelijk, maar in ieder geval niet langer dan zes maanden.
3.
In afwijking van het tweede lid, kan de vreemdelingenbewaring ten hoogste met nog eens twaalf maanden worden verlengd, indien de uitzetting, alle redelijke inspanningen ten spijt, wellicht meer tijd zal vergen, op grond dat de vreemdeling niet meewerkt aan zijn uitzetting of de daartoe benodigde documentatie uit derde landen nog ontbreekt.
Artikel 59a
De vreemdeling op wie de Dublinverordening van toepassing is, kan door Onze Minister met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in vreemdelingenbewaring worden gesteld met inachtneming van artikel 28 van de Dublinverordening.
N

In artikel 59b wordt «bewaring» telkens vervangen door: vreemdelingenbewaring.

O

De artikelen 59c en 60 komen als volgt te luiden:

Artikel 59c
1.
De vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onderdeel f, g of h, niet zijnde een vreemdeling als bedoeld in artikel 59a of 59b, eerste lid, kan door Onze Minister met het oog op de uitzetting in vreemdelingenbewaring worden gesteld, indien:
  1. er een risico op onttrekking bestaat, of
  2. de vreemdeling de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert.
2.
De vreemdelingenbewaring krachtens het eerste lid duurt in geen geval langer dan vier weken.
Artikel 60
Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de criteria voor inbewaringstelling op grond van de artikelen 59, eerste lid, 59a, 59b, eerste lid, en 59c, eerste lid.
P

Artikel 61 wordt als volgt gewijzigd:

2.
De ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen kunnen van de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft en die niet binnen de bij deze wet gestelde termijn Nederland uit eigen beweging heeft verlaten, medewerking vorderen aan het vertrek uit Nederland. Zo nodig oefenen de ambtenaren, bedoeld in artikel 47, eerste lid, onder c, deze bevoegdheid uit met behulp van de sterke arm.
Q

Artikel 63, eerste lid, komt te luiden:

1.
Onverminderd artikel 61, tweede lid, kan de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft en die niet binnen de bij deze wet gestelde termijn Nederland uit eigen beweging heeft verlaten, worden uitgezet.
R

In artikel 73, vierde lid, wordt «artikel 59, 59a of 59b» vervangen door: artikel 59, 59a, 59b of 59c.

S

In artikel 93, eerste lid, wordt ««een ingevolge hoofdstuk 5 van deze wet genomen maatregel strekkende tot vrijheidsbeperking of vrijheidsontneming»» vervangen door «een ingevolge hoofdstuk 5 van deze wet genomen maatregel».

T

Artikel 94 wordt als volgt gewijzigd:

U

In artikel 108, eerste lid, wordt «57, eerste lid, 58, eerste lid,» vervangen door: 56, eerste lid,.

V

In artikel 109, vierde lid, vervalt «59, derde lid,».

Artikel 56

Artikel 57

Artikel 58

Artikel 58a

Artikel 59

Artikel 59a

De vreemdeling op wie de Dublinverordening van toepassing is, kan door Onze Minister met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in vreemdelingenbewaring worden gesteld met inachtneming van artikel 28 van de Dublinverordening.

Artikel 59c

Artikel 60

Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de criteria voor inbewaringstelling op grond van de artikelen 59, eerste lid, 59a, 59b, eerste lid, en 59c, eerste lid.

Artikel 100

Aan artikel 43, tweede lid, van de Wet op de rechtsbijstand wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel h door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

Artikel 101

Onze Minister zendt binnen vier jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.

Artikel 102

Artikel 103

Artikel 104

Een besluit van Onze Minister dat is afgegeven voor de inwerkingtreding van deze wet tot plaatsing of onderbrenging van een vreemdeling als bedoeld in hoofdstuk 3, blijft van kracht na de inwerkingtreding van deze wet.

Artikel 105

Artikel 106

Artikel 107

Het Reglement regime grenslogies wordt ingetrokken.

Artikel 108

De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Artikel 109

Deze wet wordt aangehaald als: Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring.

Wetswijzigingen integreren met je processen? Probeer Way 3 weken gratis.