Part of Smart Yellow Suite

WGK026199
Wijziging Besluit elektronische publicaties ivm overgangsrecht Omgevingswet (TAM)

Updates ontvangen over deze regeling? Log in

Overheid.nl - XML - JSON

Type Algemene Maatregel van Bestuur
Fase Bekendmaking
Ministerie Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
Datum uitgave 16 september 2024
Datum inwerkingtreding -
Per KB Nee

Samenvatting

Het doel is om het Bep aan te passen, zodat het mogelijk wordt om bij Koninklijk Besluit (hierna: KB) de termijn voor het bestaan van de TAM met een jaar te verlengen. Op die manier blijft de inzet van de TAM voorlopig nog één jaar, maar wordt het mogelijk toch dat jaar te verlengen. Bij het eventueel verlengen van de TAM zal ook onderscheid gemaakt worden tussen de diverse TAM’s.

Documenten

stb-2024-422 (PDF)

Besluit van 9 december 2024 tot wijziging van het Besluit elektronische publicaties in verband met verlenging van het overgangsrecht voor tijdelijke alternatieve maatregelen in relatie tot de Omgevingswet

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 2 oktober 2024, nr. 2024-0000777348;

Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;

Gelet op de artikelen 16, eerste en tweede lid, en 19, eerste en tweede lid, van de Bekendmakingswet;

Gelet op artikel 16.139, eerste lid, van de Omgevingswet;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 16 oktober 2024, nr. W04.24.00273/I);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 5 december 2024, nr. 2024-0000874867;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Besluit elektronische publicaties wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 3.5, tweede lid, vervalt «daaromtrent».

B

Artikel 11.1 komt te luiden:

Artikel 11.1. Tijdelijke voorziening omgevingsbesluiten
1.
Van 1 januari 2024 tot 1 januari 2025 kan een bestuursorgaan in plaats van de krachtens artikel 3.8 aangewezen technische standaarden toepassing geven aan een technische standaard als bedoeld in de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012, zoals deze gold onmiddellijk voor 1 januari 2024.
2.
In afwijking van het eerste lid, geldt de uitzondering, bedoeld in het eerste lid, tot 1 januari 2026 voor besluiten op grond van de artikelen 2.4, 2.6, 2.33, 4.14 en 16.21 van de Omgevingswet, en voor besluiten genomen door gedeputeerde staten op grond van 5.44 van de Omgevingswet.
3.
Als voor het einde van de termijn, bedoeld in het eerste of tweede lid, een ontwerpbesluit ter inzage is gelegd, kan een bestuursorgaan bij de publicatie van het besluit in plaats van de krachtens artikel 3.8 aangewezen technische standaarden toepassing geven aan een technische standaard als bedoeld in de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012, zoals deze gold onmiddellijk voor 1 januari 2024.
4.
Totdat een besluit, gepubliceerd met toepassing van de uitzonderingen, bedoeld in het eerste, tweede of derde lid, onherroepelijk is geworden, kan dit besluit worden gewijzigd met toepassing van een technische standaard als bedoeld in de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012, zoals deze gold onmiddellijk voor 1 januari 2024, in plaats van de krachtens artikel 3.8 aangewezen technische standaarden.
5.
Als een bestuursorgaan toepassing geeft aan het eerste, tweede, derde of vierde lid, zijn de artikelen 5.5a, 10.3c en 10.7a van het Omgevingsbesluit niet van toepassing.
6.
Op de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening, zoals dat luidde onmiddellijk voor 1 januari 2024, blijft het recht van overeenkomstige toepassing zoals dat gold onmiddellijk voor 1 januari 2024, voor zover dat nodig is voor het beschikbaar stellen van de ontwerpbesluiten en besluiten met gebruik van een technische standaard als bedoeld in de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012.
7.
Artikel 5.1, eerste lid, is niet van toepassing op:
  1. besluiten, gepubliceerd met toepassing van de uitzonderingen bedoeld in het eerste, tweede, derde of vierde lid, en
  2. algemeen verbindende voorschriften, beleidsregels en andere besluiten die niet tot een of meer belanghebbenden zijn gericht:
    1. waarvan de grondslag is opgenomen in de Omgevingswet; en
    2. die zijn gepubliceerd voor 1 januari 2024.
8.
Dit artikel vervalt met ingang van het tijdstip, bepaald in het koninklijk besluit, bedoeld in artikel 22.6, derde lid, van de Omgevingswet.

Artikel 11.1. Tijdelijke voorziening omgevingsbesluiten

ARTIKEL II

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2025.

stb-2025-422 (PDF)

Wet van 4 december 2025 tot wijziging van de Pensioenwet, de Wet op de loonbelasting 1964 en enige andere wetten in verband met de verlenging van de transitieperiode naar het nieuwe pensioenstelsel [KetenID WGK025571]

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is de verschillende data voor de transitieperiode van de Wet toekomst pensioenen naar een algemene maatregel van bestuur te verplaatsen, om deze periode een jaar te verlengen en deze data zo nodig in de toekomst makkelijker te kunnen wijzigen;

Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Pensioenwet wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 150f wordt als volgt gewijzigd:

4.
De voordracht voor een krachtens het eerste lid, onderdeel b, vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
B

Artikel 150n wordt als volgt gewijzigd:

11.
De voordracht voor een krachtens het negende lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
C

Artikel 150p wordt als volgt gewijzigd:

2.
In afwijking van het eerste lid kan een pensioenfonds dat op 1 juli van het bij algemene maatregel van bestuur te bepalen jaar geen implementatieplan heeft ingediend bij de toezichthouder, voor dat jaar en de daaropvolgende jaren gedurende de transitieperiode geen overbruggingsplan indienen.
10.
De voordracht voor een krachtens het tweede en derde lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
D

Artikel 150q wordt als volgt gewijzigd:

1.
Een pensioenfonds dat van plan is een overbruggingsplan in te dienen, meldt dit voor 1 april van het betreffende jaar aan de toezichthouder. Deze melding kan achterwege blijven voor zover de toezichthouder in het voorgaande jaar heeft ingestemd met een overbruggingsplan van dat fonds. Een pensioenfonds dat na een of meer jaren overbruggingsplannen te hebben ingediend, in een jaar in plaats van een overbruggingsplan een herstelplan indient bij de toezichthouder, doet dit binnen drie maanden na de bij algemene maatregel van bestuur te bepalen tijdstippen.
2.
Het pensioenfonds dient het overbruggingsplan ter instemming in bij de toezichthouder nadat het pensioenfonds de dekkingsgraad heeft vastgesteld op 31 december van enig jaar. Indien een pensioenfonds voor een jaar een overbruggingsplan indient, terwijl het pensioenfonds in datzelfde jaar al een herstelplan heeft waarmee de toezichthouder heeft ingestemd, vervangt dit overbruggingsplan als het is vastgesteld het herstelplan. De data waarop het pensioenfonds het overbruggingsplan uiterlijk indient, worden bij algemene maatregel van bestuur bepaald.
8.
De voordracht voor een krachtens het eerste, tweede en derde lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
E

Artikel 220e wordt als volgt gewijzigd:

8.
De voordracht voor een krachtens het eerste lid, onderdeel b, en het derde lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
F

Artikel 220g wordt als volgt gewijzigd:

8.
De voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
G

Artikel 220ha wordt als volgt gewijzigd:

4.
De voordracht voor een krachtens het tweede lid, onderdeel b, subonderdeel 2°, vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
H

Artikel 220i wordt als volgt gewijzigd:

4.
De voordracht voor een krachtens het eerste lid, aanhef, vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

ARTIKEL II

In de Wet op de loonbelasting 1964 wordt aan artikel 18a een lid toegevoegd, luidende:

11.
Het tijdstip, genoemd in het zesde lid, kan bij algemene maatregel van bestuur worden vervangen door een ander tijdstip. De voordracht voor een krachtens de eerste zin vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

ARTIKEL III

In artikel 39a van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 wordt «maar uiterlijk 1 januari 2027» vervangen door «maar uiterlijk tot en met een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen tijdstip» en wordt een zin toegevoegd, luidende:

De voordracht voor een krachtens dit artikel vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

ARTIKEL IV

De Wet verplichte beroepspensioenregeling wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 145e wordt als volgt gewijzigd:

4.
De voordracht voor een krachtens het eerste lid, onderdeel b, vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
B

Artikel 145m wordt als volgt gewijzigd:

11.
De voordracht voor een krachtens het negende lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
C

Artikel 145o wordt als volgt gewijzigd:

2.
In afwijking van het eerste lid kan een beroepspensioenfonds dat op 1 juli van het bij algemene maatregel van bestuur te bepalen jaar geen implementatieplan heeft ingediend bij de toezichthouder, voor dat jaar en de daaropvolgende jaren gedurende de transitieperiode geen overbruggingsplan indienen.
10.
De voordracht voor een krachtens het tweede en derde lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
D

Artikel 145p wordt als volgt gewijzigd:

1.
Een beroepspensioenfonds dat van plan is een overbruggingsplan in te dienen, meldt dit voor 1 april van het betreffende jaar aan de toezichthouder. Deze melding kan achterwege blijven voor zover de toezichthouder in het voorgaande jaar heeft ingestemd met een overbruggingsplan van dat fonds. Een beroepspensioenfonds dat na een of meer jaren overbruggingsplannen te hebben ingediend, in een jaar in plaats van een overbruggingsplan een herstelplan indient bij de toezichthouder, doet dit binnen drie maanden na de bij algemene maatregel van bestuur te bepalen tijdstippen.
2.
Het beroepspensioenfonds dient het overbruggingsplan ter instemming in bij de toezichthouder nadat het beroepspensioenfonds de dekkingsgraad heeft vastgesteld op 31 december van enig jaar. Indien een beroepspensioenfonds voor een jaar een overbruggingsplan indient, terwijl het beroepspensioenfonds in datzelfde jaar al een herstelplan heeft waarmee de toezichthouder heeft ingestemd, vervangt dit overbruggingsplan als het is vastgesteld het herstelplan. De data waarop het beroepspensioenfonds het overbruggingsplan uiterlijk indient, worden bij algemene maatregel van bestuur bepaald.
8.
De voordracht voor een krachtens het eerste, tweede en derde lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
E

Artikel 214d wordt als volgt gewijzigd:

8.
De voordracht voor een krachtens het eerste lid, onderdeel b, en het derde lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
F

Artikel 214e wordt als volgt gewijzigd:

8.
De voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
G

Artikel 214fa wordt als volgt gewijzigd:

4.
De voordracht voor een krachtens het tweede lid, onderdeel b, subonderdeel 2°, vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
H

Artikel 214g wordt als volgt gewijzigd:

4.
De voordracht voor een krachtens het eerste lid, aanhef, vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

ARTIKEL V

In artikel XIV, eerste lid, onderdeel c, van de Wet toekomst pensioenen wordt «in het jaar 2038» vervangen door «in het tweede jaar volgend op het einde van de compensatieperiode, bedoeld in artikel 150f, eerste lid, onderdeel b, van de Pensioenwet».

ARTIKEL VI

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Wetswijzigingen integreren met je processen? Probeer Way 3 weken gratis.