Part of Smart Yellow Suite

WGK025427
Wet nadere uitvoering BRRD-implementatie

Updates ontvangen over deze regeling? Log in

Overheid.nl - XML - JSON

Type Wet
Fase Bekendmaking
Ministerie Financiën
Datum uitgave 19 februari 2025
Datum inwerkingtreding -
Per KB Nee

Samenvatting

In Nederland zijn de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen (BRRD I (2014/59) en de richtlijn verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit van banken en beleggingsondernemingen (BRRD II (2019/879) geïmplementeerd in de Wet op het financieel toezicht en onderliggende regelgeving. Deze richtlijnen kennen bevoegdheden toe aan de nationale afwikkelingsautoriteiten en voorzien in afwikkelingsinstrumenten (voor zover daarin niet wordt voorzien door de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme (SRMR (806/2014)). In Nederland is De Nederlandsche Bank (DNB) aangewezen als afwikkelingsautoriteit. Inmiddels is gebleken dat het nodig is om enkele wijzigingen aan te brengen in de regelgeving waarmee de richtlijnen BRRD I en II zijn omgezet in Nederlands recht en deze regelgeving op punten aan te vullen. Daarmee wordt ervoor gezorgd dat DNB beter uitvoering kan geven aan haar taak als afwikkelingsautoriteit.

Documenten

stb-2026-60 (PDF)

Wet van 11 maart 2026 tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht, de Faillissementswet en de Bankwet 1998 in verband met aanpassingen van het crisisraamwerk voor banken en beleggingsondernemingen ter aanvulling op de implementatie van Richtlijn 2014/59/EU en Richtlijn (EU) 2019/879 betreffende het kader voor herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen (Wet nadere uitvoering BRRD-implementatie)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is nadere uitvoering te geven aan de wetgeving waarmee Richtlijn 2014/59/EU en Richtlijn (EU) 2019/879 geïmplementeerd zijn teneinde de praktische uitvoering van de afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen te verbeteren;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Wet op het financieel toezicht wordt gewijzigd als volgt:

A

In artikel 1:1 worden in de alfabetische volgorde drie definities ingevoegd, luidende:

B

Artikel 1:25d, derde lid, komt te luiden:

3.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de volgende personen, alsmede in voorkomend geval op de bestuurders, werknemers en leden van het toezichthoudend orgaan, van die personen:
  1. een curator als bedoeld in artikel 1:76;
  2. een tijdelijk bewindvoerder als bedoeld in artikel 1:76a of een bijzondere bewindvoerder als bedoeld in artikel 1:76aa;
  3. het Depositogarantiefonds, genoemd in artikel 3:259a;
  4. een overbruggingsinstelling als bedoeld in artikelen 3A:37 en 3A:112;
  5. een rechtspersoon als bedoeld in artikelen 3A:38 en 3A:113;
  6. een entiteit voor activa- en passivabeheer als bedoeld in artikelen 3A:41 en 3A:117;
  7. een bijzonder bestuurder als bedoeld in artikelen 3A:49 en 3A:120;
  8. een stichting administratiekantoor afwikkeling als bedoeld in artikel 3A:50a;
  9. het Afwikkelingsfonds, genoemd in artikel 3A:68.
C

In artikel 1:47, tweede lid, onderdeel a, wordt «bijzondere bewindvoerder» vervangen door «tijdelijk bewindvoerder».

D

Artikel 1:75 wordt gewijzigd als volgt:

E

Artikel 1:75a komt te luiden:

Artikel 1:75a Vroegtijdige interventiemaatregelen
1.
De toezichthouder of, al naar gelang de bevoegdheidsverdeling op grond van de artikelen 4 en 6 van de verordening bankentoezicht de Europese Centrale Bank, kan bij overtreding door een bank of beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3A:2, of overeenkomstig artikel 30 van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen door een EU-moederonderneming, van voorschriften gesteld bij of krachtens:
  1. de artikelen 2:11, 2:15, 2:20, 2:25, 2:26, 2:96, 2:108, 2:110, 2:112, 2:114;
  2. het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen, het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen of de verordening kapitaalvereisten; of
  3. de artikelen 3 tot en met 7, 14 tot en met 17 en 24, 25 en 26 van de verordening markten voor financiële instrumenten;
de volgende maatregelen treffen ten aanzien van die bank of beleggingsonderneming:
  1. vereisen dat een of meer van de in het in artikel 3:17, tweede lid, onderdeel c, onder 4°, bedoelde herstelplan vastgelegde regelingen of maatregelen worden uitgevoerd, of dat het herstelplan bijgewerkt wordt omdat de omstandigheden anders zijn dan bij vaststelling van het herstelplan, waarna regelingen of maatregelen uit het bijgewerkte herstelplan worden uitgevoerd;
  2. voorschrijven dat de overtreding onderzocht wordt, maatregelen worden aangegeven om de overtreding te stoppen, een actieprogramma wordt opgesteld inclusief een tijdspad voor de tenuitvoerlegging van het actieprogramma;
  3. voorschrijven dat bepaalde besluiten ter goedkeuring aan de algemene vergadering worden voorgelegd, of, indien daaraan niet binnen de gestelde termijn wordt voldaan, deze zelf daartoe bijeenroepen;
  4. vereisen dat een of meer leden van het bestuur, de raad van commissarissen of van het hoger management uit hun functie worden ontheven of worden vervangen indien deze personen op grond van artikel 3:8, 3:9, 3:15, 3:21 of 4:9.0a voor de uitvoering van hun taken ongeschikt worden geacht;
  5. voorschrijven dat een onderneming een plan opstelt voor het voeren van onderhandelingen met enkele of alle schuldeisers over de herstructurering van de schulden, al naar gelang van toepassing overeenkomstig het herstelplan;
  6. vereisen dat de bedrijfsstrategie van de onderneming wordt aangepast;
  7. vereisen dat de juridische of operationele structuur van de onderneming wordt gewijzigd; of
  8. vereisen dat alle informatie aangeleverd wordt, onder meer via inspecties ter plaatse, die noodzakelijk is om het afwikkelingsplan bij te werken en om de mogelijke afwikkeling van de onderneming en de waardering van de activa en passiva van de onderneming op grond van artikel 3A:17, vijfde lid, 3A:18, vierde lid, onderscheidenlijk artikel 20 van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, voor te bereiden.
2.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien de overtreding in de nabije toekomst is wegens een snel verslechterende financiële toestand van de onderneming, te beoordelen met inachtneming van de voorwaarden, bedoeld in artikel 27 van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen.
3.
De Nederlandsche Bank kan, met inachtneming van artikel 1:89 en de voorwaarden in artikel 39, tweede lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen voorschrijven dat een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3A:2, onderdeel b, die niet valt onder de werking van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, indien er sprake is van een situatie bedoeld in het eerste of tweede lid, contact opneemt met potentiële verkrijgers om de afwikkeling voor te bereiden.
4.
Indien er sprake is van een significante verslechtering van de financiële positie van een bank of beleggingsonderneming, bij ernstige overtredingen van wetten, reglementen of van de statuten van de bank of beleggingsonderneming of ernstige administratieve onregelmatigheden, en de maatregelen uit het eerste lid de verslechtering niet kunnen keren, kan de Nederlandsche Bank de afzetting van het volledige hoger management, het bestuur of de raad van commissarissen van de bank of beleggingsonderneming, dan wel van individuele leden daarvan eisen.
5.
Voor elke maatregel, bedoeld in het eerste lid, stelt de Nederlandsche Bank een gepaste termijn vast waarbinnen de maatregel voltooid moet zijn.
F

Artikel 1:76a komt te luiden:

Artikel 1:76a
1.
De toezichthouder of, al naar gelang de bevoegdheidsverdeling op grond van de artikelen 4 en 6 van de verordening bankentoezicht, de Europese Centrale Bank kan bij een bank of beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3A:2, of overeenkomstig artikel 30 van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen bij een EU-moederonderneming een of meer tijdelijk bewindvoerders benoemen om het bestuur van de onderneming of leden daarvan tijdelijk te vervangen, dan wel tijdelijk met het bestuur van de onderneming samen te werken, indien zij van oordeel is dat de maatregel bedoeld in artikel 1:75a, vierde lid, niet volstaat. De tijdelijk bewindvoerder beschikt over de vereiste kwalificaties, vaardigheden en kennis om zijn of haar functies uit te oefenen.
2.
Bij het besluit tot benoeming van een tijdelijk bewindvoerder wordt, met inachtneming van artikel 29, tweede, derde en vijfde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, bepaald welke rol, taken en bevoegdheden aan de tijdelijk bewindvoerder worden toegekend en aan welke regels aangaande het raadplegen van de tijdelijk bewindvoerder of het verkrijgen van diens goedkeuring het bestuur van de instelling zich dient te houden alvorens bepaalde besluiten of maatregelen te nemen.
3.
De toezichthouder, onderscheidenlijk de Europese Centrale Bank, kan de tijdelijk bewindvoerder op elk moment uit zijn functie ontheffen of de aanstellingsvoorwaarden bedoeld in het tweede lid wijzigen met inachtneming van artikel 29 van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen.
4.
De toezichthouder, onderscheidenlijk de Europese Centrale Bank, maakt het besluit tot benoeming van een tijdelijk bewindvoerder openbaar.
5.
De toezichthouder, onderscheidenlijk de Europese Centrale Bank, benoemt de tijdelijk bewindvoerder voor ten hoogste een jaar. De termijn kan in uitzonderlijke situaties verlengd worden indien de voorwaarden voor het aanstellen van de tijdelijk bewindvoerder nog steeds gelden.
6.
Artikel 1:76, zesde en zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
G

Artikel 1:76b wordt gewijzigd als volgt:

5.
Het eerste tot en met vierde lid is van overeenkomstige toepassing op een besluit tot toepassing van een crisispreventiemaatregel als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel 101, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen door een toezichthoudende instantie van een lidstaat.
H

In artikel 3:265e wordt telkens «gegarandeerde deposito’s» vervangen door «gedekte deposito’s».

I

Artikel 3A:1 wordt gewijzigd als volgt:

1.
In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
J

In artikel 3A:2, onderdeel g, wordt «bedoeld in artikel 28, tweede lid, van de richtlijn kapitaalvereisten» vervangen door «bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen».

K

In de artikelen 3A:3 tot en met 3A:7, 3A:20, 3A:21, 3A:28 tot en met 3A:30, 3A:32, 3A:34 en 3A:34a, 3A:37, 3A:38a, 3A:41, 3A:42a, 3A:44, 3A:51, 3A:54, 3A:58, 3A:61 en 3A:62 wordt telkens «activa of passiva» vervangen door «activa, rechten of passiva».

L

Artikel 3A:5 wordt gewijzigd als volgt:

M

Artikel 3A:6 wordt gewijzigd als volgt:

N

Aan afdeling 3A.1.1 worden drie artikelen toegevoegd, luidende:

Artikel 3A:8a. Uitzondering op consolidatie
Afdeling 13 van titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk wetboek is niet van toepassing op de volgende rechtspersonen:
  1. een overbruggingsinstelling als bedoeld in artikel 3A:37, voor zover deze overbruggingsinstelling houder is van eigendomsinstrumenten in een andere overbruggingsinstelling of de entiteit in afwikkeling;
  2. een rechtspersoon als bedoeld in artikel 3A:42, die tot taak heeft de eigendom in een entiteit voor activa- en passivabeheer als bedoeld in artikel 3A:41 te houden;
  3. een bijzonder bestuurder als bedoeld in artikel 3A:49 voor zover deze zeggenschap uitoefent over een entiteit in afwikkeling, overbruggingsinstelling of een entiteit voor activa- en passivabeheer;
  4. een stichting administratiekantoor afwikkeling als bedoeld in artikel 3A:50a.
Artikel 3A:8b. Uitsluiting contractuele voorwaarden
1.
Artikel 1:76b is van overeenkomstige toepassing op een besluit ingevolge de artikelen 3A:11 of 3A:11a, de afdelingen 3A.1.3, 3A.1.4 en 3A.1.5, de artikelen 16, 18 en 21 van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, een besluit van een afwikkelingsautoriteit van een andere lidstaat tot toepassing van een crisisbeheersingsmaatregel of crisispreventiemaatregel als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen 101 en 102, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen of een afwikkelingsmaatregel van een staat die geen lidstaat is, dat erkend is ingevolge artikel 3A:5, of een gebeurtenis die daarmee rechtstreeks verband houdt.
2.
De uitoefening van een bevoegdheid op grond van dit hoofdstuk of de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, een besluit van een afwikkelingautoriteit van een andere lidstaat of van een staat die geen lidstaat is dat is erkend ingevolge artikel 3A:5, of een gebeurtenis die daarmee rechtstreeks verband houdt, met betrekking tot een bank die een gedekte obligatie heeft uitgegeven, leidt niet tot wijziging van de rechten van de houder van een gedekte obligatie jegens een derde in verband met die gedekte obligatie.
Artikel 3A:8c. Beding in overeenkomst erkenning door partijen van bevoegdheden
1.
Een entiteit als bedoeld in artikel 3A:2, onderdelen a tot en met f, neemt in iedere door haar gesloten financiële overeenkomst waarop het recht van een staat die geen lidstaat is van toepassing is, een bepaling op waarbij de partijen erkennen dat de financiële overeenkomst onderworpen kan zijn aan de uitoefening van bevoegdheden door de afwikkelingsautoriteit met het oog op het opschorten of beperken van rechten en verplichtingen uit hoofde van de artikelen 3A:20b, 3A:20e en 3A:52 tot en met 3A:55, en ermee instemmen dat artikel 1:76b in samenhang met 3A:8b van toepassing is boven het recht dat van toepassing is op de financiële overeenkomst.
2.
De Nederlandsche Bank kan eisen dat een EU-moederonderneming met zetel in Nederland ervoor zorgt dat een of meer van haar dochterondernemingen met zetel in een staat die geen lidstaat is en die een bank, beleggingsonderneming of financiële instelling zijn of die een beleggingsonderneming zou zijn indien zij hun zetel in Nederland zouden hebben een bepaling opnemen in hun financiële overeenkomsten die uitsluit dat de uitoefening van de bevoegdheden tot opschorting of beperking van rechten en verplichtingen van de EU-moederonderneming op grond van de artikelen 3A:20b, 3A:20e, 3A:52 tot en met 3A:54 een geldige reden vormt voor vroegtijdige beëindiging, opschorting, wijziging, verrekening, uitoefening van rechten op saldering of tenuitvoerlegging van zekerheidsrechten met betrekking tot die overeenkomsten. De EU-moederonderneming behoeft niet aan de eis te voldoen indien zij aantoont dat zij daartoe rechtens of feitelijk niet in staat is.
3.
Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op financiële overeenkomsten die zijn aangegaan voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit artikel, tenzij na de inwerkingtreding van dit artikel daarin een nieuwe verbintenis wordt gecreëerd of een daarin opgenomen verbintenis wezenlijk wordt gewijzigd.
O

Artikel 3A:9 komt te luiden:

Artikel 3A:9. Afwikkelingsplan buiten SRM
1.
De Nederlandsche Bank stelt overeenkomstig artikel 10 van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen een afwikkelingsplan vast dat voldoet aan de vereisten, bedoeld in artikel 10 van die richtlijn, voor een entiteit als bedoeld in artikel 3A:2, onderdeel b.
2.
De Nederlandsche Bank stelt, indien zij de groepsafwikkelingsautoriteit is van een groep die niet valt onder de werking van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, een afwikkelingsplan vast voor de groep, overeenkomstig de procedures en vereisten in de artikelen 12 en 13 van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen.
3.
Het afwikkelingsplan voor een groep als bedoeld in het tweede lid dat is vastgesteld door de groepsafwikkelingsautoriteit in een andere lidstaat, is op de entiteiten van de groep met zetel in Nederland van toepassing, tenzij de Nederlandsche Bank overeenkomstig artikel 13, zesde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, afzonderlijke afwikkelingsplannen opstelt voor deze entiteiten.
4.
De Nederlandsche Bank kan met inachtneming van artikel 4, eerste en tweede lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen besluiten dat het eerste en tweede lid op vereenvoudigde wijze worden toegepast als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van die richtlijn, indien het falen van de entiteit of groep waarschijnlijk niet gepaard zal gaan met significante nadelige gevolgen voor de financiële markten, op andere instellingen, op de financieringsvoorwaarden of op de economie in ruimere zin.
5.
De Nederlandsche Bank kan op grond van artikel 4, achtste en negende lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen besluiten dat vaststelling van een herstel- of afwikkelingsplan niet noodzakelijk is.
6.
Indien er vereenvoudigde verplichtingen worden toegepast kan de Nederlandsche Bank te allen tijde de bevoegdheden bedoeld in artikel 4, derde en vierde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen uitoefenen.
P

Na artikel 3A:9 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3A:9a. Afwikkelingsplan binnen SRM
Indien de Nederlandsche Bank op grond van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme een groepsafwikkelingsplan opstelt voor een EU-moederonderneming strekt dit plan zich ook uit, onder voorbehoud van titel VI van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, tot dochterondernemingen met zetel in een staat die geen lidstaat is.
Q

Artikel 3A:10 komt te luiden:

Artikel 3A:10. Beoordeling afwikkelbaarheid buiten SRM
1.
De Nederlandsche Bank beoordeelt aan de hand van artikel 15, eerste tot en met derde lid, onderscheidenlijk artikel 16 van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen bij het opstellen van een afwikkelingsplan ingevolge artikel 3A:9 de mate waarin de betrokken entiteit of groep afwikkelbaar is. De Nederlandsche Bank neemt hierbij de overwegingen, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van die richtlijn, in aanmerking.
2.
Indien de Nederlandsche Bank op grond van het eerste lid, constateert dat er wezenlijke belemmeringen voor de afwikkelbaarheid van een betrokken entiteit of groep zijn, deelt zij dit mede aan de entiteit.
R

Na artikel 3A:10 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3A:10a. Voorstellen entiteit betreffende afwikkelbaarheid
Indien de betrokken entiteit een mededeling ontvangt als bedoeld in artikel 3A:10, tweede lid, doet die entiteit voorstellen als bedoeld in artikel 17, derde lid, eerste tot en met derde alinea van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen aan de Nederlandsche Bank om de wezenlijke belemmeringen aan te pakken of weg te nemen binnen de in artikel 17, derde lid, van die richtlijn voorgeschreven termijnen.
S

Artikel 3A:11 komt te luiden:

Artikel 3A:11. Maatregelen t.a.v. afwikkelbaarheid buiten SRM
1.
De Nederlandsche Bank stelt op grond van de beoordeling van de afwikkelbaarheid van een entiteit of groep ingevolge artikel 3A:10, en de voorstellen van de entiteit ingevolge artikel 3A:10a, overeenkomstig de procedure in artikel 17, derde lid, vijfde alinea, en zevende lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, vast of de door de entiteit voorgestelde maatregelen de wezenlijke belemmeringen daadwerkelijk aanpakken of wegnemen.
2.
Indien de Nederlandsche Bank op basis van de in het eerste lid bedoelde beoordeling vaststelt dat de door de entiteit voorgestelde maatregelen niet de wezenlijke belemmeringen daadwerkelijk aanpakken of wegnemen, legt zij overeenkomstig artikel 17, vierde en zesde lid van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen en indien van toepassing overeenkomstig artikel 18 van die richtlijn, de maatregelen op als bedoeld in artikel 17, vijfde lid van die richtlijn om deze belemmeringen in voldoende mate te verminderen of weg te nemen.
T

In artikel 3A:13c, tweede lid, wordt «de overeenkomst» vervangen door «de overeenkomst of de in artikel 3A:13a, eerste lid, bedoelde instrumenten», en wordt «legt zij een of meer maatregelen als bedoeld in artikel 10, elfde lid, van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme zodanig op dat de belemmering voor de afwikkelbaarheid wordt weggenomen» vervangen door «past zij de in artikel 10 van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, onderscheidenlijk de artikelen 3A:10 en 3A:10a bedoelde bevoegdheden zodanig toe dat de belemmering voor de afwikkelbaarheid wordt weggenomen».

U

Artikel 3A:13d komt te luiden:

Artikel 3A:13d. Niet-meegerekende verplichtingen
Indien een entiteit moet voldoen aan de verplichting, bedoeld in artikel 3A:13, eerste lid, en voor die passiva in een overeenkomst niet de bepaling, bedoeld in artikel 3A:13, eerste lid, is opgenomen, worden de passiva niet meegerekend voor het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva.
V

Artikel 3A:14 komt te luiden:

3A:14. MREL voor entiteiten buiten SRM
1.
Een entiteit als bedoeld in artikel 3A:2, onderdeel b tot en met f, die niet valt onder de werking van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, voldoet te allen tijde aan een door de Nederlandsche Bank vast te stellen minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva tenzij er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 45 quaterdecies, derde en vierde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen.
2.
De Nederlandsche Bank stelt het minimumvereiste als bedoeld in het eerste lid vast op grond van de artikelen 45 tot en met 45 nonies en 45 quaterdecies, eerste lid en vijfde tot en met achtste lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen.
3.
Ten behoeve van de vaststelling van de minimumvereisten voor het eigen vermogen en de in aanmerking komende passiva rapporteert een in het eerste lid bedoelde entiteit met inachtneming van de ingevolge artikel 45 decies, vijfde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen gestelde regels de informatie, bedoeld in artikel 45 decies, eerste lid, van die richtlijn aan de Nederlandsche Bank.
4.
Een in het eerste lid bedoelde entiteit rapporteert de informatie bedoeld in het derde lid met de frequenties bedoeld in artikel 45 decies, tweede lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen. De Nederlandsche Bank kan verzoeken om frequentere rapportages.
5.
Een in het eerste lid bedoelde entiteit maakt de informatie, bedoeld in artikel 45 decies, derde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, ten minste jaarlijks openbaar met inachtneming van de ingevolge artikel 45 decies, zesde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen gestelde regels en neemt daarbij het zevende lid van dat artikel in acht.
6.
Het derde tot en met vijfde lid zijn niet van toepassing op een liquidatie-entiteit als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel 83 bis bis, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, tenzij de Nederlandsche Bank voor die entiteit het minimumvereisten voor het eigen vermogen en de in aanmerking komende passiva heeft vastgesteld overeenkomstig artikel 45 quater, tweede lid bis, tweede alinea, van die richtlijn. De Nederlandsche Bank bepaalt in dat geval de inhoud en frequentie van de rapportage- en openbaarmakingsverplichting als bedoeld in het vierde en vijfde lid en deelt die mede aan de entiteit.
7.
Indien een entiteit als bedoeld in het eerste lid niet voldoet aan het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva bedoeld in het eerste lid, past de Nederlandsche Bank tenminste een van de maatregelen toe uit de artikelen 1:74, 1:75a, 1:79, 1:80, 3:111a, 3A:11, 3A:11b of 3A:11c ongeacht de vereisten voor toepassing die in die artikelen genoemd zijn.
W

De artikelen 3A:15 tot en met 3A:16a vervallen, onder vernummering van de artikelen 3A:16b en 3A:16c tot 3A:15 en 3A:16.

X

Artikel 3A:17 wordt gewijzigd als volgt:

1.
De Nederlandsche Bank besluit onverwijld tot afschrijving en omzetting van relevante kapitaalinstrumenten en de in het zesde lid bedoelde in aanmerking komende passiva van een entiteit als bedoeld in artikel 3A:2 die niet valt onder de werking van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, indien wordt voldaan aan een van de omstandigheden, bedoeld in artikel 59, derde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, met inachtneming van artikel 59, eerste lid, laatste alinea, eerste lid bis, en vierde tot en met zesde lid, van die richtlijn.
2.
De bevoegdheid om relevante kapitaalinstrumenten en in het zesde lid bedoelde in aanmerking komende passiva af te schrijven of om te zetten kan als volgt worden uitgeoefend:
  1. zonder dat er een afwikkelingsmaatregel genomen wordt; of
  2. onmiddellijk voorafgaand aan of tegelijk met een afwikkelingsmaatregel, indien wordt voldaan aan de voorwaarden voor afwikkeling, bedoeld in artikel 32, 32 bis of 33 van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen en deze afwikkelingsmaatregel tot gevolg zou hebben dat schuldeisers verliezen lijden of dat hun vorderingen zouden worden omgezet.
5.
Ter voorbereiding van een besluit als bedoeld in het eerste lid, wordt een waardering verricht, overeenkomstig artikel 36, eerste tot en met dertiende lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, van de activa en passiva waarop de voorgenomen maatregelen bedoeld in het eerste lid zien.
Y

Artikel 3A:18 wordt gewijzigd als volgt:

1.
De Nederlandsche Bank besluit tot afwikkeling van en het nemen van een afwikkelingsmaatregel voor een entiteit als bedoeld in artikel 3A:2, onderdeel b tot en met f, die niet valt onder de werking van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, indien wordt voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in de artikelen 32, eerste lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen met inachtneming van artikel 31 en 32, eerste lid, derde lid, vierde lid, eerste tot en met derde alinea, en vijfde lid, van die richtlijn.
4.
Ter voorbereiding van een besluit als bedoeld in het eerste lid, wordt een waardering verricht, overeenkomstig artikel 36, eerste tot en met dertiende lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, van de activa en passiva van de entiteit.
Z

Artikel 3A:18a komt te luiden:

Artikel 3A:18a. Afwikkeling centrale kredietinstelling
De Nederlandsche Bank kan besluiten tot afwikkeling en het nemen van een afwikkelingsmaatregel als bedoeld in artikel 32 bis van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen van een centrale kredietinstelling en alle blijvend aangesloten banken die deel uitmaken van dezelfde af te wikkelen groep indien de af te wikkelen groep als geheel voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen.
AA

In artikel 3A:18b wordt «tot afwikkeling van» vervangen door «tot afwikkeling van en het nemen van een afwikkelingsmaatregel voor» en wordt «andere entiteit dan die, genoemd in artikel 7, tweede lid, van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme» vervangen door «een entiteit waartoe zij op grond van artikel 7, derde lid, van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme bevoegd is».

BB

Artikel 3A:19 wordt gewijzigd als volgt:

2.
Ter voorbereiding van een besluit als bedoeld in het eerste lid, wordt een waardering verricht, overeenkomstig artikel 36, eerste tot en met dertiende lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, van de activa en passiva waarop de voorgenomen maatregelen bedoeld in het eerste lid zien.
CC

Artikel 3A:20 wordt gewijzigd als volgt:

1.
Indien de Nederlandsche Bank een afwikkelingsmaatregel neemt, een besluit neemt als bedoeld in artikel 3A:17 of op basis van afdeling 3A.1.4, of een besluit neemt op grond van artikel 21 van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, lijden de houders van kernkapitaalinstrumenten of eigendomsinstrumenten en schuldeisers van de entiteit in afwikkeling, geen grotere verliezen dan zij zouden hebben geleden indien de entiteit onmiddellijk voorafgaand aan dat besluit in een faillissement zou zijn geliquideerd.
DD

Aan artikel 3A:20a wordt een zinsnede toegevoegd, luidende «en de in artikel 21, eerste lid, onderdelen a tot en met d, van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en de in artikel 59, derde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen bedoelde vaststellingen».

EE

Na artikel 3A:20a wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3A:20aa. Melding dat de entiteit faalt of waarschijnlijk zal falen
Het bestuur of de raad van commissarissen van een entiteit als bedoeld in artikel 3A:2, onderdelen a tot en met f, stellen de Nederlandsche Bank, of de Europese Centrale Bank indien dit volgt uit de artikelen 4, 5 en 6 van de verordening bankentoezicht, op de hoogte indien zij van oordeel zijn dat de bewuste entiteit faalt of waarschijnlijk gaat falen als bedoeld in artikel 32, vierde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen met inachtneming van de ingevolge artikel 82, derde lid, van die richtlijn gestelde regels.
FF

In artikel 3A:20c, derde lid, onderdeel b, wordt na «artikel 18, vijfde lid, van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme» ingevoegd «, onderscheidenlijk artikel 32, vijfde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen».

GG

Artikel 3A:20d wordt gewijzigd als volgt:

2.
De Nederlandsche Bank kan de opschorting beperken tot bepaalde betalings- en leveringsverplichtingen, inclusief betalingsverplichtingen voortvloeiend uit in aanmerking komende deposito’s als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel 4, van de richtlijn depositogarantiestelsels.
4.
Indien de Nederlandsche Bank betalingsverplichtingen voortvloeiend uit in aanmerking komende deposito’s als bedoeld in het tweede lid opschort, stelt zij een passend bedrag per dag vast waar depositohouders toegang tot hebben.
HH

Artikel 3A:21 wordt gewijzigd als volgt:

  1. de hoofdsom van de door of met medewerking van een entiteit uitgegeven kernkapitaalinstrumenten of eigendomsinstrumenten verminderen, of deze instrumenten intrekken of doen overgaan op:
    1. houders van de rechten, bedoeld in artikel 3A:21, eerste lid, onderdeel c of d;
    2. houders van de rechten bedoeld in artikel 3A:44, eerste lid waarbij de instemming van de verkrijger ingevolge artikel 3A:6, eerste lid, niet benodigd is; of
    3. de stichting administratiekantoor afwikkeling als bedoeld in artikel 3A:50a;
II

Artikel 3A:22 wordt gewijzigd als volgt:

1.
De Nederlandsche Bank kan voorschrijven dat een entiteit kernkapitaalinstrumenten of eigendomsinstrumenten uitgeeft, of haar medewerking verleent aan de uitgifte daarvan, aan de houders van de rechten, bedoeld in artikel 3A:21, eerste lid, onderdeel c of d.
2.
Teneinde gevolg te geven aan de in het eerste lid bedoelde uitgifte, kan de Nederlandsche Bank voorschrijven dat een entiteit kernkapitaalinstrumenten of eigendomsinstrumenten uitgeeft aan:
  1. een stichting administratiekantoor afwikkeling als bedoeld in artikel 3A: 50a ten behoeve van de houders van rechten bedoeld in artikel 3A:21, eerste lid, onderdeel c of d, en hun rechtsopvolgers; of
  2. een rechtspersoon met als statutaire doelstelling het tegen toekenning van certificaten ten titel van beheer verwerven en administreren van aandelen.
3.
Teneinde gevolg te geven aan de in het tweede lid, onderdeel b, bedoelde uitgifte kan de Nederlandsche Bank de in dat lid bedoelde rechtspersoon instrueren om certificaten van aandelen uit te geven en toe te kennen aan een stichting administratiekantoor afwikkeling als bedoeld in artikel 3A:50a ten behoeve van de houders van rechten bedoeld in artikel 3A:21, eerste lid, onderdeel c of d, en hun rechtsopvolgers.
4.
Bij de uitgifte bedoeld in het eerste tot en met derde lid kunnen geen andere rechten worden uitgeoefend dan die bedoeld in artikel 3A:21, eerste lid, onderdeel c of d.
5.
De voorwaarden, bedoeld in artikel 60, derde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, zijn van toepassing op de uitgifte bedoeld in het eerste lid al dan niet in samenhang met een uitgifte als bedoeld in het tweede of derde lid.
JJ

Artikel 3A:23 wordt gewijzigd als volgt:

1.
De Nederlandsche Bank bepaalt in haar besluiten op grond van artikel 3A:21 of 3A:22 nader:
  1. op welke wijze en onder welke voorwaarden de afschrijving, uitgifte of omzetting plaatsvindt;
  2. de gevolgen van deze besluiten voor zover nodig; of
  3. de nominale waarde van nieuw uit te geven eigendomsinstrumenten of de bestaande eigendomsinstrumenten bij overgang op de houders van de rechten bedoeld in artikel 3A:21, eerste lid, onderdeel c of d.
KK

In artikel 3A:24, onderdeel c, vervalt de zinsnede «nieuw uit te geven».

LL

Artikel 3A:25a wordt gewijzigd als volgt:

1.
De Nederlandsche Bank kan, indien na toepassing van artikel 3A:21 op basis van een voorlopige waardering als bedoeld in artikel 20, tiende lid, van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, onderscheidenlijk artikel 36, negende lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, uit de definitieve waardering, bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, onderscheidenlijk artikel 3A:17, zesde lid, 3A:18, vijfde lid of 3A:19, tweede lid, blijkt dat met een beperktere vermindering van de hoofdsom van een kernkapitaalinstrument, eigendomsinstrument, relevant kapitaalinstrument of een in aanmerking komend passivum als bedoeld in het tweede lid van artikel 3A:21 had kunnen worden volstaan, de hoofdsom verhogen in overeenstemming met de definitieve waardering.
MM

Artikel 3A:26, eerste lid, wordt gewijzigd als volgt:

NN

Aan afdeling 3A.1.4. wordt een artikel toegevoegd, luidende:

Artikel 3A:26a. Van overeenkomstige toepassing van afwikkelingsbevoegdheden
De artikelen 3A:50, eerste lid, 3A:51, derde lid, 3A:58 en 3A:63 zijn van overeenkomstige toepassing op de afschrijving en omzetting als bedoeld in artikel 3A:21.
OO

Artikel 3A:27 komt te luiden:

Artikel 3A:27. Toepassingsbereik
1.
Deze afdeling is van toepassing indien een besluit tot afwikkeling wordt genomen op grond van artikel 16 of 18 van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, onderscheidenlijk de artikelen 3A:18 tot en met 3A:19 in combinatie met een besluit op basis van artikel 21 van die verordening, onderscheidenlijk artikel 3A:17, en de toepassing van artikel 3A:21.
2.
De Nederlandsche Bank kan de afwikkelingsinstrumenten uit deze afdeling individueel of gecombineerd toepassen, tenzij de wet anders bepaalt.
PP

Artikel 3A:28 wordt gewijzigd als volgt:

2.
De Nederlandsche Bank kan, bij toepassing van het eerste lid, meermaals een overgang bewerkstelligen.
3.
Teneinde de overgang in het eerste lid tot stand te brengen kan de Nederlandsche Bank besluiten tot verkoop van de in het eerste lid bedoelde aandelen of andere eigendomsinstrumenten, activa, rechten, of passiva van die instelling die de autoriteit wil overdragen, of treft zij regelingen voor de verkoop ervan. Pools van rechten, activa en passiva kunnen afzonderlijk worden verkocht.
QQ

Artikel 3A:29 wordt gewijzigd als volgt:

RR

In artikel 3A:30 wordt na «artikel 14, onderscheidenlijk artikel 15, eerste lid, van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme» ingevoegd «of artikel 31, onderscheidenlijk artikel 34, eerste lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen».

SS

Artikel 3A:37 wordt gewijzigd als volgt:

2.
Bij toepassing op een entiteit als bedoeld in artikel 3A:2, onderdeel b tot en met f, die niet valt onder de werking van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, is de totale waarde van de aan de overbruggingsinstelling overgedragen passiva niet groter dan de totale waarde van de door de entiteit overgedragen of uit andere bronnen afkomstige rechten en activa.
3.
De Nederlandsche Bank kan, bij toepassing van het eerste lid, meermaals een overgang bewerkstelligen.
TT

In artikel 3A:40 en 3A:40a wordt telkens na «artikel 14 van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme» ingevoegd «, onderscheidenlijk artikel 31 van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen».

UU

Artikel 3A:44 wordt gewijzigd als volgt:

4.
De toepassing van het instrument van bail-in op een entiteit als bedoeld in artikel 3A:2, onderdeel b tot en met f, die niet valt onder de werking van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, geschiedt in overeenstemming met artikel 43, tweede en derde lid, artikel 44, tweede, derde, negende en tiende lid, artikel 46, eerste en tweede lid, en artikel 48 van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen.
VV

Artikel 3A:45 wordt gewijzigd als volgt:

1.
De Nederlandsche Bank kan voorschrijven dat een entiteit kernkapitaalinstrumenten of eigendomsinstrumenten uitgeeft, of haar medewerking verleent aan de uitgifte daarvan, aan de houders van de rechten, bedoeld in artikel 3A:21, eerste lid, onderdeel c of d.
2.
Teneinde gevolg te geven aan de in het eerste lid bedoelde uitgifte, kan de Nederlandsche Bank voorschrijven dat een entiteit kernkapitaalinstrumenten of eigendomsinstrumenten uitgeeft aan:
  1. een stichting administratiekantoor afwikkeling als bedoeld in artikel 3A:50a ten behoeve van de houders van rechten bedoeld in artikel 3A:21, eerste lid, onderdeel c of d, en hun rechtsopvolgers; of
  2. een rechtspersoon met als statutaire doelstelling het tegen toekenning van certificaten ten titel van beheer verwerven en administreren van aandelen.
3.
Teneinde gevolg te geven aan de in het tweede lid, onderdeel b, bedoelde uitgifte kan de Nederlandsche Bank de in dat lid bedoelde rechtspersoon instrueren om certificaten van aandelen uit te geven en toe te kennen aan een stichting administratiekantoor afwikkeling als bedoeld in artikel 3A:50a ten behoeve van de houders van rechten bedoeld in artikel 3A:21, eerste lid, onderdeel c of d, en hun rechtsopvolgers of aan een door de Nederlandsche Bank aan te wijzen persoon.
4.
Bij de uitgifte bedoeld in het eerste tot en met derde lid kunnen geen andere rechten worden uitgeoefend dan die bedoeld in artikel 3A:21, eerste lid, onderdeel c of d.
5.
De voorwaarden, bedoeld in artikel 60, derde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, zijn van toepassing op de uitgifte bedoeld in het eerste lid al dan niet in samenhang met een uitgifte als bedoeld in het tweede of derde lid.
WW

Artikel 3A:47 wordt gewijzigd als volgt:

XX

Artikel 3A:48, eerste lid, komt te luiden:

1.
De Nederlandsche Bank stelt de entiteit in afwikkeling binnen een maand in kennis van de beoordeling van het bedrijfssaneringsplan. Voorzover van toepassing neemt de Nederlandsche Bank artikel 27, zestiende lid, van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme in acht.
YY

Artikel 3A:49 komt te luiden:

Artikel 3A:49. Bijzonder bestuurder en overname zeggenschap
1.
De Nederlandsche Bank kan een bijzonder bestuurder bij een entiteit in afwikkeling aanstellen of de zeggenschap over die entiteit overnemen. De bijzonder bestuurder beschikt over de vereiste kwalificaties, vaardigheden en kennis om zijn of haar functies uit te oefenen.
2.
De Nederlandsche Bank maakt de benoeming van een bijzonder bestuurder openbaar. De Nederlandsche Bank benoemt een bijzonder bestuurder voor ten hoogste een jaar. De termijn kan bij wijze van uitzondering worden verlengd als de Nederlandsche Bank van oordeel is dat nog steeds aan de voorwaarden voor de aanstelling van een bijzonder bestuurder wordt voldaan. De Nederlandsche Bank kan de bijzonder bestuurder op elk moment uit zijn of haar functie ontheffen.
3.
De bijzonder bestuurder treedt in de rechten en bevoegdheden van de organen van de entiteit in afwikkeling, haar aandeelhouders, haar certificaathouders, of haar leden.
4.
De bijzonder bestuurder neemt alle noodzakelijke maatregelen om de in artikel 31 van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen genoemde afwikkelingsdoelstellingen te bewerkstelligen en afwikkelingsmaatregelen uit te voeren overeenkomstig het besluit van de Nederlandsche Bank. Het verwezenlijken van de voornoemde afwikkelingsdoelstellingen en het uitvoeren van besluiten van de Nederlandsche Bank gaat boven elke andere bestuurstaak op grond van de wet of de statuten van de entiteit in afwikkeling ingeval deze niet consistent zijn.
5.
De bijzonder bestuurder oefent de rechten en bevoegdheden uit onder toezicht van de Nederlandsche Bank. De Nederlandsche Bank kan grenzen stellen aan het optreden van de bijzonder bestuurder of eisen dat voor bepaalde handelingen van de bijzonder bestuurder voorafgaande toestemming van de Nederlandsche Bank vereist is. Indien van toepassing stelt de Nederlandsche Bank de bevoegdheidsverdeling tussen de bijzonder bestuurder en de organen van de entiteit in afwikkeling vast.
6.
Na de benoeming van een bijzonder bestuurder:
  1. verlenen de organen en de vertegenwoordigers van de entiteit in afwikkeling de bijzonder bestuurder alle medewerking;
  2. is voor schade ten gevolge van handelingen, die zijn verricht in strijd met de aanstelling van de bijzonder bestuurder of de besluiten van de bijzonder bestuurder die daarmee verband houden, elke persoon die deel uitmaakt van het orgaan van de entiteit dat deze handelingen verrichtte, hoofdelijk aansprakelijk tegenover de entiteit in afwikkeling, tenzij het verrichten van deze handelingen niet aan hem is te verwijten en hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden;
  3. zijn de handelingen, bedoeld in onderdeel b, voorzover deze rechtshandelingen zijn, vernietigbaar, indien de wederpartij wist of behoorde te weten dat de handeling is verricht in strijd met de aanstelling van de bijzonder bestuurder of de besluiten van de bijzonder bestuurder die daarmee verband houden.
7.
De bijzonder bestuurder stelt in elk geval aan het begin en einde van zijn benoemingstermijn een verslag op over de economische en financiële positie van de entiteit in afwikkeling en over de handelingen die hij bij de uitoefening van zijn taken heeft verricht. De Nederlandsche Bank stelt vast met welke frequentie de bijzonder bestuurder tijdens zijn aanstelling verslag doet.
8.
Tegen een besluit van een bijzonder bestuurder kan administratief beroep worden ingesteld bij de Nederlandsche Bank.
9.
Het tweede lid, eerste zin, derde en zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing op overname van de zeggenschap door de Nederlandsche Bank als bedoeld in het eerste lid.
ZZ

In artikel 3A:49a wordt «de natuurlijke personen die binnen een instelling uitvoerende functies vervullen en die aan het leidinggevend orgaan verantwoording en rekenschap moeten afleggen voor het dagelijks bestuur» vervangen door «het hoger management».

AAA

Na artikel 3A:50 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3A:50a. Stichting administratiekantoor afwikkeling
1.
De Nederlandsche Bank kan, indien dit bijdraagt aan de uitvoering van de bevoegdheid tot afschrijving of omzetting, bedoeld in artikel 3A:21, eerste lid, of de toepassing van het instrument van bail-in, bedoeld in artikel 3A:44, een stichting administratiekantoor afwikkeling oprichten.
2.
De Nederlandsche Bank kan de stichting een aanwijzing geven met betrekking tot de taakuitoefening.
3.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de oprichting en beëindiging, de taak, de financiering, de inrichting, het bestuur en de werkwijze van een stichting administratiekantoor afwikkeling.
4.
Een stichting administratiekantoor afwikkeling kan in bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen eigendomsinstrumenten verkopen en gelden consigneren waarop rechthebbenden geen aanspraak hebben gemaakt.
BBB

In artikel 3A:51, tweede lid, wordt «activa» vervangen door «passiva».

CCC

Artikel 3A:52 wordt gewijzigd als volgt:

5.
De Nederlandsche Bank kan de opschorting beperken tot bepaalde betalings- en leveringsverplichtingen, inclusief betalingsverplichtingen voortvloeiend uit in aanmerking komende deposito’s als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel 4, van de richtlijn depositogarantiestelsels.
7.
Indien de Nederlandsche Bank betalingsverplichtingen voortvloeiend uit in aanmerking komende deposito’s als bedoeld in het vijfde lid opschort, stelt zij een passend bedrag per dag vast waar depositohouders toegang tot hebben.
DDD

In artikel 3A:56, eerste lid, wordt «een afwikkelingsmaatregel doeltreffend is» vervangen door «zowel een afwikkelingsmaatregel als de bevoegdheden van artikel 21 van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, onderscheidenlijk artikel 3A:17, in samenhang met artikel 3A:21 uitgeoefend onmiddellijk voorafgaand of tegelijk met een afwikkelingsmaatregel doeltreffend zijn».

EEE

Aan paragraaf 3A.1.5.5 wordt een artikel toegevoegd, luidende:

Artikel 3A:56a Verzoek opschorting gerechtelijke procedures
Onverminderd artikel 3A:53, kan de Nederlandsche Bank indien nodig voor de doeltreffendheid van een of meer afwikkelingsmaatregelen een bevoegd gerecht verzoeken elke gerechtelijke maatregel of procedure waaraan een entiteit in afwikkeling onderworpen is, op te schorten gedurende een in het licht van de nagestreefde doelstelling passende termijn.
FFF

In artikel 3A:61, vijfde lid, wordt telkens «gegarandeerde deposito’s» vervangen door «gedekte deposito’s».

GGG

Artikel 3A:63a wordt gewijzigd als volgt:

3.
Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op een liquidatie-entiteit als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel 83 bis bis, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, tenzij de Nederlandsche Bank voor die entiteit het minimumvereisten voor het eigen vermogen en de in aanmerking komende passiva heeft vastgesteld overeenkomstig artikel 45 quater, tweede lid bis, tweede alinea, van die richtlijn. De Nederlandsche Bank bepaalt in dat geval de inhoud en frequentie van de rapportage- en openbaarmakingsverplichting als bedoeld in het eerste en tweede lid en deelt die mede aan de entiteit.
GGGa

In de artikelen 3A:65 en 3A:66 wordt «dit hoofdstuk, met uitzondering van afdeling 3A.1.2, of ingevolge» telkens vervangen door «de afdelingen 3A.1.3, 3A.1.4 en 3A.1.5 of».

HHH

Artikel 3A:70 wordt gewijzigd als volgt:

2.
Toepassing van het eerste lid geschiedt overeenkomstig artikel 44, vierde tot en met achtste lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen.
III

In artikel 3A:77 vervalt de definitie van financiëlezekerheidsovereenkomst tot overdracht.

JJJ

In artikel 4:89a, eerste lid, vervalt de zinsnede «tot overdracht als bedoeld in artikel 51, onderdeel b, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek».

KKK

De bijlagen bij de artikelen 1:79 en 1:80 worden elk als volgt gewijzigd:

3A:14, eerste, derde en vierde lid3A:15, eerste, vierde en vijfde lid3A:16, eerste, derde en vierde lid3A:16b3A:57a«3A:8c»«3A:10a»«3A:14, eerste en derde tot en met vijfde lid»«3A:15»«3A:20aa»«3A:22, derde lid»«3A:23, tweede lid»«3A:49, zesde lid, onderdeel a»

Artikel 1:75a Vroegtijdige interventiemaatregelen

Artikel 1:76a

Artikel 3A:8a. Uitzondering op consolidatie

Afdeling 13 van titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk wetboek is niet van toepassing op de volgende rechtspersonen:

Artikel 3A:8b. Uitsluiting contractuele voorwaarden

Artikel 3A:8c. Beding in overeenkomst erkenning door partijen van bevoegdheden

Artikel 3A:9. Afwikkelingsplan buiten SRM

Artikel 3A:9a. Afwikkelingsplan binnen SRM

Indien de Nederlandsche Bank op grond van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme een groepsafwikkelingsplan opstelt voor een EU-moederonderneming strekt dit plan zich ook uit, onder voorbehoud van titel VI van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, tot dochterondernemingen met zetel in een staat die geen lidstaat is.

Artikel 3A:10. Beoordeling afwikkelbaarheid buiten SRM

Artikel 3A:10a. Voorstellen entiteit betreffende afwikkelbaarheid

Indien de betrokken entiteit een mededeling ontvangt als bedoeld in artikel 3A:10, tweede lid, doet die entiteit voorstellen als bedoeld in artikel 17, derde lid, eerste tot en met derde alinea van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen aan de Nederlandsche Bank om de wezenlijke belemmeringen aan te pakken of weg te nemen binnen de in artikel 17, derde lid, van die richtlijn voorgeschreven termijnen.

Artikel 3A:11. Maatregelen t.a.v. afwikkelbaarheid buiten SRM

Artikel 3A:13d. Niet-meegerekende verplichtingen

Indien een entiteit moet voldoen aan de verplichting, bedoeld in artikel 3A:13, eerste lid, en voor die passiva in een overeenkomst niet de bepaling, bedoeld in artikel 3A:13, eerste lid, is opgenomen, worden de passiva niet meegerekend voor het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva.

3A:14. MREL voor entiteiten buiten SRM

Artikel 3A:18a. Afwikkeling centrale kredietinstelling

De Nederlandsche Bank kan besluiten tot afwikkeling en het nemen van een afwikkelingsmaatregel als bedoeld in artikel 32 bis van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen van een centrale kredietinstelling en alle blijvend aangesloten banken die deel uitmaken van dezelfde af te wikkelen groep indien de af te wikkelen groep als geheel voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen.

Artikel 3A:20aa. Melding dat de entiteit faalt of waarschijnlijk zal falen

Het bestuur of de raad van commissarissen van een entiteit als bedoeld in artikel 3A:2, onderdelen a tot en met f, stellen de Nederlandsche Bank, of de Europese Centrale Bank indien dit volgt uit de artikelen 4, 5 en 6 van de verordening bankentoezicht, op de hoogte indien zij van oordeel zijn dat de bewuste entiteit faalt of waarschijnlijk gaat falen als bedoeld in artikel 32, vierde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen met inachtneming van de ingevolge artikel 82, derde lid, van die richtlijn gestelde regels.

Artikel 3A:26a. Van overeenkomstige toepassing van afwikkelingsbevoegdheden

De artikelen 3A:50, eerste lid, 3A:51, derde lid, 3A:58 en 3A:63 zijn van overeenkomstige toepassing op de afschrijving en omzetting als bedoeld in artikel 3A:21.

Artikel 3A:27. Toepassingsbereik

Artikel 3A:49. Bijzonder bestuurder en overname zeggenschap

Artikel 3A:50a. Stichting administratiekantoor afwikkeling

Artikel 3A:56a Verzoek opschorting gerechtelijke procedures

Onverminderd artikel 3A:53, kan de Nederlandsche Bank indien nodig voor de doeltreffendheid van een of meer afwikkelingsmaatregelen een bevoegd gerecht verzoeken elke gerechtelijke maatregel of procedure waaraan een entiteit in afwikkeling onderworpen is, op te schorten gedurende een in het licht van de nagestreefde doelstelling passende termijn.

ARTIKEL II

De Faillissementswet wordt gewijzigd als volgt:

A

Artikel 212ha, derde en vierde lid, komt te luiden als volgt:

3.
Een bank die een door de Europese Centrale Bank of De Nederlandsche Bank N.V. verleende vergunning heeft kan aangifte doen van haar eigen faillissement. In dat geval stelt de rechtbank De Nederlandsche Bank N.V. en al naar gelang de bevoegdheidsverdeling op grond van de artikelen 4 en 6 van de verordening bankentoezicht, tevens de Europese Centrale Bank, onverwijld in kennis van deze aangifte.
4.
De rechtbank beslist niet op de aangifte, bedoeld in het derde lid, voordat:
  1. De Nederlandsche Bank N.V. de rechtbank in kennis heeft gesteld dat zij of de Afwikkelingsraad, genoemd in artikel 42 van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, al naar gelang welke autoriteit bevoegd is, niet voornemens is een afwikkelingsmaatregel als bedoeld in artikel 3A:1 van de Wet op het financieel toezicht te nemen met betrekking tot de bank; of
  2. een termijn van zeven dagen na dagtekening van de kennisgeving bedoeld in het derde lid is verstreken.
B

In artikel 212hf wordt «artikel 212ha, eerste lid» vervangen door «artikel 18, eerste lid, onderdelen a en b, van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme».

C

In artikel 212ra, eerste lid, onderdeel a, wordt «gegarandeerde deposito’s» vervangen door «gedekte deposito’s».

D

Artikel 212nna vervalt.

E

Afdeling 11AB komt te luiden:

Artikel 212oo

Artikel 212pp

Afdeling 11AA is, met uitzondering van de artikelen 212hb, 212k, 212ra en 212re van overeenkomstige toepassing op een financiële holding, gemengde financiële holding, gemengde holding of financiële instelling als bedoeld in artikel 3A:2, onderdelen c tot en met f, van de Wet op het financieel toezicht, met zetel in Nederland, met dien verstande dat de passages omtrent het hebben van een vergunning niet relevant zijn voor de hiervoor genoemde ondernemingen.

ARTIKEL III

In artikel 17 van de Bankwet 1998 wordt een lid toegevoegd, luidende:

4.
Indien de Bank uit hoofde van de uitvoering van haar wettelijke taken en bevoegdheden zeggenschap verwerft over een entiteit, wordt dit niet beschouwd als overheersende zeggenschap als bedoeld in artikel 406 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

ARTIKEL IV

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

ARTIKEL V

Deze wet wordt aangehaald als: Wet nadere uitvoering BRRD-implementatie.

stb-2026-61 (PDF)

Besluit van 16 maart 2026 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet nadere uitvoering BRRD-implementatie

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 12 maart 2026, 2026-0000046733, directie Financiële Markten;

Gelet op artikel IV van de Wet nadere uitvoering BRRD-implementatie;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Enig artikel

De Wet nadere uitvoering BRRD-implementatie treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.

Wetswijzigingen integreren met je processen? Probeer Way 3 weken gratis.