Part of Smart Yellow Suite

WGK014088
Wet versterking regie volkshuisvesting

Updates ontvangen over deze regeling? Log in

Overheid.nl - XML - JSON

Type Wet
Fase Bekendmaking
Ministerie Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Datum uitgave 20 februari 2023
Datum inwerkingtreding -
Per KB Ja

Opschrift

Wet versterking regie volkshuisvesting

Samenvatting

Dit wetsvoorstel geeft het Rijk, de provincies en gemeenten de wettelijke instrumenten om samen en met regionale afstemming regie te voeren op de volkshuisvesting. Zodat de overheden meer grip hebben op hoeveel, waar en voor wie er wordt gebouwd, dat er sneller gebouwd kan worden en dat kwetsbare mensen met urgentie een woning krijgen.

Documenten

stb-2026-156 (PDF)

Wet van 24 juni 2026 tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht, de Huisvestingswet 2014, de Omgevingswet, de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de Woningwet in verband met de versterking van de regie op de volkshuisvesting en met het oog op enkele andere met de volkshuisvesting samenhangende maatregelen (Wet versterking regie volkshuisvesting)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk om de regie op de volkshuisvesting bij gemeenten, provincies en het Rijk te versterken door het expliciet toepasbaar maken van het instrumentarium van de Omgevingswet voor volkshuisvesting, de introductie van het verplicht volkshuisvestelijk programma en het versnellen van beroepsprocedures bij zwaarwegende maatschappelijke belangen, het verplicht stellen van een urgentieregeling in de huisvestingsverordening voor de evenwichtige verdeling van de woningvoorraad over urgent-woningzoekenden en het aanpassen van woningmarktregio’s voor woningcorporaties en het betrekken van zorgpartijen bij het maken van lokale prestatieafspraken;

Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Algemene wet bestuursrecht wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 8:41, tweede lid, wordt als volgt gewijzigd:

  1. € 500 indien door een natuurlijke persoon beroep is ingesteld tegen een van de volgende besluiten, voor zover dat besluit betrekking heeft op de bouw van een of meer woningen:
    1. een besluit op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit of een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 5.1 van de Omgevingswet;
    2. een projectbesluit of besluit ter uitvoering daarvan als bedoeld in artikel 5.44 van de Omgevingswet; of
    3. een besluit tot vaststelling of wijziging van een omgevingsplan als bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet.
  1. € 1.000 indien anders dan door een natuurlijke persoon beroep is ingesteld tegen een van de volgende besluiten, voor zover dat besluit betrekking heeft op de bouw van een of meer woningen:
    1. een besluit op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit of een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 5.1 van de Omgevingswet;
    2. een projectbesluit of besluit ter uitvoering daarvan als bedoeld in artikel 5.44 van de Omgevingswet; of
    3. een besluit tot vaststelling of wijziging van een omgevingsplan als bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet.
B

Bijlage 2 wordt als volgt gewijzigd:

  1. artikel 2.32, voor zover het betreft de verlening of weigering van een ontheffing van een regel die is gesteld over een programma als bedoeld in afdeling 3.2
  2. de artikelen 2.33, tweede lid, onder e, en 2.34, tweede lid, onder g en h
  1. een besluit dat is aangewezen op grond van artikel 16.87a

ARTIKEL II

De Huisvestingswet 2014 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

4.
De in het eerste lid genoemde bovengrens van het begrip betaalbare koopwoonruimte wordt bij ministeriële regeling met ingang van elk kalenderjaar gewijzigd aan de hand van de consumentenprijsindex.
B

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

2.
De gemeenteraad kan, voor zover dit noodzakelijk is voor het behoud van de leefbaarheid van de woonomgeving, van zijn bevoegdheden op grond van de artikelen 21 tot en met 23c, ook gebruik maken indien daartoe geen noodzaak is vanuit het oogpunt van het bestrijden van onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van schaarste aan woonruimte.
3.
In afwijking van het eerste lid maakt de gemeenteraad gebruik van zijn bevoegdheden op grond van de artikelen 12 en 13, alsmede, voor zover daartoe noodzakelijk, van die op grond van artikel 7, ook indien daartoe geen noodzaak is vanuit het oogpunt van het bestrijden van onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van schaarste aan woonruimte.
C

Aan artikel 3 wordt een lid toegevoegd, luidende:

6.
Gedeputeerde staten wijzen, na overleg met burgemeester en wethouders van de betreffende gemeenten, een woningmarktregio aan waarin de in artikel 12 gegeven bevoegdheid wordt uitgeoefend.
D

Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:

5.
Burgemeester en wethouders onderbouwen in het volkshuisvestingsprogramma de wijze waarop de huisvestingsverordening invulling kan geven aan de woonbehoeften en woonopgaven, bedoeld in het volkshuisvestingsprogramma.
6.
Bij de voorbereiding van de vaststelling van een regeling als bedoeld in artikel 12, eerste lid, stemmen burgemeester en wethouders deze af met burgemeester en wethouders van de overige gemeenten die deel uitmaken van de woningmarktregio als bedoeld in artikel 3, zesde lid, en maken zij in ieder geval afspraken over een verdeling van de woningzoekenden die zijn ingedeeld in de urgentiecategorieën, bedoeld in artikel 12, derde lid en over het percentage van de aangewezen categorieën van woonruimte, bedoeld in artikel 12, eerste lid, waarbij voorrang wordt gegeven aan woningzoekenden als bedoeld in artikel 12, derde lid, bij het verlenen van huisvestingsvergunningen.
7.
Burgemeester en wethouders leggen de gemaakte afspraken, bedoeld in het zesde lid, vast in een voorstel dat zij voorleggen aan de gemeenteraad. De gemeenteraad kan de gemaakte afspraken, bedoeld in de eerste volzin, vastleggen in een regeling als bedoeld in artikel 12, eerste lid.
8.
Indien de gemeenteraden die deel uitmaken van de woningmarktregio waarin de gemeente is gelegen de gemaakte afspraken, bedoeld in het zesde lid, niet vastleggen in een regeling als bedoeld in artikel 12, eerste lid, wordt bij een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen percentage van de aangewezen categorieën van woonruimte, bedoeld in artikel 12, eerste lid, voorrang gegeven aan woningzoekenden als bedoeld in artikel 12, derde lid, bij het verlenen van huisvestingsvergunningen.
E

Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:

2.
Het eerste lid is ten aanzien van het kunnen aanwijzen van voor verkoop bestemde woonruimte alleen van toepassing op:
  1. nieuw te bouwen voor verkoop bestemde betaalbare koopwoonruimte, en
  2. voor verkoop bestemde betaalbare koopwoonruimte na eerste ingebruikname, voor zover daarvoor in een omgevingsplan, een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of een verordening als bedoeld in artikel 8.2.15a van het Invoeringsbesluit Omgevingswet gestelde of anderszins verzekerde instandhoudingstermijn geldt, voor ten hoogste die termijn.
F

Artikel 12 wordt als volgt gewijzigd:

3.
Tot de woningzoekenden, bedoeld in het eerste lid, behoren in ieder geval:
  1. woningzoekenden die mantelzorg als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 verlenen of ontvangen;
  2. woningzoekenden die op grond van ernstige en chronische medische redenen dringend woonruimte behoeven;
  3. woningzoekenden aan wie in ieder geval wegens dakloosheid een voorziening voor opvang als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 is verleend;
  4. woningzoekenden aan wie wegens huiselijk geweld of mensenhandel een voorziening voor opvang als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 is verleend en deze opvang verlaten;
  5. woningzoekenden die een voorziening voor beschermd wonen als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 verlaten;
  6. woningzoekenden die een verblijf in een instelling als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet langdurige zorg verlaten waar zij geneeskundige geestelijke zorg ontvingen of woningzoekenden die in verband met geneeskundige zorg als bedoeld in artikel 10, onderdeel g, van de Zorgverzekeringswet in een instelling verbleven in verband met zorg zoals psychiaters en klinisch-psychologen plegen te bieden en deze verlaten;
  7. woningzoekenden die de leeftijd van achttien jaar doch niet de leeftijd van drieëntwintig jaar hebben bereikt en die een accommodatie of gesloten accommodatie als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet verlaten;
  8. woningzoekenden die een inrichting of voorziening als bedoeld in artikel 3a van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, een penitentiaire inrichting als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet of een instelling voor forensische zorg als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet forensische zorg verlaten;
  9. woningzoekenden die deelnemen aan een overheidsprogramma gericht op duurzaam uitstappen waarbinnen begeleiding van sekswerkers plaatsvindt bij het vinden van werk of dagbesteding buiten de seksbranche; en
  10. woningzoekenden zonder vaste verblijfplaats die deel uitmaken van een gezin met een of meer minderjarige kinderen.
Bij ministeriële regeling worden de voorwaarden gesteld waaraan de woningzoekenden, bedoeld in de eerste volzin, moeten voldoen.
4.
Tot de woningzoekenden, bedoeld in het eerste lid, behoren niet vreemdelingen aan wie een verblijfsvergunning als bedoeld in de Vreemdelingenwet 2000 is verleend.
5.
Burgemeester en wethouders verstrekken jaarlijks aan gedeputeerde staten en aan Onze Minister een overzicht van:
  1. het aantal aanvragen voor indeling in een urgentiecategorie als bedoeld in het eerste lid;
  2. het aantal besluiten met toedeling in een urgentiecategorie als bedoeld in het eerste lid;
  3. het aantal woonruimten dat in gebruik is genomen op grond van een huisvestingsvergunning als bedoeld in het eerste lid; en
  4. de urgentiecategorieën waarvoor een huisvestingsvergunning als bedoeld in het eerste lid is verleend. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat het college voor het overzicht, bedoeld in de eerste volzin, gebruik maakt van een bij ministeriële regeling vastgesteld formulier.
G

Artikel 13 wordt als volgt gewijzigd:

3.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over gronden voor intrekking van de indeling in een urgentiecategorie als bedoeld in artikel 12, derde lid.
4.
Bij ministeriële regeling wordt bepaald wanneer burgemeester en wethouders een aanvraag om een indeling van een woningzoekende in een urgentiecategorie als bedoeld in artikel 12, derde lid, kunnen afwijzen.
5.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de voorschriften die burgemeester en wethouders kunnen verbinden aan een besluit tot indeling van een woningzoekende als bedoeld in artikel 12, derde lid, in een urgentiecategorie of aan een huisvestingsvergunning die wordt verleend op basis dat besluit.
H

Aan artikel 14 wordt een lid toegevoegd, luidende:

6.
In afwijking van het eerste lid, kunnen burgemeester en wethouders bij de verlening van huisvestingsvergunningen aan woningzoekenden als bedoeld in artikel 12, derde lid, uitsluitend voorrang geven als deze woningzoekenden economisch of maatschappelijk gebonden zijn aan de woningmarktregio. Bij ministeriële regeling kan nader worden bepaald wanneer een woningzoekende als bedoeld in artikel 12, derde lid, voor de toepassing van dit lid economische of maatschappelijke binding heeft.
I

In artikel 15 worden, onder vernummering van het derde tot en met zesde lid tot het zesde tot en met negende lid, drie leden ingevoegd, luidende:

3.
Indien de woonruimte is aangewezen op grond van artikel 12, eerste lid, wordt de huisvestingsvergunning niet geweigerd als de woningzoekende op grond van dat artikellid in aanmerking komt voor voorrang en:
  1. de woningzoekende gedurende een bepaalde termijn niet heeft gewoond in een onzelfstandige of zelfstandige woonruimte waar op grond van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder a, van die wet bewoning toegelaten is; of
  2. de woningzoekende geen onzelfstandige of zelfstandige woonruimte achterlaat.
4.
Bij ministeriële regeling kunnen de voorwaarden, bedoeld in het derde lid, nader worden uitgewerkt en kan worden bepaald wanneer de huisvestingsvergunning in elk geval kan worden geweigerd aan een woningzoekende als bedoeld in artikel 12, derde lid, indien de woonruimte is aangewezen op grond van artikel 12, eerste lid.
5.
Indien de woonruimte is aangewezen op grond van artikel 12, eerste lid, wordt de huisvestingsvergunning niet geweigerd op grond van het inkomen als de woningzoekende op grond van artikel 12, derde lid, onderdeel d of i, in aanmerking komt voor voorrang.
J

In artikel 16 wordt de zinsnede «woningzoekenden die verblijven in een voorziening voor tijdelijke opvang van personen die in verband met problemen van relationele aard of geweld hun woonruimte hebben verlaten» vervangen door «woningzoekenden als bedoeld in artikel 12, derde lid, onderdeel a of d».

K

Aan artikel 51 worden drie leden toegevoegd, luidende:

9.
Uiterlijk op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip komen gedeputeerde staten de verplichting na, bedoeld in artikel 3, zesde lid, van deze wet.
10.
Uiterlijk op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip komt de gemeenteraad de verplichting, bedoeld in artikel 12, eerste lid, van deze wet na of zorgt ervoor dat de regeling, bedoeld in artikel 12, eerste lid, van deze wet in overeenstemming is met artikel 12, derde lid, van deze wet.
11.
Uiterlijk op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip geeft de gemeenteraad uitvoering aan artikel 6, zevende lid, van deze wet.

ARTIKEL III

De Omgevingswet wordt als volgt gewijzigd:

A

Aan artikel 2.1 wordt een lid toegevoegd, luidende:

5.
De uitoefening van bevoegdheden door een bestuursorgaan van een gemeente, een provincie of het Rijk, bedoeld in het eerste lid, kan mede betrekking hebben op een evenwichtige samenstelling van de woningvoorraad.
AA

Aan artikel 2.26 wordt een lid toegevoegd, luidende:

4.
Regels op grond van artikel 2.24 worden met het oog op het woningbouwtekort in ieder geval gesteld over het nationaal volkshuisvestingsprogramma, bedoeld in artikel 3.9, vijfde lid. De regels strekken in ieder geval tot het in kaart brengen van bouwlocaties die verhoogde attentie vereisen.
B

Aan artikel 2.33, tweede lid, wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel d door een komma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

  1. het college van burgemeester en wethouders over het volkshuisvestingsprogramma, bedoeld in artikel 3.6, derde lid, als dat nodig is met het oog op een evenwichtige samenstelling van de woningvoorraad.
C

Aan artikel 2.34, tweede lid, worden, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel e door een komma, drie onderdelen ingevoegd, luidende:

  1. gedeputeerde staten over een instructie aan de gemeenteraad over het stellen van regels in een omgevingsplan als bedoeld in artikel 2.33, tweede lid, onder a, als dat nodig is met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties,
  2. gedeputeerde staten over het volkshuisvestingsprogramma, bedoeld in artikel 3.8, vierde lid, als dat nodig is met het oog op een evenwichtige samenstelling van de woningvoorraad,
  3. het college van burgemeester en wethouders over het volkshuisvestingsprogramma, bedoeld in artikel 3.6, derde lid, als dat nodig is met het oog op een evenwichtige samenstelling van de woningvoorraad.
D

Aan artikel 3.6 wordt een lid toegevoegd, luidende:

3.
Het college van burgemeester en wethouders stelt een gemeentelijk volkshuisvestingsprogramma vast.
E

Aan artikel 3.8 wordt een lid toegevoegd, luidende:

4.
Gedeputeerde staten stellen een provinciaal volkshuisvestingsprogramma vast.
F

Aan artikel 3.9 wordt een lid toegevoegd, luidende:

5.
Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening stelt een nationaal volkshuisvestingsprogramma vast.
FA

Aan artikel 5.11, eerste lid, wordt onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel i door een komma een onderdeel toegevoegd, luidende:

  1. bouwactiviteiten als het gaat om gevallen waarbij het college van burgemeester en wethouders niet binnen de in artikel 16.64, eerste lid, bedoelde termijn op de aanvraag heeft beslist.
FB

In artikel 5.12, eerste lid, wordt na «tot en met h» ingevoegd «en j».

FC

Artikel 9.3 vervalt.

FD

Artikel 9.4 wordt als volgt gewijzigd:

1.
Een voorkeursrecht vervalt vijf jaar na het ingaan ervan of, als die termijn met toepassing van het tweede lid is verlengd, aan het einde van de verlengde termijn.
FE

In artikel 15.52, eerste lid, vervalt onderdeel b onder verlettering van onderdeel c tot onderdeel b.

FF

Na artikel 16.7 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 16.7a (bevordering toepassing afdeling 3.5 Algemene wet bestuursrecht)
Onverminderd artikel 16.7 bevordert het bevoegd gezag dat op de voorbereiding van beslissingen op losse aanvragen om een omgevingsvergunning of wijziging van de voorschriften van een omgevingsvergunning die betrekking hebben op een activiteit die behoort tot verschillende gevallen die op grond van artikel 5.1, 5.3 of 5.4 als vergunningplichtig zijn aangewezen waar mogelijk afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht wordt toegepast.
FG

In artikel 16.64 wordt, onder vernummering van het derde en vierde lid tot het vierde en vijfde lid, na het tweede lid een lid ingevoegd, luidende:

3.
Als sprake is van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit die is aangewezen op grond van artikel 5.11, eerste lid, onder j, beslist Onze Minister die het aangaat binnen drie maanden na de dag waarop de in het eerste lid bedoelde termijn is overschreden op de aanvraag.
FH

In artikel 16.64a wordt «artikel 16.64, derde lid» steeds vervangen door «artikel 16.64, vierde lid».

G

Artikel 16.71, derde lid, vervalt.

H

Artikel 16.77b wordt als volgt gewijzigd:

3.
Bij de bekendmaking van een projectbesluit, een besluit tot uitvoering van een projectbesluit of een besluit dat is aangewezen op grond van artikel 16.87a wordt de bijzondere regeling over het aanvoeren van gronden van het beroep, bedoeld in artikel 16.86, vermeld.
HA

Na artikel 16.83 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 16.83a (rechtstreeks beroep bij bestuursrechter)
In gevallen waarin artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is, hoeft, in afwijking van artikel 7:1a, eerste lid, van die wet, in geval van een bezwaar tegen een beslissing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit voor woningbouwprojecten van ten minste een woning het schriftelijk verzoek aan het bestuursorgaan in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter niet in het bezwaarschrift te worden opgenomen.
Artikel 16.83b
In afwijking van artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht kan een gemeente of een bestuursorgaan van een gemeente geen beroep instellen tegen een van de volgende besluiten van een bestuursorgaan van een andere gemeente, voor zover dat besluit betrekking heeft op de bouw van een of meer woningen:
  1. een besluit tot vaststelling of wijziging van een omgevingsplan; of
  2. een besluit op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor:
    1. een omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit; of
    2. een bouwactiviteit.
I

In artikel 16.86, derde lid, wordt «artikel 16.71, derde lid,» vervangen door «artikel 16.77b, derde lid,».

Ia

Na artikel 16.86 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 16.86a (geen tweede zitting)
Onverminderd artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht kan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bij beroepen tegen een beslissing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit voor woningbouwprojecten van ten minste een woning bepalen dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft als het beroep al ter zitting is behandeld.
J

Artikel 16.87 wordt als volgt gewijzigd:

1.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State behandelt beroepen tegen een projectbesluit, tegen een besluit over goedkeuring als bedoeld in artikel 16.72 en tegen een besluit ter uitvoering van een projectbesluit met toepassing van afdeling 8.2.3 van de Algemene wet bestuursrecht.
2.
Als de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State voor beroepen tegen besluiten als bedoeld in het eerste lid advies van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening inwint, brengt die stichting binnen twee maanden na het verzoek advies uit.
6.
Het derde en vijfde lid zijn niet van toepassing als artikel 8:51a of 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht wordt toegepast. In dat geval doet de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
  1. binnen zes maanden na ontvangst van het verweerschrift een tussenuitspraak; en
  2. binnen zes maanden na verzending van de tussenuitspraak een einduitspraak.
7.
Het derde en vijfde lid zijn voorts niet van toepassing als de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State met toepassing van artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie prejudiciële vragen stelt. In dat geval worden de vragen binnen zes maanden na ontvangst van het verweerschrift bij tussenuitspraak gesteld. In de tussenuitspraak beslist de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zoveel mogelijk ook op de beroepsgronden die niet door de vragen worden geraakt.
K

Artikel 16.87a wordt vernummerd tot artikel 16.87c.

L

Na artikel 16.87 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 16.87a (procedurele versnellingen bij bepaalde categorieën projecten)
1.
Op voordracht van Onze Minister die het aangaat, mede namens Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, in overeenstemming met Onze Minister van Justitie en Veiligheid, kunnen bij algemene maatregel van bestuur besluiten voor categorieën projecten die bijdragen aan het nastreven van de doelen, bedoeld in artikel 1.3, aanhef en onder b, waarvan de versnelde uitvoering noodzakelijk is vanwege zwaarwegende maatschappelijke belangen worden aangewezen waarop de artikelen 16.86, eerste en derde lid, en 16.87, eerste tot en met vierde lid, zesde lid en zevende lid, ook van toepassing zijn.
2.
Bij de maatregel wordt in ieder geval bepaald:
  1. gedurende welke termijn de aanwijzing geldt, waarbij geldt dat die termijn ten hoogste tien jaar bedraagt;
  2. hoe de evaluatie en monitoring van de aanwijzing worden uitgevoerd.
3.
Als de evaluatie van de aanwijzing aanleiding geeft tot verlenging daarvan, kan Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, in overeenstemming met Onze Minister van Justitie en Veiligheid, besluiten om de termijn, bedoeld in het tweede lid, onder a, eenmaal met ten hoogste vijf jaar te verlengen.
4.
Als een besluit uit verschillende besluitonderdelen bestaat waarvan alleen een gedeelte als een besluit als bedoeld in het eerste lid is aangewezen, strekt de aanwijzing zich uit over alle besluitonderdelen.
5.
Bij de maatregel worden in ieder geval woningbouwprojecten waarbij ten minste een woning wordt gerealiseerd aangewezen als categorie projecten als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 16.87b (verkorte uitspraak)
Bij beroepen tegen een beslissing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit voor woningbouwprojecten van ten minste een woning kan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zich, als het een hoger beroep betreft en als zij van oordeel is dat een grond van het beroep niet tot vernietiging van het bestreden besluit of een gedeelte van dat besluit kan leiden, bij de vermelding van de gronden van de beslissing beperken tot dit oordeel.
M

Artikel 16.119 vervalt.

Ma

Artikel 20.7 wordt als volgt gewijzigd:

2.
Op grond van artikel 20.6 worden in ieder geval ook regels bij algemene maatregel van bestuur gesteld over het verzamelen van gegevens door Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening ten aanzien van de stand van de woningbouwopgave.
Mb

Na artikel 20.15 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 20.15a (verplichte verslaglegging woningbouwopgave)
Op grond van artikel 20.14, derde lid, onder b, vierde lid en vijfde lid, worden in ieder geval regels gesteld over de verslaglegging, de toezending van verslagen aan andere bestuursorganen en de openbaarmaking van verslagen met betrekking tot de gegevens, bedoeld in artikel 20.7, tweede lid.
N

Aan Hoofdstuk 22 wordt een afdeling toegevoegd, luidende:

Na

Aan artikel 23.3 wordt een lid toegevoegd, luidende:

9.
Bij regeling van Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, in overeenstemming met Onze Minister of Onze Ministers die het mede aangaat, kunnen, op verzoek van de gemeenteraad, het algemeen bestuur van een waterschap of provinciale staten, nieuwe gebieden worden aangewezen in aanvulling op het derde lid, onder g. Het bij de maatregel op grond van het derde lid bepaalde is van overeenkomstige toepassing op de aanwijzing van nieuwe gebieden bij ministeriële regeling.
O

Aan artikel 23.5, tweede lid, wordt na «Als het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur omgevingswaarden» ingevoegd «of een aanwijzing van categorieën projecten op grond van artikel 16.87a» en na «die omgevingswaarden bij wet worden vastgesteld» ingevoegd «of die aanwijzing van categorieën projecten bij wet geschiedt».

Artikel 16.7a (bevordering toepassing afdeling 3.5 Algemene wet bestuursrecht)

Onverminderd artikel 16.7 bevordert het bevoegd gezag dat op de voorbereiding van beslissingen op losse aanvragen om een omgevingsvergunning of wijziging van de voorschriften van een omgevingsvergunning die betrekking hebben op een activiteit die behoort tot verschillende gevallen die op grond van artikel 5.1, 5.3 of 5.4 als vergunningplichtig zijn aangewezen waar mogelijk afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht wordt toegepast.

Artikel 16.83a (rechtstreeks beroep bij bestuursrechter)

In gevallen waarin artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is, hoeft, in afwijking van artikel 7:1a, eerste lid, van die wet, in geval van een bezwaar tegen een beslissing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit voor woningbouwprojecten van ten minste een woning het schriftelijk verzoek aan het bestuursorgaan in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter niet in het bezwaarschrift te worden opgenomen.

Artikel 16.83b

In afwijking van artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht kan een gemeente of een bestuursorgaan van een gemeente geen beroep instellen tegen een van de volgende besluiten van een bestuursorgaan van een andere gemeente, voor zover dat besluit betrekking heeft op de bouw van een of meer woningen:

Artikel 16.86a (geen tweede zitting)

Onverminderd artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht kan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bij beroepen tegen een beslissing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit voor woningbouwprojecten van ten minste een woning bepalen dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft als het beroep al ter zitting is behandeld.

Artikel 16.87a (procedurele versnellingen bij bepaalde categorieën projecten)

Artikel 16.87b (verkorte uitspraak)

Bij beroepen tegen een beslissing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit voor woningbouwprojecten van ten minste een woning kan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zich, als het een hoger beroep betreft en als zij van oordeel is dat een grond van het beroep niet tot vernietiging van het bestreden besluit of een gedeelte van dat besluit kan leiden, bij de vermelding van de gronden van de beslissing beperken tot dit oordeel.

Artikel 20.15a (verplichte verslaglegging woningbouwopgave)

Op grond van artikel 20.14, derde lid, onder b, vierde lid en vijfde lid, worden in ieder geval regels gesteld over de verslaglegging, de toezending van verslagen aan andere bestuursorganen en de openbaarmaking van verslagen met betrekking tot de gegevens, bedoeld in artikel 20.7, tweede lid.

Artikel 22.23 (toepassing procedurele versnellingen bij bepaalde categorieën projecten)

ARTIKEL IV

De Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 2.1.2 wordt als volgt gewijzigd:

  1. de zorg- en ondersteuningsbehoeften van op grond van artikel 62a, eerste lid, van de Woningwet aangewezen aandachtsgroepen en ouderen en het integraal betrekken van dienstverlening voor deze groepen in samenwerking met aanbieders, zorgaanbieders en zorgkantoren als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet langdurige zorg en jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, rekening houdend met het beleid voor de huisvesting van die groepen in het volkshuisvestingsprogramma, bedoeld in artikel 3.6, derde lid, van de Omgevingswet.
7.
Het college kan beleid als bedoeld in het vierde lid, onder h, vaststellen in het gemeentelijke volkshuisvestingsprogramma, bedoeld in artikel 3.6, derde lid, van de Omgevingswet voor zover de zorg- en ondersteuning van de betrokken aandachtsgroepen en ouderen verband houdt met de huisvesting van die groepen. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen aspecten van het beleid voor de zorg- en ondersteuningsbehoeften worden aangewezen die in elk geval in het gemeentelijke volkshuisvestingsprogramma worden opgenomen.
B

Na artikel 2.5.4 wordt een artikel toegevoegd, luidende:

Artikel 2.5.5
1.
Zorgkantoren en zorgaanbieders als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet langdurige zorg verstrekken desgevraagd kosteloos aan het college de gegevens die nodig zijn om de voornemens die voortvloeien uit het onderdeel van het plan, bedoeld in artikel 2.1.2, vierde lid, aanhef en onderdeel h, uit te voeren.
2.
Jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet verstrekken desgevraagd kosteloos aan het college de gegevens die nodig zijn om de voornemens die voortvloeien uit het onderdeel van het plan, bedoeld in artikel 2.1.2, vierde lid, aanhef en onderdeel h, uit te voeren.
C

Na artikel 5.4.1 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 5.4.2
1.
Het college stemt, indien dat voor een doeltreffende en doelmatige uitvoering van de voornemens die voortvloeien uit het onderdeel van het plan, bedoeld in artikel 2.1.2, vierde lid, aanhef en onderdeel h, nodig is, af met andere colleges.
2.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de wijze van de afstemming, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 2.5.5

Artikel 5.4.2

ARTIKEL V

De Woningwet wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

B

Aan artikel 41 wordt een lid toegevoegd, luidende:

7.
Het eerste lid is niet van toepassing op woningen die verplaatsbaar zijn en tijdelijk worden geplaatst op door gemeenten aangewezen locaties.
C

Artikel 41b komt te luiden:

Artikel 41b
1.
In afwijking van artikel 41 kan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat toegelaten instellingen en samenwerkingsvennootschappen feitelijk werkzaam mogen zijn in alle gemeenten van een of meer provincies.
2.
In aanvulling op het eerste lid kan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat een toegelaten instelling kan verzoeken om een ontheffing om in niet meer dan in alle gemeenten van twee of meer provincies werkzaam mag zijn.
D

Artikel 41c wordt als volgt gewijzigd:

E

Artikel 41d komt te vervallen.

F

Artikel 42 wordt als volgt gewijzigd:

G

In artikel 43, eerste volzin, wordt «de woonvisie» vervangen door «het volkshuisvestingsprogramma».

H

Artikel 44 wordt als volgt gewijzigd:

2.
Het college van burgemeester en wethouders nodigt aanbieders, als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, zorgaanbieders als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet langdurige zorg en jeugdhulpaanbieders of gecertificeerde instellingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet uit voor het overleg bedoeld in het eerste lid, voor zover zij, naar het oordeel van het college, nodig zijn om de doelen uit het volkshuisvestingsprogramma te bewerkstelligen.
3.
De toegelaten instelling draagt er zorg voor dat de betrokken colleges van burgemeesters en wethouders en de organisaties en commissies, bedoeld in het eerste lid en de aanbieders, zorgaanbieders, jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen bedoeld in het tweede lid, jaarlijks op 1 juli of een andere met de betrokken colleges van burgemeester en wethouders en de organisaties en commissies overeengekomen datum beschikken over het overzicht, bedoeld in artikel 43, eerste lid.
I

Na artikel 44 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 44bis
1.
Indien het overleg, bedoeld in artikel 44, eerste lid, niet binnen zes maanden na de in artikel 44, derde lid, genoemde datum tot afspraken over de uitvoering van het volkshuisvestingsprogramma of actualisatie daarvan leidt, kunnen het betrokken college van burgemeester en wethouders, de betrokken toegelaten instelling of de in het belang van de huurders van haar woongelegenheden werkzame huurdersorganisaties en bewonerscommissies het geschil dat aan het tot stand komen van die afspraken in de weg staat binnen vier weken nadat schriftelijke mededeling van dat geschil aan de andere partijen is gedaan, schriftelijk en onderbouwd ter behandeling voorleggen aan Onze Minister, die vervolgens een bindende uitspraak doet.
2.
Indien er een geschil ontstaat over de nakoming van afspraken als bedoeld in artikel 44, eerste lid, kunnen het betrokken college van burgemeester en wethouders, de betrokken toegelaten instelling of de in het belang van de huurders van haar woongelegenheden werkzame huurdersorganisaties en bewonerscommissies het geschil binnen vier weken nadat schriftelijke mededeling van dat geschil aan de andere partijen is gedaan, schriftelijk en onderbouwd ter behandeling voorleggen aan Onze Minister, die vervolgens een bindende uitspraak doet.
3.
Onze Minister betrekt bij de behandeling van een geschil, als bedoeld in het eerste en tweede lid het volkshuisvestingsprogramma van de betrokken gemeente, de financiële mogelijkheden van de betrokken toegelaten instelling en de bij of krachtens deze wet gegeven voorschriften, en stelt het betrokken college van burgemeester en wethouders, de betrokken toegelaten instelling en de betrokken organisaties en commissies binnen twaalf weken in kennis van zijn bindende uitspraak over het geschil.
4.
Onze Minister kan de termijn, genoemd in het derde lid, door schriftelijke kennisgeving daarvan aan het betrokken college van burgemeester en wethouders, de betrokken toegelaten instelling en de betrokken organisaties en commissies, telkens verlengen met een door hem daarbij te bepalen termijn van ten hoogste vier weken, van welke verlenging hij kennis geeft voor het verstrijken van de eerstgenoemde dan wel de voor de laatste maal verlengde termijn.
5.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden gegeven omtrent de toepassing van het eerste, tweede en derde lid.
J

Artikel 44b wordt als volgt gewijzigd:

K

In artikel 48, zevende lid, wordt «verhuurd» vervangen door «verhuurt».

L

In artikel 53, vierde lid, onderdeel f, onder 2°, vervalt «, eerste volzin».

M

In artikel 54, eerste lid, wordt «artikel 44, tweede lid» vervangen door «artikel 44, eerste lid».

N

Na artikel 62 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 62a
1.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden ouderen, starters en andere, tot een bij of krachtens die maatregel aangewezen aandachtsgroep behorende, categorieën personen aangewezen van wie de woonbehoefte of huisvesting bijzondere aandacht behoeft.
2.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over het door daarbij aangewezen bestuursorganen verzamelen van gegevens over de woonbehoefte van bij ministeriële regeling aangewezen ouderen, starters en aandachtsgroepen.
O

Artikel 66 komt te luiden:

Artikel 66
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over het door daarbij aangewezen bestuursorganen verstrekken van de op grond van artikel 62a, tweede lid, verzamelde gegevens.
P

Artikel 67 komt te luiden:

Artikel 67
1.
Het college van burgemeester en wethouders stelt beleid voor het voorzien in de woonbehoefte van de ouderen, starters en aandachtsgroepen, bedoeld in artikel 62a, eerste lid, vast in het gemeentelijke volkshuisvestingsprogramma, bedoeld in artikel 3.6, derde lid, van de Omgevingswet.
2.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen aspecten van het beleid worden aangewezen waarvoor het gemeentelijke volkshuisvestingsprogramma in ieder geval beleid bevat.
Q

Artikel 80a wordt als volgt gewijzigd:

1.
Het college van burgemeester en wethouders draagt zorg voor stedelijke vernieuwing, treft maatregelen in het belang daarvan en stelt beleid daarvoor vast in het gemeentelijke volkshuisvestingsprogramma, bedoeld in artikel 3.6, derde lid, van de Omgevingswet.
4.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen aspecten worden aangewezen waarvoor het gemeentelijke volkshuisvestingsprogramma, bedoeld in het eerste lid, in ieder geval beleid bevat.

Artikel 41b

Artikel 44bis

Artikel 62a

Artikel 66

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over het door daarbij aangewezen bestuursorganen verstrekken van de op grond van artikel 62a, tweede lid, verzamelde gegevens.

Artikel 67

ARTIKEL VI

Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening zendt, in overeenstemming met Onze Ministers die het aangaat, binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan beide kamers der Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk waarbij in het bijzonder aandacht wordt besteed aan de doorlooptijd van vergunningsverleningen en de ontwikkelingen van de woningbouwproductie en de woningvoorraad, waaronder de netto-ontwikkeling van het aandeel sociale huurwoningen, middeldure huurwoningen en betaalbare koopwoningen in de woningvoorraad.

ARTIKEL VII

ARTIKEL VIIa

Op het moment van inwerkintreding van artikel II van deze wet wordt «[PM]» vervangen door het op de dag voor de inwerkingtreding van artikel II, onderdeel A, van deze wet in artikel 7, tweede lid, van de Huisvestingswet 2014 genoemde bedrag.

ARTIKEL VIII

Indien artikel II, onderdeel B, van de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie:

ARTIKEL IX

Indien het bij koninklijke boodschap van 30 januari 2023 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en enkele andere wetten met het oog op een integrale en gecoördineerde aanpak bij meervoudige problematiek en de daarvoor benodigde gegevensverwerking (36 295) tot wet is of wordt verheven en artikel I, onderdeel T, van die wet:

Artikel 2.1.9

ARTIKEL X

De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

ARTIKEL XI

Deze wet wordt aangehaald als: Wet versterking regie volkshuisvesting.

stb-2026-157 (PDF)

Besluit van 24 juni 2026 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet versterking regie volkshuisvesting en de Wet van 24 juni 2026 tot wijziging van het voorstel van wet tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht, de Huisvestingswet 2014, de Omgevingswet, de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de Woningwet in verband met de versterking van de regie op de volkshuisvesting en met het oog op enkele andere met de volkshuisvesting samenhangende maatregelen (Wet versterking regie volkshuisvesting) (Stb. 2026, 155)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 23 juni 2026, kenmerk nr. 2026-0000283214;

Gelet op artikel X van Wet versterking regie volkshuisvesting en artikel II van de Wet van 24 juni 2026 tot wijziging van het voorstel van wet tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht, de Huisvestingswet 2014, de Omgevingswet, de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de Woningwet in verband met de versterking van de regie op de volkshuisvesting en met het oog op enkele andere met de volkshuisvesting samenhangende maatregelen (Wet versterking regie volkshuisvesting) (Stb. 2026, 155);

Hebben goedgevonden en verstaan:

Enig artikel

Met ingang van 1 juli 2026 treden in werking, in de hieronder aangegeven volgorde:

Wetswijzigingen integreren met je processen? Probeer Way 3 weken gratis.