Wet van 25 februari 2026 tot vaststelling van Boek 1, Hoofdstuk 10, en de Boeken 7 en 8 van het nieuwe Wetboek van Strafvordering (Tweede vaststellingswet Wetboek van Strafvordering)
Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is Boek 1, Hoofdstuk 10, en de Boeken 7 en 8 van het nieuwe Wetboek van Strafvordering vast te stellen;
Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
ARTIKEL I
Boek 1, Hoofdstuk 10, van het Wetboek van Strafvordering komt te luiden:
Artikel 1.10.1
Artikel 1.10.2
Artikel 1.10.3
Bij de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen wordt rekening gehouden met alle in aanmerking komende belangen, waaronder de veiligheid van de samenleving, de belangen van het slachtoffer en de resocialisatie van de veroordeelde.
Artikel 1.10.4
Artikel 1.10.5
Artikel 1.10.6
Artikel 1.10.7
De tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen die niet plaatsvindt door Onze Minister, vindt plaats door het openbaar ministerie, tenzij uit de wet anders blijkt.
Artikel 1.10.8
Artikel 1.10.9
Op de bevoegdheden die in dit hoofdstuk en in Boek 7 aan het openbaar ministerie zijn toegekend, is artikel 1.3.1 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 1.10.10
Artikel 1.10.11
ARTIKEL II
Boek 7 van het Wetboek van Strafvordering komt te luiden:
Artikel 7.1.1
Artikel 7.1.2
Artikel 7.1.3
Indien Onze Minister van oordeel is dat er reden is voor de uitoefening van een aan het openbaar ministerie toegekende bevoegdheid, kan Onze Minister het openbaar ministerie daarvan in kennis stellen. Het openbaar ministerie stelt Onze Minister in kennis of uitoefening is gegeven aan de bevoegdheid.
Artikel 7.1.4
Artikel 7.1.5
Artikel 7.1.6
Een straf of maatregel wordt niet tenuitvoergelegd na de dood van de veroordeelde, met uitzondering van de ontnemingsmaatregel.
Artikel 7.1.7
Artikel 7.1.8
Artikel 7.1.9
Artikel 7.1.10
Artikel 7.1.11
Een verzoekschrift om gratie heeft geen opschortende werking indien:
Artikel 7.1.12
Artikel 7.1.13
Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over het bepaalde in deze titel. De nadere regels hebben in ieder geval betrekking op het tijdstip van de aanvang van de tenuitvoerlegging, bedoeld in artikel 7.1.10.
Artikel 7.1.14
Artikel 7.1.15
Artikel 7.1.16
Artikel 7.1.17
Artikel 7.1.18
Artikel 7.1.19
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over het bepaalde in deze titel. De nadere regels hebben in ieder geval betrekking op het geven van een opdracht tot tenuitvoerlegging die strekt tot aanhouding.
Artikel 7.1.20
Artikel 7.1.21
Artikel 7.1.22
Artikel 7.1.23
Artikel 7.1.24
Artikel 7.2.1
Artikel 7.2.2
Artikel 7.2.3
Artikel 7.2.4
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over het bepaalde in deze titel. De nadere regels hebben in ieder geval betrekking op het toezicht op de naleving, waaronder de werkzaamheden van de reclasseringsinstellingen.
Artikel 7.2.5
Artikel 7.2.6
Artikel 7.2.7
Artikel 7.2.8
Indien de vordering, bedoeld in artikel 7.2.7, is gebaseerd of mede is gebaseerd op een ernstig vermoeden van schending van de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit, wordt de vordering gevoegd behandeld bij de berechting van dat feit. Artikel 7.2.7, tweede tot en met vierde en zesde lid, is in dat geval niet van toepassing. Toewijzing van de vordering op grond van overtreding van de algemene voorwaarde kan alleen plaatsvinden in geval van een veroordeling wegens het strafbare feit.
Artikel 7.2.9
Artikel 7.3.1
Een vrijheidsstraf gaat in:
Artikel 7.3.2
Artikel 7.3.3
De vrijheidsstraf wordt verminderd met de tijd die door de veroordeelde in het buitenland in verzekering, in voorlopige hechtenis of in detentie is doorgebracht op grond van een Nederlands verzoek om overlevering of uitlevering ten behoeve van de tenuitvoerlegging of verdere tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf.
Artikel 7.3.4
Artikel 7.3.5
Artikel 7.3.6
Artikel 7.3.7
Artikel 7.3.8
Artikel 7.3.9
Artikel 7.3.10
Artikel 7.3.11
Artikel 7.3.12
Artikel 7.3.13
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over het bepaalde in deze titel. De nadere regels hebben in ieder geval betrekking op de totstandkoming van de beslissing over het stellen, wijzigen of opheffen van bijzondere voorwaarden.
Artikel 7.3.14
Artikel 7.3.15
Artikel 7.4.1
Artikel 7.4.2
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over het bepaalde in dit hoofdstuk. De nadere regels hebben in ieder geval betrekking op de procedure van verlenging van de terbeschikkingstelling en op de procedure van de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege.
Artikel 7.4.3
Artikel 7.4.4
Artikel 7.4.5
Artikel 7.4.6
Artikel 7.4.7
Artikel 7.4.8
Artikel 7.4.9
Een terbeschikkingstelling vervalt van rechtswege bij het onherroepelijk worden van:
Artikel 7.4.10
Artikel 7.4.11
Artikel 7.4.12
Artikel 7.4.13
Artikel 7.4.14
Artikel 7.5.1
Artikel 7.5.2
Artikel 7.5.3
Indien de veroordeelde tot een schadevergoedingsmaatregel niet of niet volledig heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling binnen acht maanden na de dag waarop het vonnis of arrest onherroepelijk is geworden, keert de Staat het resterende bedrag van de schadevergoedingsmaatregel uit aan het slachtoffer dat geen rechtspersoon is, of aan de personen genoemd in artikel 1.5.10, tweede lid. De Staat verhaalt het uitgekeerde bedrag en de ingetreden verhogingen op de veroordeelde.
Artikel 7.5.4
Artikel 7.5.5
Artikel 7.5.6
Artikel 7.5.7
Artikel 7.5.8
Artikel 7.5.9
Artikel 7.5.10
Artikel 7.5.11
Op de tenuitvoerlegging van een ontnemingsmaatregel zijn de artikelen 7.5.1, tweede tot en met vierde lid, en 7.5.4 tot en met 7.5.7 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 7.5.12
Artikel 7.5.13
Indien na voldoening aan de termen van de ontnemingsschikking, bedoeld in artikel 4.4.24, blijkt van omstandigheden die de oplegging van een ontnemingsmaatregel zouden hebben uitgesloten, kan de gewezen verdachte de officier van justitie verzoeken om teruggave van betaalde geldbedragen of overgedragen voorwerpen. Artikel 7.5.12, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 7.5.14
Indien na voldoening van een bedrag of na overdracht van voorwerpen als bedoeld in artikel 3.3.1, derde lid, onderdeel c, of artikel 4.4.24 blijkt dat dit een hogere waarde vertegenwoordigt dan de som van het werkelijke voordeel verkregen door middel van of uit de baten van het strafbare feit of soortgelijke feiten, kan de gewezen verdachte of de veroordeelde Onze Minister verzoeken om teruggave van een geldbedrag gelijk aan het verschil. Artikel 7.5.12, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 7.5.15
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over het bepaalde in deze titel.
Artikel 7.5.16
Artikel 7.5.17
Artikel 7.5.18
In geval van een onderzoek naar het vermogen van de veroordeelde kan de officier van justitie vorderen dat de rechter-commissaris een plaats doorzoekt met het oog op het veiligstellen van voorwerpen op de wijze, bedoeld in artikel 7.5.6, derde lid. De rechter-commissaris kan zich daarbij doen vergezellen van bepaalde door hem aangewezen personen.
Artikel 7.5.19
Artikel 7.5.20
Artikel 7.5.21
Artikel 7.5.22
Onze Minister kan een aan een verdachte, gewezen verdachte of veroordeelde uit te keren bedrag verrekenen met verschuldigde geldsommen, tot betaling waarvan de verdachte, gewezen verdachte of veroordeelde is verplicht op grond van een onherroepelijke strafrechtelijke beslissing, een en ander voor zover nog niet voldaan. Onze Minister stelt de verdachte, gewezen verdachte of veroordeelde in kennis van de verrekening.
Artikel 7.5.23
Artikel 7.5.24
Artikel 7.5.25
Ten aanzien van derden die geheel of gedeeltelijk recht menen te hebben op de voorwerpen waarop verhaal wordt genomen op grond van artikel 7.5.5 of artikel 7.5.6, zijn de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing.
Artikel 7.5.26
Artikel 7.5.27
Artikel 7.5.28
Artikel 7.6.1
Artikel 7.6.2
Bij de tenuitvoerlegging van een taakstraf wordt de identiteit van de veroordeelde vastgesteld op de wijze, bedoeld in artikel 1.4.8, eerste en tweede lid. De veroordeelde is verplicht ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking te verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of aan het ter inzage aanbieden van een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.
Artikel 7.6.3
Artikel 7.6.4
Artikel 7.6.5
Artikel 7.6.6
Indien de taakstraf naar het oordeel van Onze Minister naar behoren is verricht, stelt Onze Minister de veroordeelde hiervan zo spoedig mogelijk in kennis.
Artikel 7.6.7
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over het bepaalde in deze titel. De nadere regels hebben in ieder geval betrekking op de inhoud van de taakstraf, de tenuitvoerlegging van de taakstraf en op de rechten en plichten van de tot een taakstraf veroordeelde.
Artikel 7.6.8
Artikel 7.6.9
Artikel 7.6.10
Onze Minister kan de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders te allen tijde beëindigen indien hij van oordeel is dat met de voortzetting van de tenuitvoerlegging geen met de strafrechtstoepassing na te streven doel in redelijkheid wordt gediend.
Artikel 7.6.11
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over het bepaalde in deze titel. De nadere regels hebben in ieder geval betrekking op de kosten van de tenuitvoerlegging van de laatste fase van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders die ten laste komen van de deelnemende gemeente.
Artikel 7.6.12
De rechtbank kan de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid opheffen of de inhoud, bedoeld in artikel 38v, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, wijzigen. De beslissing van de rechtbank is dadelijk uitvoerbaar.
Artikel 7.6.13
Artikel 7.6.14
Artikel 7.6.15
Artikel 7.6.16
Artikel 7.6.17
Artikel 7.6.18
Het bedrag waarop de kosten van openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak zijn geschat, komt ten laste van de veroordeelde.
Artikel 7.6.19
Artikel 7.6.20
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de tenuitvoerlegging van bijkomende straffen.
Artikel 7.6.21
Artikel 7.6.22
Artikel 7.6.23
Artikel 7.7.1
Artikel 7.7.2
Onze Minister kan advies inwinnen van de raad voor de kinderbescherming over de plaats van tenuitvoerlegging van een jeugddetentie of een maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen.
Artikel 7.7.3
Artikel 7.7.4
Artikel 7.7.5
Op het toezicht ten aanzien van de beslissingen, bedoeld in artikel 7.7.1, is Hoofdstuk 2, Titels 2.1, 2.2 en 2.3, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:
Artikel 7.7.6
In afwijking van artikel 7.2.3, eerste lid, is de rechter-commissaris bevoegd te beslissen tot:
Artikel 7.7.7
De raad voor de kinderbescherming heeft tot taak toezicht te houden op de uitvoering van reclasseringswerkzaamheden met betrekking tot jeugdigen. In dat kader is de raad voor de kinderbescherming bevoegd aanwijzingen te geven aan de gecertificeerde instelling en, voor zover het minderjarigen betreft, de reclasseringsinstelling.
Artikel 7.7.8
Op de tenuitvoerlegging van jeugddetentie zijn de artikelen 7.3.1, 7.3.2, eerste lid en tweede lid, onderdeel a, 7.3.3, 7.3.4 en 7.3.6, eerste en tweede lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in artikel 7.3.4, vijfde lid, onder Hoofdstuk XIII van de Penitentiaire beginselenwet wordt verstaan Hoofdstuk XV van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen.
Artikel 7.7.9
Artikel 7.7.10
Een jeugddetentie kan door de rechtbank geheel of gedeeltelijk worden omgezet in een van de straffen, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van het Wetboek van het Strafrecht, indien de tenuitvoerlegging geheel of gedeeltelijk zou moeten plaatsvinden nadat de veroordeelde de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en de veroordeelde naar het oordeel van de rechtbank niet meer in aanmerking komt voor jeugddetentie.
Artikel 7.7.11
Onze Minister draagt de tenuitvoerlegging van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen op aan een inrichting als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, of hij doet de veroordeelde elders opnemen.
Artikel 7.7.12
Artikel 7.7.13
Artikel 7.7.14
Artikel 7.7.15
Artikel 7.7.16
Artikel 7.7.17
De maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen vervalt van rechtswege bij het onherroepelijk worden van:
Artikel 7.7.18
Op de tenuitvoerlegging van een geldboete, een schadevergoedingsmaatregel, een ontnemingsmaatregel of een ontnemingsschikking is Hoofdstuk 5, Titel 5.1 tot en met Titel 5.5, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:
Artikel 7.7.19
Artikel 7.7.20
Op de tenuitvoerlegging van een taakstraf zijn de artikelen 7.6.1, tweede lid, 7.6.2, 7.6.3 en 7.6.5 tot en met 7.6.7 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat toepassing van artikel 7.6.3 niet plaatsvindt dan nadat advies is ingewonnen bij de raad voor de kinderbescherming en de veroordeelde is gehoord.
Artikel 7.7.21
Artikel 7.7.22
Artikel 7.7.23
Artikel 7.7.24
Artikel 7.7.25
Artikel 7.7.26
Artikel 7.7.27
Artikel 7.7.28
Op de tenuitvoerlegging van een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid is artikel 7.6.12 van toepassing.
Artikel 7.7.29
Op de tenuitvoerlegging van een verbeurdverklaring zijn de artikelen 7.6.19 en 7.6.20 van toepassing.
Artikel 7.7.30
Artikel 7.7.31
Op de tenuitvoerlegging van een geldboete, een schadevergoedingsmaatregel, een ontnemingsmaatregel of een ontnemingsschikking is Hoofdstuk 5, Titel 5.6, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 7.7.32
Artikel 7.7.33
ARTIKEL III
Boek 8 van het Wetboek van Strafvordering komt te luiden:
Artikel 8.1.1
Artikel 8.1.2
Artikel 8.1.3
De artikelen 1.3.1 en 1.3.5 zijn van toepassing op de uitoefening van bevoegdheden die in dit boek aan de officier van justitie zijn toegekend, ook voor zover die uitoefening niet gerekend kan worden tot opsporing en vervolging.
Artikel 8.1.4
Artikel 8.1.5
Indien Nederland een van een andere staat ontvangen verzoek of bevel uitvoert en dit boek voorziet in de mogelijkheid om een klaagschrift in te dienen bij de rechtbank of in dit boek is bepaald dat verlof van de rechtbank is vereist, zijn bevoegd om daarover te oordelen:
Artikel 8.1.6
In gevallen waarin dit boek voorziet in het optreden van de rechter-commissaris ter uitvoering van een ontvangen verzoek of bevel, is bevoegd de rechter-commissaris in de rechtbank in het rechtsgebied waarin diens optreden is vereist dan wel de rechter-commissaris in de rechtbanken Amsterdam, Den Haag, Oost-Brabant, Overijssel en Rotterdam.
Artikel 8.1.7
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden vastgesteld over het vastleggen van gegevens over de uitvoering van de bepalingen in dit boek.
Artikel 8.2.1
De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op rechtshulp door Nederland in het kader van de opsporing, de vervolging en de berechting van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke sancties aan de autoriteiten van een andere staat en op rechtshulp door autoriteiten van een andere staat dienaangaande aan Nederland, tenzij:
Artikel 8.2.2
Artikel 8.2.3
Artikel 8.2.4
Een verzoek om rechtshulp kan alleen aan de autoriteiten van een andere staat worden gericht indien is voldaan aan de vereisten die op grond van de Nederlandse wet gelden voor de uitoefening van de in het verzoek om rechtshulp gevraagde bevoegdheden in een nationaal onderzoek naar deze strafbare feiten.
Artikel 8.2.5
Artikel 8.2.6
De officier van justitie kan een verzoek om rechtshulp doen voor het vastleggen van communicatie als bedoeld in artikel 2.8.13. De officier van justitie overlegt met de andere staat over of het verzoek wordt uitgevoerd door:
Artikel 8.2.7
Artikel 8.2.8
Artikel 8.2.9
Artikel 8.2.10
Artikel 8.2.11
Artikel 8.2.12
Artikel 8.2.13
Artikel 8.2.14
Artikel 8.2.15
Artikel 8.2.16
Artikel 8.2.17
Artikel 8.2.18
Artikel 8.2.19
Artikel 8.2.20
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de inwilliging en uitvoering van verzoeken om rechtshulp.
Artikel 8.2.21
Artikel 8.2.22
Artikel 8.2.23
Artikel 8.2.24
Artikel 8.2.25
Artikel 8.2.26
Artikel 8.2.27
Artikel 8.3.1
Artikel 8.3.2
Artikel 8.3.3
Artikel 8.3.4
Voorwerpen en gegevens die in Nederland met gebruikmaking van enige bevoegdheid ten behoeve van in het onderzoek van het gemeenschappelijk onderzoeksteam zijn verkregen kunnen direct ten behoeve van het onderzoek van het gemeenschappelijke onderzoeksteam ter beschikking worden gesteld aan het gemeenschappelijke onderzoeksteam.
Artikel 8.3.5
Artikel 8.3.6
Processen-verbaal en andere schriftelijke stukken die door buitenlandse ambtenaren die deel uitmaken van het gemeenschappelijk onderzoeksteam in de wettelijke vorm zijn opgemaakt ten behoeve van het onderzoek van het gemeenschappelijk onderzoeksteam hebben dezelfde bewijskracht als processen-verbaal en andere schriftelijke stukken opgemaakt door Nederlandse ambtenaren, met dien verstande dat de bewijskracht niet uitgaat boven die welke zij hebben naar het recht van de staat waaruit de buitenlandse ambtenaren afkomstig zijn.
Artikel 8.3.7
De met de uitoefening van bevoegdheden direct verband houdende rechtsmiddelen die in een Nederlands onderzoek openstaan voor de officier van justitie en de betrokkene, staan voor hen, met overeenkomstige toepassing van de daarop betrekking hebbende bepalingen, eveneens open bij de uitvoering van onderzoek door of onder gezag van de officier van justitie ten behoeve van het gemeenschappelijke onderzoeksteam, tenzij de wet anders bepaalt.
Artikel 8.3.8
Artikel 8.3.9
Artikel 8.4.1
Artikel 8.4.2
Artikel 8.4.3
Artikel 8.4.4
Artikel 8.4.5
Artikel 8.4.6
Artikel 8.4.7
Artikel 8.4.8
Artikel 8.4.9
Artikel 8.4.10
Artikel 8.4.11
Over een door de bevoegde autoriteit van een andere staat gedaan verzoek tot het instellen van een strafvervolging wordt beslist:
Artikel 8.4.12
In de gevallen, bedoeld in artikel 8.4.11, onderdeel a, wordt het verzoek in ontvangst genomen door de officier van justitie.
Artikel 8.4.13
Artikel 8.4.14
Artikel 8.4.15
Artikel 8.4.16
Artikel 8.4.17
Artikel 8.4.18
Artikel 8.4.19
Artikel 8.4.20
Processen-verbaal en andere schriftelijke stukken die door ambtenaren van de verzoekende staat in de wettelijke vorm zijn opgemaakt hebben dezelfde bewijskracht als processen-verbaal en andere schriftelijke stukken opgemaakt door Nederlandse ambtenaren, met dien verstande dat de bewijskracht niet uitgaat boven die welke zij in de verzoekende staat hebben.
Artikel 8.4.21
Artikel 8.4.22
Artikel 8.4.23
Tenzij Onze Minister van oordeel is dat het verzoek tot strafvervolging klaarblijkelijk niet voor inwilliging in aanmerking komt, zendt hij het verzoek met de daarbij gevoegde stukken voor advies aan de officier van justitie bij het landelijk parket.
Artikel 8.4.24
Artikel 8.4.25
Artikel 8.4.26
Indien geen rechtbank bevoegd is, zijn de rechtbank Amsterdam, de rechtbank Oost-Brabant, de rechtbank Overijssel en de rechtbank Rotterdam bevoegd om de strafbare feiten te berechten waarop het verzoek betrekking heeft.
Artikel 8.4.27
De artikelen 8.4.16, 8.4.19 en 8.4.20 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 8.4.28
Artikel 8.5.1
In de bepalingen van deze titel wordt verstaan onder Europees onderzoeksbevel: een bevel als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van Richtlijn 2014/41/EU.
Artikel 8.5.2
Artikel 8.5.3
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de uitvaardiging, erkenning en uitvoering van Europese onderzoeksbevelen.
Artikel 8.5.4
Artikel 8.5.5
Artikel 8.5.6
Artikel 8.5.7
Artikel 8.5.8
Artikel 8.5.9
Artikel 8.5.10
Artikel 8.5.11
Artikel 8.5.12
Artikel 8.5.13
Artikel 8.5.14
Artikel 8.5.15
Artikel 8.5.16
Artikel 8.5.17
Artikel 8.5.18
Artikel 8.5.19
Artikel 8.5.20
Artikel 8.5.21
Artikel 8.5.22
Artikel 8.5.23
Artikel 8.5.24
Artikel 8.5.25
Artikel 8.5.26
Artikel 8.5.27
Artikel 8.5.28
De officier van justitie kan toestemming geven om een persoon die in een andere lidstaat rechtens zijn vrijheid is ontnomen en ter uitvoering van een Europees onderzoeksbevel wordt overgebracht naar een derde lidstaat, over Nederlands grondgebied te vervoeren. De artikelen 51 en 52 van de Overleveringswet zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 8.5.29
Artikel 8.5.30
Artikel 8.5.31
Artikel 8.5.32
Artikel 8.5.33
Artikel 8.5.34
Artikel 8.5.35
Artikel 8.6.1
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
Artikel 8.6.2
Artikel 8.6.3
Artikel 8.6.4
Artikel 8.6.5
Artikel 8.6.6
Artikel 8.6.7
Artikel 8.6.8
Artikel 8.7.1
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
Artikel 8.7.2
Dit hoofdstuk is uitsluitend van toepassing op Europese bevriezingsbeslissingen uitgevaardigd door of uitgevaardigd aan een lidstaat die niet is gebonden door Richtlijn 2014/41/EU of Verordening (EU) 2018/1805.
Artikel 8.7.3
Artikel 8.7.4
Artikel 8.7.5
Artikel 8.7.6
De officier van justitie kan de Europese bevriezingsbeslissing op elk moment intrekken. In dat geval stelt hij de autoriteiten van de uitvoerende lidstaat hiervan direct in kennis.
Artikel 8.7.7
Artikel 8.7.8
Een door een bevoegde autoriteit van een andere lidstaat uitgevaardigde Europese bevriezingsbeslissing is vatbaar voor erkenning en uitvoering indien het strekt tot bevriezing van voorwerpen die zich in Nederland bevinden en die naar het recht van die andere lidstaat:
Artikel 8.7.9
Artikel 8.7.10
De officier van justitie kan de erkenning en uitvoering van een Europese bevriezingsbeslissing slechts weigeren indien:
Artikel 8.7.11
Artikel 8.7.12
Artikel 8.7.13
Artikel 8.7.14
Een rechtshulpverzoek als bedoeld in artikel 8.7.9, tweede lid, dat een strafbaar feit als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van Kaderbesluit 2003/577/JBZ betreft, kan niet worden geweigerd op de grond dat het feit waarop het verzoek betrekking heeft, indien het in Nederland was begaan, naar Nederlands recht niet strafbaar zou zijn.
Artikel 8.7.15
Artikel 8.7.16
Artikel 8.7.17
Artikel 8.8.1
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
Artikel 8.8.2
Artikel 8.8.3
Het openbaar ministerie kan in overleg treden met de bevoegde autoriteiten in de uitvaardigende of uitvoerende lidstaat ten behoeve van een vlotte en efficiënte uitvoering van de bepalingen in dit hoofdstuk.
Artikel 8.8.4
Artikel 8.8.5
Artikel 8.8.6
Artikel 8.8.7
Op verzoek van de uitvoerende autoriteit stuurt het openbaar ministerie haar een gewaarmerkt afschrift van het bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis of het origineel van het certificaat toe.
Artikel 8.8.8
Artikel 8.8.9
Artikel 8.8.10
Artikel 8.8.11
Het openbaar ministerie kan de uitvoerende autoriteit verzoeken om verlenging van de termijn gedurende welke in de uitvoerende lidstaat toezicht wordt gehouden op de naleving van de aan de schorsing van de voorlopige hechtenis verbonden voorwaarden.
Artikel 8.8.12
Artikel 8.8.13
Een door een bevoegde autoriteit van een andere lidstaat uitgevaardigde Europese toezichtbeslissing die betrekking heeft op toezichtmaatregelen als bedoeld in artikel 8.8.2 is vatbaar voor erkenning en uitvoering indien:
Artikel 8.8.14
Artikel 8.8.15
Artikel 8.8.16
Artikel 8.8.17
Artikel 8.8.18
Artikel 8.8.19
De officier van justitie kan te allen tijde de uitvaardigende autoriteit verzoeken om informatie te verschaffen over de noodzaak van het voortduren van het toezicht op de naleving van de toezichtmaatregelen.
Artikel 8.8.20
Artikel 8.8.21
Artikel 8.9.1
In de bepalingen van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
Artikel 8.9.2
Een Europees beschermingsbevel kan worden uitgevaardigd voor zover deze ziet op een beschermingsmaatregel die een of meer van de volgende verboden of beperkingen bevat:
Artikel 8.9.3
De officier van justitie kan in overleg treden met de bevoegde autoriteiten in de uitvaardigende of uitvoerende lidstaat ten behoeve van een vlotte en efficiënte uitvoering van de bepalingen in dit hoofdstuk.
Artikel 8.9.4
De beschermde persoon en de persoon die gevaar veroorzaakt stellen de bevoegde autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat en de uitvoerende lidstaat op de hoogte van het adres waaraan deze autoriteiten kennisgevingen dienen te richten. Kennisgevingen aan de beschermde persoon en aan de persoon die gevaar veroorzaakt, vinden plaats aan het laatste door deze personen opgegeven adres.
Artikel 8.9.5
Artikel 8.9.6
Artikel 8.9.7
Artikel 8.9.8
De officier van justitie motiveert zijn beslissing op het verzoek om een Europees beschermingsbevel uit te vaardigen. Hij stelt de beschermde persoon en de persoon die gevaar veroorzaakt in kennis van zijn beslissing.
Artikel 8.9.9
Artikel 8.9.10
Artikel 8.9.11
Artikel 8.9.12
Artikel 8.9.13
Artikel 8.9.14
Artikel 8.9.15
Artikel 8.9.16
Artikel 8.9.17
Artikel 8.9.18
Artikel 8.9.19
De officier van justitie draagt er zorg voor dat de maatregelen zo spoedig mogelijk, met dezelfde snelheid en prioriteit als ware het een vergelijkbare Nederlandse zaak, worden tenuitvoergelegd overeenkomstig het Nederlandse recht en met inachtneming van de erkenningsbeslissing. Artikel 7.2.1, tweede tot en met zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 8.9.20
Artikel 8.9.21
Artikel 8.9.22
ARTIKEL IIIA
Artikel 24c van het Wetboek van Strafrecht wordt als volgt gewijzigd:
ARTIKEL IV
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende boeken, hoofdstukken, titels, afdelingen, artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
ARTIKEL V
Deze wet wordt aangehaald als: Tweede vaststellingswet Wetboek van Strafvordering.