Wet van 18 juni 2026 tot wijziging van de Wet bedrag ineens, RVU en verlofsparen in verband met de herziening van de mogelijkheid tot afkoop in de vorm van een bedrag ineens alsmede tot wijziging van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet herziening bedrag ineens) [KetenID WGK012668]
Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om de mogelijkheid tot gedeeltelijke afkoop van ouderdomspensioen in de vorm van een bedrag ineens te herzien om deze beter uitvoerbaar en uitlegbaar te maken;
Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
ARTIKEL I. WIJZIGING VAN DE WET BEDRAG INEENS, RVU EN VERLOFSPAREN
De Wet bedrag ineens, RVU en verlofsparen wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel I, onderdeel C, wordt als volgt gewijzigd:
2.
De uitbetaling in verband met de afkoop, bedoeld in het eerste lid, wordt op verzoek van de deelnemer of gewezen deelnemer door de pensioenuitvoerder uitgesteld tot de maand januari volgend op het jaar waarin de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, is bereikt, met dien verstande dat dit verzoek voorafgaand aan de ingangsdatum van het ouderdomspensioen is gedaan, en uitbetaling op dat uitgestelde moment alleen mogelijk is mits het geen nettopensioen betreft en de deelnemer of gewezen deelnemer in leven is op de eerste dag van die maand en als de ingangsdatum van het ouderdomspensioen:- is gelegen in de maand waarin de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, is bereikt; of
- gelijk is aan de eerste dag van de maand, volgend op de maand waarin de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, wordt bereikt.
3.
Bij overlijden van de pensioengerechtigde na de ingangsdatum van het ouderdomspensioen, maar voor de eerste dag van de maand januari, bedoeld in het tweede lid, keert de pensioenuitvoerder eenmalig een bedrag uit ten gunste van de nalatenschap van de pensioengerechtigde, indien de pensioengerechtigde overeenkomstig het tweede lid heeft verzocht om uitstel van de betaling.4.
Het in het derde lid bedoelde bedrag is gelijk aan het verschil tussen de som van de termijnen van het ouderdomspensioen dat zou worden uitgekeerd wanneer geen verzoek tot afkoop was gedaan en de som van de feitelijk uitgekeerde termijnen van het ouderdomspensioen, berekend over de periode vanaf de pensioeningangsdatum tot de overlijdensdatum of de laatste dag van de maand waarin het overlijden plaatsvindt.B
Artikel II, onderdeel C, wordt als volgt gewijzigd:
2.
De uitbetaling in verband met de afkoop, bedoeld in het eerste lid, wordt op verzoek van de deelnemer of gewezen deelnemer door de pensioenuitvoerder uitgesteld tot de maand januari volgend op het jaar waarin de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, is bereikt, met dien verstande dat dit verzoek voorafgaand aan de ingangsdatum van het ouderdomspensioen is gedaan, en uitbetaling op dat uitgestelde moment alleen mogelijk is mits het geen nettopensioen betreft en de deelnemer of gewezen deelnemer in leven is op de eerste dag van die maand en als de ingangsdatum van het ouderdomspensioen:- is gelegen in de maand waarin de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, is bereikt; of
- gelijk is aan de eerste dag van de maand, volgend op de maand waarin de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, wordt bereikt.
3.
Bij overlijden van de pensioengerechtigde na de ingangsdatum van het ouderdomspensioen, maar voor de eerste dag van de maand januari, bedoeld in het tweede lid, keert de pensioenuitvoerder eenmalig een bedrag uit ten gunste van de nalatenschap van de pensioengerechtigde, indien de pensioengerechtigde overeenkomstig het tweede lid heeft verzocht om uitstel van de betaling.4.
Het in het derde lid bedoelde bedrag is gelijk aan het verschil tussen de som van de termijnen van het ouderdomspensioen dat zou worden uitgekeerd wanneer geen verzoek tot afkoop was gedaan en de som van de feitelijk uitgekeerde termijnen van het ouderdomspensioen, berekend over de periode vanaf de pensioeningangsdatum tot de overlijdensdatum of de laatste dag van de maand waarin het overlijden plaatsvindt.C
Artikel III komt te luiden:
D
Artikel IV wordt als volgt gewijzigd:
11.
Bij een gedeeltelijke afkoop als bedoeld in artikel 4:71.0a van de Wet op het financieel toezicht van een aanspraak op lijfrente als bedoeld in de artikelen 3.125, eerste lid, onderdelen a of c, of 3.126a, vierde lid, aanhef en onderdeel a, onder 1°, 2° of 3°, vindt het eerste lid geen toepassing. De eerste zin is van overeenkomstige toepassing op een aanspraak op lijfrente als bedoeld in artikel 3.125, eerste lid, onderdelen a of c, die is ondergebracht bij een verzekeraar als bedoeld in artikel 3.126, eerste lid, onderdeel a, onder 2°. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de tweede zin.E
In artikel V, onderdeel C, onder 2, wordt «met toepassing van de artikelen 66, 67, 68 of 69a van de Pensioenwet» vervangen door «met overeenkomstige toepassing van de artikelen 66, 67, 68 of 69a van de Pensioenwet».
ARTIKEL III. WIJZIGING VAN DE WET OP HET FINANCIEEL TOEZICHT
De Wet op het financieel toezicht wordt als volgt gewijzigd:
A
Na paragraaf 4.3.1.5 wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:
B
In de bijlage bij artikel 1:79 en de bijlage bij artikel 1:80 wordt in de opsomming van artikelen in het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen in de numerieke volgorde «4:71.0a, eerste, derde, vierde en zesde lid» ingevoegd.
Artikel 4:71.0a
ARTIKEL II. INDEXATIE
Het in artikel I, onderdeel D, onder 1, van deze wet als tweede genoemde bedrag wordt vóór toepassing van dat onderdeel vervangen door een ander bedrag. Dit bedrag wordt berekend door het te vervangen bedrag te vermenigvuldigen met de ingevolge artikel 10.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 aan het begin van het kalenderjaar 2023 toegepaste inflatiecorrectie op het bedrag, genoemd in artikel 3.133, tweede lid, onderdeel d, van die wet.
ARTIKEL III. WIJZIGING VAN DE WET OP DE LOONBELASTING 1964
In de Wet op de loonbelasting 1964 wordt in artikel 32ba, achtste lid, na «van die wet,» ingevoegd «vermeerderd met de inkomensondersteuning, bedoeld in artikel 33a, vijfde lid, van die wet,».
ARTIKEL IV. INWERKINGTREDING
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld, waarbij kan worden bepaald dat artikel III terugwerkt tot en met 1 januari 2021.
ARTIKEL V. CITEERTITEL
Deze wet wordt aangehaald als: Wet herziening bedrag ineens.