Wet van 18 juni 2026, houdende regels in verband met de uitgifte van de Nederlandse identiteitskaart (Wet op de Nederlandse identiteitskaart)
Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het, mede ter uitvoering van Verordening (EU) 2019/1157 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende de versterking van de beveiliging van identiteitskaarten van burgers van de Unie en van verblijfsdocumenten afgegeven aan burgers van de Unie en hun familieleden die hun recht van vrij verkeer uitoefenen (PbEU 2019, L 188), wenselijk is om regels te stellen omtrent de uitgifte van de Nederlandse identiteitskaart;
Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
Artikel 2
Artikel 3
Artikel 4
Artikel 5
Artikel 5a
De autoriteiten, belast met de uitvoering van deze wet, verstrekken aan Onze Minister de in het register vermiste of vervallen reisdocumenten, bedoeld in artikel 4a van de Paspoortwet, op te nemen gegevens met betrekking tot Nederlandse identiteitskaarten die:
Artikel 6
Eenieder die, anders dan voor ambtelijke doeleinden of ter voldoening aan een wettelijk voorschrift, in het bezit is van een Nederlandse identiteitskaart waarvan hij niet de houder is, draagt zorg dat het onverwijld ter beschikking komt van een ingevolge deze wet tot inhouding bevoegde autoriteit of bij de Gouverneur van Aruba, Curaçao of Sint Maarten, die daartoe op grond van artikel 50b, tweede lid, van de Paspoortwet bevoegd is.
Artikel 7
De houder wiens Nederlandse identiteitskaart is vermist of mogelijk voorwerp is van fraude, kan dat op een bij ministeriële regeling te bepalen wijze melden.
Artikel 8
Een ieder die betrokken is bij de uitvoering van deze wet in een openbaar lichaam en daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijk karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, en voor wie niet reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift ter zake van die gegevens een geheimhoudingsplicht geldt, is verplicht tot geheimhouding daarvan, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot bekendmaking verplicht of uit zijn taak bij de uitvoering van deze wet de noodzaak tot bekendmaking voortvloeit.
Artikel 9
Artikel 10
Onze Minister kan in overeenstemming met Onze Minister van Buitenlandse Zaken in bijzondere omstandigheden voor de uitoefening van bevoegdheden ingevolge deze wet, mandaat verlenen aan autoriteiten van met het Koninkrijk bevriende mogendheden. Het desbetreffende besluit vermeldt de redenen van deze bevoegdheidsverlening en de termijn waarvoor zij geldt. Onze Minister stelt nadere regels omtrent de uitoefening van de bevoegdheden, waarbij het bepaalde in deze wet zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing is.
Artikel 11
Artikel 12
Artikel 13
Weigering van een Nederlandse identiteitskaart geschiedt op verzoek van Onze Minister die het aangaat, uitsluitend indien de betrokken persoon een verbod is opgelegd als bedoeld in artikel 3 van de Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding.
Artikel 14
Artikel 15
Bevoegd tot het in ontvangst nemen van aanvragen voor Nederlandse identiteitskaarten zijn:
Artikel 16
Artikel 17
Artikel 18
Artikel 19
Artikel 20
Artikel 21
De rechten die verschuldigd zijn of worden geheven in verband met handelingen ten behoeve van de aanvraag van een Nederlandse identiteitskaart, worden bij de indiening van de aanvraag voldaan.
Artikel 22
Artikel 23
Artikel 24
Artikel 25
Bevoegd tot het verstrekken van Nederlandse identiteitskaarten zijn:
Artikel 26
Artikel 27
Artikel 28
Artikel 29
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de termijnen of de procedures ten aanzien van de weigering van een Nederlandse identiteitskaart.
Artikel 30
Artikel 31
Artikel 32
Artikel 33
Artikel 34
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de procedures ten aanzien van het vervallen van rechtswege van Nederlandse identiteitskaarten van minderjarigen jonger dan twaalf jaar.
Artikel 35
Bevoegd tot het inhouden van Nederlandse identiteitskaarten zijn:
Artikel 36
Een Nederlandse identiteitskaart kan worden ingehouden door Onze Minister van Buitenlandse Zaken die aan de houder een geldlening heeft verstrekt of ten behoeve van de houder kosten heeft gemaakt. De houder wordt hiervan terstond in kennis gesteld. De identiteitskaart wordt teruggegeven wanneer de betrokken houder in zijn woonplaats is teruggekeerd.
Artikel 37
Artikel 38
De houder van een Nederlandse identiteitskaart levert deze zo spoedig mogelijk in bij een tot inhouding bevoegde autoriteit of bij de Gouverneur van Aruba, Curaçao of Sint Maarten, of, voor zover het personen betreft die in de bevolkingsadministratie van Aruba, Curaçao of Sint Maarten zijn opgenomen, de door de Gouverneur na overleg met Onze Minister daartoe aangewezen autoriteiten, die daartoe op grond van artikel 50b, tweede lid, van de Paspoortwet bevoegd zijn, indien de identiteitskaart van rechtswege is vervallen dan wel deze autoriteit om inlevering daarvan ter inhouding als bedoeld in de artikelen 32, 36 en 37 van deze wet respectievelijk artikel 50b, tweede lid, j° artikel 54 van de Paspoortwet verzoekt.
Artikel 39
Bevoegd tot het definitief aan het verkeer onttrekken van Nederlandse identiteitskaarten zijn de autoriteiten die bevoegd zijn tot verstrekking of weigering van identiteitskaarten of die op grond van de Paspoortwet bevoegd zijn tot verstrekking, weigering of vervallenverklaring van reisdocumenten. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de gronden voor en de wijze van het onttrekken aan het verkeer.
Artikel 40
Het toezicht op de uitvoering van deze wet berust bij Onze Minister. Aan hem en aan door hem aangewezen ambtenaren worden door de autoriteiten belast met de uitvoering van deze wet alle inlichtingen verstrekt welke zij in verband met de uitoefening van hun taak nodig hebben en wordt inzage verleend in alle bescheiden die verband houden met de uitvoering van deze wet.
Artikel 41
Artikel 42
In de bijlage bij artikel 124b, eerste lid, van de Gemeentewet wordt aan onderdeel A toegevoegd:
- Wet op de Nederlandse identiteitskaart.
Artikel 43
In artikel J 24, tweede lid, van de Kieswet wordt «overeenkomstig artikel 5a van de Paspoortwet» vervangen door «overeenkomstig artikel 5a van de Paspoortwet of artikel 7 van de Wet op de Nederlandse identiteitskaart».
Artikel 44
Artikel 50 van de Wegenverkeerswet 1994 wordt als volgt gewijzigd:
Artikel 45
De Wet basisadministraties persoonsgegevens BES wordt als volgt gewijzigd:
- gegevens, noodzakelijk in verband met de uitvoering van de Wet op de Nederlandse identiteitskaart.
Artikel 46
De Wet basisregistratie personen wordt als volgt gewijzigd:
- gegevens, noodzakelijk in verband met de uitvoering van de Wet op de Nederlandse identiteitskaart.
Artikel 47
In artikel 1, derde lid, van de Wet betreffende de positie van Molukkers wordt «in de zin van de Paspoortwet» vervangen door «in de zin van de Paspoortwet of Wet op de Nederlandse identiteitskaart» en wordt «artikel 3, zesde lid, eerste volzin, van de Paspoortwet» vervangen door «artikel 3, zesde lid, eerste volzin, van de Paspoortwet respectievelijk artikel 3, eerste lid, van de Wet op de Nederlandse identiteitskaart».
Artikel 48
Artikel 1, eerste lid, onder 1°, van de Wet op de identificatieplicht komt te luiden:
- een geldig reisdocument als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, b, c, d, e en g, van de Paspoortwet of een document als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet op de Nederlandse identiteitskaart.
Artikel 49
In artikel 10b, eerste lid, van de Wet op de orgaandonatie wordt «een Nederlandse identiteitskaart als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Paspoortwet» vervangen door «een Nederlandse identiteitskaart als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet op de Nederlandse identiteitskaart».
Artikel 50
Met ingang van het tijdstip waarop de Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding op grond van artikel 13, tweede lid, van die wet vervalt, wordt deze wet als volgt gewijzigd:
Artikel 2
1.
Identiteitskaart van het Europese deel van Nederland is de Nederlandse identiteitskaart.2.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden de geldigheidsduur en het model van de Nederlandse identiteitskaart vastgesteld.3.
Onze Minister draagt zorg voor de vervaardiging van het in het eerste bedoelde document.4.
Een Nederlandse identiteitskaart blijft na uitreiking rijkseigendom. Onze Minister oefent het eigendomsrecht uit.- de houder op de krachtens artikel 7 bepaalde wijze heeft verklaard dat de identiteitskaart is vermist of mogelijk voorwerp is van fraude.
Artikel 2
Artikel 51
Indien artikel I, onderdeel Cc, van de Rijkswet van 6 maart 2020 houdende wijziging van de Paspoortwet in verband met de invoering van elektronische identificatie met een publiek identificatiemiddel en het uitbreiden van het basisregister reisdocumenten (Stb. 2020, 104) in werking treedt of is getreden, vervalt hoofdstuk 1, paragraaf 3a van deze wet op hetzelfde tijdstip.
Artikel 52
Indien de Wet van 10 mei 2023 tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met de modernisering van het erkenningenstelsel, het verbeteren van de handhaafbaarheid en enkele andere wijzigingen van technische aard (Stb. 2023, 195) eerder in werking is getreden of treedt dan 44 van deze wet, dan vervalt artikel 44 van deze wet.
Artikel 53
Indien het bij koninklijke boodschap van 4 juli 2024 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Paspoortwet in verband met het schrappen van de geslachtsvermelding op de Nederlandse identiteitskaart (Kamerstukken 36 587 (R2197) tot wet is of wordt verheven en die wet eerder in werking is getreden of treedt dan deze wet, wordt deze wet als volgt gewijzigd:
A
In artikel 3, eerste lid, vervalt «geslacht,».
B
Artikel 30, eerste lid, onderdeel c, komt te luiden:
- de geslachtsnaam, de voornamen, de geboortedatum, het geslacht of het burgerservicenummer van de houder zijn gewijzigd, behalve als het een wijziging van het geslacht betreft van de houder van een Nederlandse identiteitskaart waarop het geslacht niet is vermeld;
Artikel 54
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Artikel 55
Deze wet wordt aangehaald als: Wet op de Nederlandse identiteitskaart.