Part of Smart Yellow Suite

WGK010370
Wet versterking participatie op decentraal niveau

Updates ontvangen over deze regeling? Log in

Overheid.nl - XML - JSON

Type Wet
Fase Bekendmaking
Ministerie Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Datum uitgave 19 december 2019
Datum inwerkingtreding -
Per KB Nee

Opschrift

Wijziging van de Gemeentewet, de Provinciewet, de Waterschapswet en de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba in verband met de participatieverordening en het uitdaagrecht van inwoners en maatschappelijke partijen (Wet versterking participatie op decentraal niveau)

Samenvatting

Dit wetsvoorstel regelt dat het decentraal bestuur inwoners in staat stelt te participeren bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid. Daarvoor wordt de regeling over inspraak in de Gemeentewet, Provinciewet, Waterschapswet en WolBES uitgebreid naar participatie. Daarnaast wordt het uitdaagrecht wettelijk verankerd.

Documenten

stb-2024-203 (PDF)

Wet van 5 juni 2024 tot wijziging van de Gemeentewet, de Provinciewet, de Waterschapswet en de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba in verband met de participatieverordening en het uitdaagrecht van inwoners en maatschappelijke partijen (Wet versterking participatie op decentraal niveau)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het voor de versterking van participatie op decentraal niveau wenselijk is de inspraakverordening te verbreden naar een participatieverordening en het uitdaagrecht voor ingezetenen en maatschappelijke partijen te verankeren in de Gemeentewet, de Provinciewet, de Waterschapswet en de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Gemeentewet wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 150 wordt als volgt gewijzigd:

2.
Indien de raad de in het eerste lid bedoelde betrokkenheid regelt in de vorm van inspraak, dan wordt deze verleend door toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, tenzij in de verordening anders is bepaald.
3.
In de verordening worden voorwaarden bepaald waaronder ingezetenen en maatschappelijke partijen de volgende taken kunnen uitvoeren:
  1. taken inzake de huishouding van de gemeente waarvan de raad de uitvoering aan het gemeentebestuur heeft opgedragen;
  2. taken waarvan de uitvoering bij of krachtens een andere dan deze wet van het gemeentebestuur is gevorderd, voor zover de uitvoering van de taak door een ander dan het gemeentebestuur met het bij of krachtens die wet bepaalde niet in strijd is.
B

In artikel 170, eerste lid, onderdeel a, wordt telkens «vaststelling en uitvoering» vervangen door «vaststelling, uitvoering en evaluatie».

ARTIKEL II

De Provinciewet wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 147 wordt als volgt gewijzigd:

2.
Indien provinciale staten de in het eerste lid bedoelde betrokkenheid regelen in de vorm van inspraak, dan wordt deze verleend door toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, tenzij in de verordening anders is bepaald.
3.
In de verordening worden voorwaarden bepaald waaronder ingezetenen en maatschappelijke partijen de volgende taken kunnen uitvoeren:
  1. taken inzake de huishouding van de provincie waarvan provinciale staten de uitvoering aan provinciebestuur hebben opgedragen;
  2. taken waarvan de uitvoering bij of krachtens een andere dan deze wet van het provinciebestuur is gevorderd, voor zover de uitvoering van de taak door een ander dan het provinciebestuur met het bij of krachtens die wet bepaalde niet in strijd is.
B

In artikel 175, eerste lid, onderdeel a, wordt telkens «vaststelling en uitvoering» vervangen door «vaststelling, uitvoering en evaluatie».

ARTIKEL III

Artikel 79 van de Waterschapswet wordt als volgt gewijzigd:

2.
Indien het algemeen bestuur de in het eerste lid bedoelde betrokkenheid regelt in de vorm van inspraak, dan wordt deze verleend door toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, tenzij in de verordening anders is bepaald.
3.
In de verordening, bedoeld in het eerste lid, worden voorwaarden bepaald waaronder ingezetenen en maatschappelijke partijen taken kunnen uitvoeren die krachtens deze wet onderscheidenlijk bij of krachtens een andere wet aan het waterschapsbestuur zijn opgedragen, voor zover de uitvoering van de taak door een ander dan het waterschapsbestuur met het bij of krachtens deze wet onderscheidenlijk die wet bepaalde niet in strijd is.

ARTIKEL IV

De Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 154 wordt als volgt gewijzigd:

2.
In de eilandsverordening worden voorwaarden bepaald waaronder ingezetenen en maatschappelijke partijen de volgende taken kunnen uitvoeren:
  1. taken inzake de huishouding van het openbaar lichaam waarvan de eilandsraad de uitvoering aan het eilandsbestuur heeft opgedragen;
  2. taken waarvan de uitvoering bij of krachtens een andere dan deze wet van het eilandsbestuur is gevorderd, voor zover de uitvoering van de taak door een ander dan het eilandsbestuur met het bij of krachtens die wet bepaalde niet in strijd is.
B

In artikel 172, eerste lid, onderdeel a, wordt telkens «vaststelling en uitvoering» vervangen door «vaststelling, uitvoering en evaluatie».

ARTIKEL V

Een verordening als bedoeld in artikel 150, eerste lid, van de Gemeentewet, 147, eerste lid, van de Provinciewet, 79, eerste lid, van de Waterschapswet of 154 van de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba die gold voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, behoudt haar rechtskracht tot uiterlijk twee jaar na dat tijdstip of bij eerdere intrekking van de verordening, tot de datum van intrekking.

ARTIKEL VI

Deze wet wordt aangehaald als: Wet versterking participatie op decentraal niveau.

ARTIKEL VII

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

stb-2025-416 (PDF)

Besluit van 4 december 2025, houdende wijziging van het Besluit opleidingseisen tandarts, het Besluit opleidingseisen apotheker en het Besluit opleidingseisen verpleegkundige 2011 in verband met de implementatie van gedelegeerde Richtlijn (EU) 2024/782 van de Commissie van 4 maart 2024 tot wijziging van Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de minimumopleidingseisen voor de beroepen van verantwoordelijk algemeen ziekenverpleger, beoefenaar der tandheelkunde en apotheker (PbEU L 2024/782) en in verband met de aanvullende implementatie van Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (PbEU 2005, L 255) [KetenID WGK027901]

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 23 september 2025, kenmerk 4218314-1087760-WJZ;

Gelet op de artikelen 3, eerste lid, 20, 22 en 32 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 12 november 2025, no. W13.25.00311/III, RvS.);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 1 december 2025, kenmerk 4240420-1087760-WJZ;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Besluit opleidingseisen tandarts wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 3, eerste lid, aanhef, komt te luiden:

De opleiding tot tandarts is gericht op het verwerven van kennis, inzicht en vaardigheid voor alle werkzaamheden die verband houden met de preventie, de diagnose en de behandeling van afwijkingen en ziekten van tanden, mond, kaken en omliggende weefsels en meer in het bijzonder de volgende aspecten van de tandheelkundige beroepsuitoefening:
B

Artikel 4, aanhef, komt te luiden:

Het aspect professionele tandheelkundige vorming is zodanig ingericht dat de betrokkene voldoende kennis verwerft van de wetenschappen waarop de tandheelkunde berust, alsmede een goed inzicht in de wetenschappelijke methoden en met name de beginselen van de meting van biologische functies, in de beoordeling van wetenschappelijk vastgestelde feiten alsmede in de analyse van gegevens en in staat is tot:
C

Artikel 6 komt te luiden:

1.
Het aspect onderzoek en diagnose van tandheelkundige problemen is zodanig ingericht dat de betrokkene:
  1. voldoende kennis verwerft van het gestel, de fysiologie en het gedrag van gezonde en zieke personen, alsmede van de wijze waarop de gezondheidstoestand van de mens wordt beïnvloed door zijn natuurlijke en sociale omgeving; een en ander voor zover dat in relatie staat tot de tandheelkunde;
  2. voldoende kennis opdoet van de structuur en functie van de tanden, de mond, de kaken en de omliggende weefsels, zowel in gezonde als zieke toestand, en de relatie daarvan tot de algemene gezondheidstoestand en het fysieke en sociale welzijn van de patiënt;
  3. voldoende kennis opdoet van de klinische studievakken en methoden die aan de tandheelkundige een samenhangend beeld geven van de anomalieën, kwetsuren en ziekten van tanden, mond, kaken en omliggende weefsels, alsmede van de preventieve, diagnostische en therapeutische aspecten van de odontologie;
  4. voldoende kennis verwerft van digitale tandheelkunde en een goed inzicht in het gebruik en de veilige toepassing ervan in de praktijk.
2.
De in het eerste lid genoemde kennis en bekwaamheden dienen als basis voor het opstellen van een behandelplan en leiden ertoe dat de betrokkene is in staat tot:
  1. het afnemen van een anamnese, omvattende tandheelkundige, medische, persoonlijke en sociaal-culturele achtergronden van de patiënt en het herkennen van afwijkingen van het normale beeld;
  2. het diagnosticeren en registreren van orale en dentale ziekten;
  3. het herkennen van orale manifestaties van systeemziekten;
  4. het beoordelen van de algemene gezondheid van de patiënt, het vaststellen van de relatie tussen algemene gezondheid en ziekten in de mond en van de implicaties van algemene gezondheidsafwijkingen voor het plannen van de tandheelkundige behandeling;
  5. het stellen van een diagnose van de oorzaak van pijn in het orofaciale gebied;
  6. het uitvoeren van tandheelkundig beeldvormend diagnostisch onderzoek en het – in voorkomende gevallen – nemen van maatregelen gericht op bescherming tegen ioniserende straling;
  7. het opstellen van een behandelplan en het verwijzen van de patiënt naar een andere hulpverlener indien dit in het belang van diens gezondheid noodzakelijk is.
D

Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:

2.
Tijdens de opleiding tot tandarts wordt voldoende klinische ervaring onder deskundig toezicht opgedaan.

ARTIKEL II

Het Besluit opleidingseisen apotheker wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

2.
Het theoretische en praktische onderwijs voldoen ten minste aan de eisen, gesteld in punt 5.6.1 van Bijlage V van richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 7 september 2005, betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (PbEU L 255).
3.
Een wijziging van punt 5.6.1 van Bijlage V, bedoeld in het tweede lid, gaat voor de toepassing van het tweede lid gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven.
B

Artikel 4, onderdeel a, wordt als volgt gewijzigd:

  1. van klinische farmacie en farmaceutische zorg, alsmede de bekwaamheden voor de praktische toepassing ervan;
  2. op het gebied van de volksgezondheid en de gevolgen daarvan voor gezondheidsbevordering en ziektebeheer;
  3. op het gebied van inter- en multidisciplinaire samenwerking, interprofessionele praktijken en communicatie.

ARTIKEL III

Het Besluit opleidingseisen verpleegkundige 2011 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

7.
De klinische ervaring, bij de keuze waarvan de vormende waarde voorop wordt gesteld, wordt opgedaan onder toezicht van geschoold verpleegkundig personeel en op plaatsen waar de numerieke omvang van het geschoolde personeel en de uitrusting geschikt zijn voor de verpleging van zieken.
B

Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

  1. een effectieve leiderschapsbenadering en besluitvormingsvaardigheden te ontwikkelen;
  2. kennis op te doen van de technische innovaties op het gebied van gezondheidszorg en verpleegmethoden.

ARTIKEL IV

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2026.

Wetswijzigingen integreren met je processen? Probeer Way 3 weken gratis.