Part of Smart Yellow Suite

WGK005570
Vaststellingswet Boeken 1 tot en met 6 van het Wetboek van Strafvordering

Updates ontvangen over deze regeling? Log in

Overheid.nl - XML - JSON

Type Wet
Fase Bekendmaking
Ministerie Justitie en Veiligheid
Datum uitgave 10 augustus 2017
Datum inwerkingtreding -
Per KB Ja

Opschrift

Voorstel van wet tot vaststelling van de Boeken 1 tot en met 6 van het nieuwe Wetboek van Strafvordering

Samenvatting

Bestaat uit: Boek 1 Strafvordering in het algemeen; Boek 2 Het opsporingsonderzoek; Boek 3 Beslissingen over vervolging; Boek 4 Berechting; Boek 5 Rechtsmiddelen; Boek 6 Bijzondere regelingen.

Documenten

stb-2026-56 (PDF)

Wet van 25 februari 2026 tot vaststelling van het nieuwe Wetboek van Strafvordering (Wetboek van Strafvordering)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het Wetboek van Strafvordering te moderniseren en daartoe een nieuw Wetboek van Strafvordering vast te stellen;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Artikel 1.1.1

Strafvordering heeft alleen plaats op de wijze bij de wet voorzien.

Artikel 1.1.2

De verdachte heeft recht op een eerlijk proces binnen een redelijke termijn.

Artikel 1.1.3

De verdachte wordt voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan.

Artikel 1.1.4

Strafvordering heeft plaats op een wijze die recht doet aan de belangen van het slachtoffer.

Artikel 1.1.5

Onder opsporingsambtenaren worden verstaan alle personen belast met de opsporing van strafbare feiten.

Artikel 1.1.6

Onder de opsporing wordt verstaan het onderzoek in verband met strafbare feiten onder gezag van de officier van justitie met als doel het nemen van strafvorderlijke beslissingen.

Artikel 1.1.7

Artikel 1.1.8

Artikel 1.1.9

Artikel 1.1.10

Artikel 1.1.11

Onder elektronische voorziening wordt verstaan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen voorziening ten behoeve van de overdracht van berichten en het indienen van stukken langs elektronische weg.

Artikel 1.1.12

Artikel 1.1.13

Artikel 1.1.14

Waar van misdrijf in het algemeen of van enig misdrijf in het bijzonder gesproken wordt, wordt daaronder medeplichtigheid aan, poging tot en voorbereiding van dat misdrijf begrepen, voor zover niet uit enige bepaling het tegendeel volgt.

Artikel 1.1.15

Onder terroristisch misdrijf wordt verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 83 van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 1.1.16

Onder bedreigde getuige wordt verstaan een getuige ten aanzien van wie door de rechter op grond van artikel 2.10.39 bevel is gegeven dat ter gelegenheid van het verhoor zijn identiteit verborgen wordt gehouden.

Artikel 1.1.17

Onder afgeschermde getuige wordt verstaan een getuige die door de rechter op grond van artikel 2.10.45 als zodanig is aangemerkt.

Artikel 1.1.18

Onder Onze Minister wordt verstaan Onze Minister van Justitie en Veiligheid dan wel Onze Minister voor Rechtsbescherming, al naar gelang wie het aangaat.

Artikel 1.2.1

De rechter behandelt de zaak onbevooroordeeld en onpartijdig. Hij geeft tijdens het onderzoek van de zaak geen blijk van enige overtuiging omtrent de schuld of onschuld van de verdachte.

Artikel 1.2.2

De rechter, met uitzondering van de rechter-commissaris en de raadsheer-commissaris, onderzoekt de zaak met de behandeling waarvan hij is belast op de zitting, tenzij de wet anders bepaalt.

Artikel 1.2.3

Artikel 1.2.4

Indien niet is voorgeschreven dat de rechtbank of het gerechtshof bij vonnis of arrest beslist, wordt de zaak behandeld door de raadkamer van de rechtbank of het gerechtshof. Op vorderingen of verzoeken die tijdens het onderzoek op de terechtzitting worden gedaan wordt echter op de terechtzitting beslist.

Artikel 1.2.5

Artikel 1.2.6

Artikel 1.2.7

Artikel 1.2.8

Artikel 1.2.9

Artikel 1.2.10

Strafbare feiten buiten het rechtsgebied van een rechtbank aan boord van een Nederlands vaartuig of luchtvaartuig begaan, worden bij het bepalen van de bevoegdheid van de rechtbank geacht te zijn begaan binnen het rijk op de plaats:

Artikel 1.2.11

Indien geen rechtbank bevoegd is op grond van de artikelen 1.2.9 en 1.2.10, is de rechtbank Amsterdam bevoegd.

Artikel 1.2.12

Artikel 1.2.13

Artikel 1.2.14

Artikel 1.2.15

Artikel 1.2.16

Artikel 1.2.17

Artikel 1.2.18

Artikel 1.2.19

Artikel 1.2.20

Artikel 1.2.21

Artikel 1.2.22

Artikel 1.2.23

Artikel 1.2.24

Artikel 1.2.25

Artikel 1.2.26

Artikel 1.2.27

Artikel 1.2.28

De officier van justitie draagt er zorg voor dat de rechter-commissaris tijdig alle relevante stukken ontvangt en voorziet de rechter-commissaris van de inlichtingen die nodig zijn voor een goede uitoefening van zijn bevoegdheden.

Artikel 1.2.29

De rechter-commissaris, of op zijn aanwijzing de griffier, maakt in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald en overigens voor zover de rechter-commissaris dat nodig oordeelt, proces-verbaal op van hetgeen tijdens de uitoefening van zijn bevoegdheden is voorgevallen.

Artikel 1.2.30

Indien de rechter-commissaris bij de uitoefening van zijn bevoegdheden buiten aanwezigheid van de officier van justitie constateert dat een strafbaar feit wordt begaan, doet hij daarvan een proces-verbaal opmaken en toekomen aan de officier van justitie. Hij kan tevens ambtshalve de bewaring van de verdachte bevelen. De bepalingen van Boek 2, Titel 5.4, zijn van toepassing.

Artikel 1.2.31

Artikel 1.2.32

Artikel 1.3.1

Artikel 1.3.2

Artikel 1.3.3

Artikel 1.3.4

Van het instellen van vervolging kan mede worden afgezien op gronden aan het algemeen belang ontleend.

Artikel 1.3.5

De officier van justitie kan zijn bevoegdheden tot het doen van vorderingen en het indienen van procesinleidingen bij alle rechtbanken uitoefenen.

Artikel 1.3.6

De officier van justitie bij een arrondissementsparket richt zich bij de uitoefening van zijn bevoegdheden in het bijzonder op de strafbare feiten die door de rechtbank in het arrondissement worden berecht.

Artikel 1.3.7

De officier van justitie bij het landelijk parket, de officier van justitie bij het functioneel parket en de officier van justitie bij het parket centrale verwerking openbaar ministerie richten zich bij de uitoefening van hun bevoegdheden in het bijzonder op de strafbare feiten ten aanzien waarvan dat bij algemene maatregel van bestuur is bepaald.

Artikel 1.3.8

Indien de officier van justitie bij een parket de bewaring heeft gevorderd, heeft gevorderd dat de rechter-commissaris onderzoek verricht op grond van artikel 2.10.1, of een procesinleiding heeft ingediend, kan een officier van justitie bij een ander parket niet met de verdere behandeling van de zaak worden belast, tenzij de verdere behandeling van de zaak met inachtneming van artikel 1.3.9 bij een andere rechtbank plaatsvindt.

Artikel 1.3.9

De officier van justitie die de bewaring vordert of die vordert dat de rechter-commissaris onderzoek verricht op grond van artikel 2.10.1, wendt zich bij de verdere behandeling van de zaak tot de rechtbank van hetzelfde arrondissement, tenzij nog geen procesinleiding is ingediend en hij van oordeel is dat:

Artikel 1.3.10

Met de opsporing van strafbare feiten zijn als gewoon opsporingsambtenaar belast:

Artikel 1.3.11

Artikel 1.3.12

Artikel 1.3.13

Artikel 1.3.14

De officier van justitie kan de andere opsporingsambtenaren bevelen geven met betrekking tot de uitoefening van hun bevoegdheden.

Artikel 1.3.15

De opsporingsambtenaar kan onder verantwoordelijkheid van de officier van justitie en met inachtneming van de door het College van procureurs-generaal gegeven algemene aanwijzingen van de uitoefening of de verdere uitoefening van zijn bevoegdheid tot opsporing afzien op gronden aan het algemeen belang ontleend.

Artikel 1.3.16

Artikel 1.3.17

De officier van justitie beveelt op verzoek van de advocaat-generaal dat het opsporingsonderzoek wordt verricht dat de advocaat-generaal nodig oordeelt in een zaak die bij het gerechtshof aanhangig is.

Artikel 1.4.1

Artikel 1.4.2

Artikel 1.4.3

Artikel 1.4.4

Artikel 1.4.5

Artikel 1.4.6

Artikel 1.4.7

Artikel 1.4.8

Artikel 1.4.9

Artikel 1.4.10

Artikel 1.4.11

Artikel 1.4.12

Artikel 1.4.13

Voor de verdachte die geen raadsman heeft, wordt door het bestuur van de raad voor rechtsbijstand een raadsman aangewezen na kennisgeving door het openbaar ministerie dat:

Artikel 1.4.14

Artikel 1.4.15

Artikel 1.4.16

Artikel 1.4.17

De raadsman heeft vrije toegang tot de verdachte die rechtens zijn vrijheid is ontnomen en kan vertrouwelijk met hem communiceren, een en ander onder het vereiste toezicht, met inachtneming van de huishoudelijke reglementen, en zonder dat het onderzoek daardoor mag worden opgehouden.

Artikel 1.4.18

Artikel 1.4.19

Artikel 1.4.20

Artikel 1.5.1

In dit wetboek wordt verstaan onder:

Artikel 1.5.2

Artikel 1.5.3

Artikel 1.5.4

Artikel 1.5.5

Artikel 1.5.6

Artikel 1.5.7

Artikel 1.5.8

Artikel 1.5.9

Op de spreekgerechtigde die geen slachtoffer is, zijn, voor zover het de uitoefening van het spreekrecht betreft, de artikelen 1.5.3 tot en met 1.5.7 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 1.5.10

Artikel 1.5.11

Artikel 1.5.12

Zij die om in een burgerlijk geding in rechte te verschijnen, vertegenwoordigd moeten worden, hebben om zich overeenkomstig artikel 1.5.10 te voegen in het strafproces de vertegenwoordiging eveneens nodig. Een machtiging van de kantonrechter als bedoeld in artikel 349, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, is voor die vertegenwoordiger niet vereist. Ten aanzien van de verdachte zijn de bepalingen over vertegenwoordiging, nodig in burgerlijke zaken, niet van toepassing.

Artikel 1.5.13

Aan de benadeelde partij die de wens te kennen geeft dat zijn schade in het strafproces wordt vergoed, zendt de officier van justitie een door Onze Minister vastgesteld formulier toe voor de opgave van zijn vordering en de gronden waarop zij berust. Het formulier vermeldt het parket waarbij de benadeelde partij het formulier kan indienen.

Artikel 1.5.14

Op de benadeelde partij die geen slachtoffer is, zijn, voor zover het haar vordering betreft, de artikelen 1.5.3 tot en met 1.5.7 en 1.5.15 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 1.5.15

Artikel 1.6.1

Artikel 1.6.2

Artikel 1.6.3

Artikel 1.6.4

In alle gevallen waarin iemand als getuige wordt verhoord, onthoudt de verhorende ambtenaar zich van alles wat de strekking heeft een verklaring te verkrijgen waarvan niet kan worden gezegd dat zij in vrijheid is afgelegd.

Artikel 1.6.5

Van het afleggen van een verklaring of van het beantwoorden van bepaalde vragen kunnen zich verschonen:

Artikel 1.6.6

Getuigen kunnen zich van het beantwoorden van bepaalde vragen verschonen, indien zij daardoor:

Artikel 1.6.7

Getuigen die in de uitoefening van hun ambt, beroep of stand verplicht zijn tot een geheimhouding waarin besloten ligt dat het belang van de waarheidsvinding moet wijken voor het maatschappelijk belang dat ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaring om bijstand en advies tot hen moet kunnen wenden, kunnen zich van het beantwoorden van bepaalde vragen verschonen. Zij kunnen zich slechts verschonen omtrent de wetenschap over hetgeen rechtstreeks verband houdt met deze taakuitoefening.

Artikel 1.6.8

Artikel 1.6.9

Getuigen die uit hoofde van hun ambt of beroep betrokken zijn bij het verhoor van een bedreigde getuige of een verhoor waarbij artikel 2.10.32 is toegepast, dan wel een daaraan voorafgaand verhoor, kunnen zich van het beantwoorden van bepaalde vragen verschonen voor zover dat ter bescherming van de in artikel 2.10.32, eerste lid, of artikel 2.10.39, eerste lid, genoemde belangen noodzakelijk is.

Artikel 1.6.10

Getuigen die uit hoofde van hun ambt of beroep betrokken zijn bij het verhoor van een afgeschermde getuige verschonen zich van het beantwoorden van een daarover gestelde vraag.

Artikel 1.6.11

Getuigen die als rechter-commissaris of als vertegenwoordiger van het ambt, de beroepsgroep of de stand waartoe de verschoningsgerechtigde behoort, bedoeld in artikel 2.7.62, derde lid, hebben kennisgenomen van aan voorwerpen te ontlenen informatie of gegevens waarover op grond van artikel 2.7.62, eerste lid, onherroepelijk is beslist dat niet tot kennisneming daarvan mag worden overgegaan, verschonen zich van het beantwoorden van een daarover gestelde vraag.

Artikel 1.6.12

Het aantal ondervragingen van een minderjarige getuige wordt tot een minimum beperkt.

Artikel 1.6.13

Artikel 1.6.14

Artikel 1.6.15

Artikel 1.7.1

Artikel 1.7.2

Artikel 1.7.3

Artikel 1.7.4

Artikel 1.7.5

Artikel 1.7.6

Artikel 1.8.1

Tot de processtukken behoren alle stukken die voor de in het kader van de berechting door de rechter te nemen beslissingen redelijkerwijs van belang kunnen zijn, behoudens de stukken waarvan de voeging overeenkomstig het bepaalde in artikel 1.8.3 achterwege wordt gelaten.

Artikel 1.8.2

Artikel 1.8.3

Artikel 1.8.4

Artikel 1.8.5

Artikel 1.8.6

Artikel 1.8.7

Aan de verdachte mag niet de volledige kennisneming worden onthouden van:

Artikel 1.8.8

Artikel 1.8.9

Artikel 1.8.10

De kennisneming van alle processtukken mag de verdachte niet worden onthouden zodra de procesinleiding is ingediend dan wel een strafbeschikking is uitgevaardigd.

Artikel 1.8.11

Artikel 1.8.12

Artikel 1.8.13

Artikel 1.9.1

Artikel 1.9.2

Artikel 1.9.3

Artikel 1.9.4

Artikel 1.9.5

Artikel 1.9.6

Artikel 1.9.7

Artikel 1.9.8

Artikel 1.9.9

Artikel 1.9.10

Artikel 1.9.11

Artikel 1.9.12

Artikel 1.9.13

Artikel 1.9.14

Indien het bericht is uitgereikt aan de autoriteit waarvan het is uitgegaan, zendt deze autoriteit direct een kopie van het bericht aan het adres waar het is aangeboden. Toezending kan achterwege blijven als bij het aanbieden van het bericht een kopie is achtergelaten.

Artikel 1.9.15

Artikel 1.9.16

Artikel 1.9.17

Artikel 1.11.1

In deze titel wordt verstaan onder:

Artikel 1.11.2

Artikel 1.11.3

Artikel 1.11.4

Artikel 1.11.5

Artikel 1.11.6

Artikel 1.11.7

Artikel 1.11.8

Artikel 1.11.9

Artikel 1.11.10

Artikel 2.1.1

Tenzij de wet anders bepaalt, worden verstaan onder:

Artikel 2.1.2

Artikel 2.1.3

Een bevoegdheid wordt alleen uitgeoefend indien:

Artikel 2.1.4

Bij de uitoefening van een bevoegdheid brengt de opsporingsambtenaar een persoon niet tot andere strafbare feiten dan die waarop zijn opzet al tevoren was gericht.

Artikel 2.1.5

Voor de uitoefening van de bevoegdheden omschreven in dit wetboek ter bepaling van wederrechtelijk verkregen voordeel kan onder verdenking mede een veroordeling worden verstaan.

Artikel 2.1.6

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen bevoegdheden worden niet uitgeoefend dan na voorafgaande toestemming van het College van procureurs-generaal. De toestemming wordt vastgelegd.

Artikel 2.1.7

Artikel 2.1.7a

Artikel 2.1.8

Tenzij de wet anders bepaalt wordt voor de uitoefening van bevoegdheden als bedoeld in dit boek met een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld, gelijkgesteld:

Artikel 2.1.9

Opsporingsambtenaren zijn ter uitvoering van hun taak bevoegd om in overeenstemming met de geldende rechtsregels onderzoekshandelingen te verrichten.

Artikel 2.1.10

Artikel 2.1.11

Artikel 2.1.12

Artikel 2.1.13

Artikel 2.1.14

Artikel 2.1.15

Artikel 2.1.16

Artikel 2.1.17

Artikel 2.2.1

Artikel 2.2.2

De opsporingsambtenaar is verplicht om de aangifte en de intrekking van het verzoek om vervolging in ontvangst te nemen.

Artikel 2.2.3

Ieder die kennis draagt van een misdrijf als omschreven in de artikelen 92 tot en met 110, 157 tot en met 176b voor zover daardoor levensgevaar is veroorzaakt, 242, 278, 282 voor zover daarbij sprake is van vrijheidsbeneming op een plaats die daarvoor niet bij of krachtens de wet bestemd is, 287 tot en met 294 en 296 van het Wetboek van Strafrecht is verplicht daarvan direct aangifte te doen bij een opsporingsambtenaar. Gelijke verplichting geldt ten aanzien van een ieder die kennis draagt van een terroristisch misdrijf.

Artikel 2.2.4

Artikel 2.2.5

De artikelen 2.2.3 en 2.2.4, eerste lid, zijn niet van toepassing op de personen bedoeld in de artikelen 1.6.5 tot en met 1.6.11 voor zover dit zou leiden tot het verstrekken van informatie waarover zij zich zouden kunnen of moeten verschonen, indien zij als getuige daarnaar zouden zijn gevraagd.

Artikel 2.2.6

De aangifte kan mondeling of schriftelijk worden gedaan door de aangever in persoon of door een persoon die daartoe schriftelijk door de aangever is gevolmachtigd. Indien de aangifte wordt gedaan door een gemachtigde verstrekt deze daarbij de volmacht.

Artikel 2.2.7

Artikel 2.2.8

De schriftelijke aangifte wordt door de aangever of zijn gemachtigde ondertekend.

Artikel 2.2.9

Artikel 2.2.10

De artikelen 2.2.6 tot en met 2.2.9 zijn van overeenkomstige toepassing op de intrekking van een verzoek om vervolging.

Artikel 2.2.11

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over het indienen en intrekken van een klacht langs diplomatieke weg. Bij die algemene maatregel van bestuur kan van artikel 2.2.1, derde lid, worden afgeweken.

Artikel 2.3.1

Artikel 2.3.2

Artikel 2.3.3

Artikel 2.3.4

Artikel 2.3.5

Het verhoor van een aangehouden verdachte vindt zoveel mogelijk plaats op een plaats die is bestemd voor het verhoren van verdachten of op een andere door de officier van justitie of de hulpofficier van justitie aangewezen plaats voor verhoor.

Artikel 2.3.6

Voor het verhoor wordt de verdachte meegedeeld dat hij niet verplicht is tot antwoorden. Deze mededeling wordt in het proces-verbaal van verhoor vermeld.

Artikel 2.3.7

Artikel 2.3.8

Artikel 2.3.9

Artikel 2.3.10

Artikel 2.3.11

Artikel 2.3.12

Artikel 2.4.1

Artikel 2.4.2

Artikel 2.4.3

Artikel 2.4.4

Artikel 2.5.1

Artikel 2.5.2

Artikel 2.5.3

Artikel 2.5.4

Artikel 2.5.5

Artikel 2.5.6

Artikel 2.5.7

Artikel 2.5.8

De opsporingsambtenaar stelt de identiteit van de aangehouden verdachte vast op de wijze, bedoeld in artikel 1.4.8, eerste lid. Hij onderzoekt tevens een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.

Artikel 2.5.9

Artikel 2.5.10

Artikel 2.5.11

De verdachte wordt aan het einde van de termijn gedurende welke het bevel tot het ophouden voor onderzoek van kracht is, of zoveel eerder als het belang van het onderzoek toelaat, in vrijheid gesteld, tenzij zijn inverzekeringstelling is bevolen.

Artikel 2.5.12

Artikel 2.5.13

Artikel 2.5.14

Artikel 2.5.15

Artikel 2.5.16

Artikel 2.5.17

Artikel 2.5.18

Voor de toepassing van de bepalingen van deze titel wordt onder de in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd mede begrepen de tijd gedurende welke de verdachte in verzekering was gesteld.

Artikel 2.5.19

Na de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting worden beslissingen over de voorlopige hechtenis door de rechter genomen bij de behandeling van de zaak.

Artikel 2.5.20

In de gevallen waarin de raadkamer over de voorlopige hechtenis oordeelt, is het onderzoek op de zitting niet openbaar, tenzij het bevel tot gevangenhouding of gevangenneming in eerste aanleg meer dan drie maanden van kracht is dan wel toewijzing van de vordering van de officier van justitie ertoe leidt dat het bevel tot gevangenhouding of gevangenneming in eerste aanleg meer dan drie maanden van kracht is.

Artikel 2.5.21

Artikel 2.5.22

Artikel 2.5.23

Artikel 2.5.24

Artikel 2.5.25

In geval van voorlopige hechtenis is artikel 2.5.16 in eerste aanleg van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.5.26

Artikel 2.5.27

Artikel 2.5.28

Een bevel tot voorlopige hechtenis kan ook worden gegeven of verlengd op de grond dat in het eindvonnis of in het eindarrest een vrijheidsbenemende maatregel is of wordt opgelegd of een gevangenisstraf waarvan het onvoorwaardelijke deel de duur van de door de verdachte in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd overtreft.

Artikel 2.5.29

Artikel 2.5.30

Een bevel tot voorlopige hechtenis blijft achterwege, wanneer ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat aan de verdachte in geval van veroordeling geen onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel zal worden opgelegd, dan wel dat hem bij tenuitvoerlegging van het bevel langer zijn vrijheid ontnomen zou blijven dan de duur van de straf of maatregel.

Artikel 2.5.31

Indien de rechter met inachtneming van de bepalingen van deze afdeling de voorlopige hechtenis van de verdachte beveelt, gaat hij na of de tenuitvoerlegging van dit bevel, hetzij onmiddellijk, hetzij na een bepaald tijdsverloop, kan worden geschorst.

Artikel 2.5.32

Artikel 2.5.33

Artikel 2.5.34

Artikel 2.5.35

Artikel 2.5.36

Artikel 2.5.37

Artikel 2.5.38

Artikel 2.5.39

Artikel 2.5.40

In geval de officier van justitie de verdachte ervan in kennis stelt dat hij hem niet zal vervolgen voor een feit waarvoor voorlopige hechtenis is bevolen, wordt dat bevel van rechtswege opgeheven en wordt daarvan in de kennisgeving melding gemaakt. De kennisgeving wordt aan de verdachte betekend.

Artikel 2.5.41

Het bevel tot voorlopige hechtenis wordt van rechtswege opgeheven op het moment waarop het eindvonnis of het eindarrest onherroepelijk wordt.

Artikel 2.5.42

Artikel 2.5.43

Artikel 2.5.44

Artikel 2.5.45

Artikel 2.5.46

Artikel 2.5.47

Artikel 2.5.48

Indien binnen de termijn gedurende welke het bevel tot gevangenhouding of gevangenneming van kracht is, een bezwaarschrift op grond van artikel 3.2.1 is ingediend, blijft dat bevel van kracht totdat een maand is verstreken na de dag waarop onherroepelijk op het bezwaarschrift is beslist. Indien het onderzoek op de terechtzitting binnen deze termijn aanvangt, blijft het bevel van kracht totdat twee maanden na de dag van het eindvonnis zijn verstreken.

Artikel 2.5.49

Artikel 2.5.50

Artikel 2.5.51

Na het instellen van hoger beroep tegen het eindvonnis worden de bevelen tot voorlopige hechtenis of tot verlenging daarvan gegeven door het gerechtshof.

Artikel 2.5.52

Artikel 2.5.53

Artikel 2.5.54

Het bevel tot voorlopige hechtenis of tot verlenging daarvan blijft van kracht indien het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep aanvangt voor het einde van de voor dat bevel geldende termijn. Hetzelfde geldt voor een bevel tot gevangenneming dat door het gerechtshof op de terechtzitting is gegeven.

Artikel 2.5.55

Artikel 2.5.56

Artikel 2.5.57

Artikel 2.5.58

De verdachte kan tegen het bevel tot het opleggen van de maatregelen, bedoeld in artikel 2.5.16, eerste lid, onderdeel a, een bezwaarschrift indienen bij de rechter-commissaris. In geval van voorlopige hechtenis wordt het bezwaarschrift ingediend bij de rechter-commissaris die de bewaring heeft bevolen dan wel de rechtbank die de gevangenhouding of gevangenneming heeft bevolen.

Artikel 2.5.59

Artikel 2.5.60

Artikel 2.5.61

Artikel 2.5.62

Artikel 2.5.63

Artikel 2.5.64

Artikel 2.6.1

De volgende bevelen van de officier van justitie als bedoeld in dit hoofdstuk worden afzonderlijk vastgelegd:

Artikel 2.6.2

De bevoegdheden, omschreven in de artikelen 2.6.6 tot en met 2.6.8, 2.6.10 tot en met 2.6.18, 2.6.20 en 2.6.21, kunnen ten aanzien van een verdachte alleen worden uitgeoefend als hij is opgehouden voor onderzoek of in verzekering of in voorlopige hechtenis is gesteld. Deze bevoegdheden kunnen ook in geval van staandehouding of aanhouding van de verdachte worden uitgeoefend indien dat in die artikelen is bepaald.

Artikel 2.6.3

Artikel 2.6.4

Een onderzoek als bedoeld in Titel 6.5 kan alleen met toestemming van een persoon die behoort tot een groep van vijftien of meer personen waarbinnen de mogelijke dader van het misdrijf of een familielid van de mogelijke dader kan worden gevonden, worden verricht indien:

Artikel 2.6.5

Artikel 2.6.6

Artikel 2.6.7

Artikel 2.6.8

Artikel 2.6.9

Artikel 2.6.10

Artikel 2.6.11

Artikel 2.6.12

Artikel 2.6.13

Artikel 2.6.14

Artikel 2.6.15

Artikel 2.6.16

Artikel 2.6.17

Artikel 2.6.18

Artikel 2.6.19

Artikel 2.6.20

Artikel 2.6.21

Artikel 2.6.22

Indien de uitslag van het onderzoek of het herhaalde onderzoek positief is en uitwijst dat het slachtoffer met dezelfde ziekte besmet is als de verdachte of de derde, kan de officier van justitie bevelen dat een onderzoek wordt verricht aan het op grond van artikel 2.6.20 verkregen celmateriaal, dat is gericht op het vaststellen of die ziekte daadwerkelijk op het slachtoffer is overgedragen.

Artikel 2.6.23

Artikel 2.6.24

Artikel 2.6.25

Artikel 2.6.26

Artikel 2.6.27

Artikel 2.7.1

Bevelen van de rechter-commissaris, de officier van justitie of de hulpofficier van justitie als bedoeld in dit hoofdstuk worden afzonderlijk vastgelegd met uitzondering van:

Artikel 2.7.2

Een bevel als bedoeld in dit hoofdstuk wordt niet gegeven aan de verdachte, tenzij de wet anders bepaalt.

Artikel 2.7.3

Artikel 2.7.4

Artikel 2.7.5

Artikel 2.7.6

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de wijze van inbeslagneming van en beëindiging van het beslag op vorderingen, rechten aan toonder en order, aandelen en effecten op naam, onroerende registergoederen, schepen en luchtvaartuigen.

Artikel 2.7.7

De opsporingsambtenaar die de verdachte staande houdt of aanhoudt, kan voor inbeslagneming vatbare voorwerpen die de verdachte met zich voert in beslag nemen.

Artikel 2.7.8

In geval van ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit of in geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld, kan een opsporingsambtenaar daarvoor vatbare voorwerpen in beslag nemen.

Artikel 2.7.9

Artikel 2.7.10

In geval van ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit of in geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld, kan een opsporingsambtenaar:

Artikel 2.7.11

Artikel 2.7.12

Artikel 2.7.13

Artikel 2.7.14

Een opsporingsambtenaar die met toestemming van de bewoner ter inbeslagneming een woning wenst te doorzoeken, legitimeert zich en vraagt voorafgaand aan de doorzoeking toestemming aan de bewoner nadat hij deze op het doel van de doorzoeking en de gevolgen van zijn toestemming heeft gewezen. De toestemming wordt vooraf, afzonderlijk vastgelegd.

Artikel 2.7.15

In geval van doorzoeking van een plaats is de rechthebbende van die plaats bevoegd zich door een advocaat te doen bijstaan. De doorzoeking mag daardoor niet worden opgehouden.

Artikel 2.7.16

Artikel 2.7.17

Artikel 2.7.18

Artikel 2.7.19

Artikel 2.7.20

De machtiging, bedoeld in artikel 2.7.19, zesde lid, wordt direct aan de verdachte, en zo het beslag onder een derde is gelegd, ook aan deze, betekend:

Artikel 2.7.21

Artikel 2.7.22

Artikel 2.7.23

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de uitvoering van de bepalingen van deze afdeling.

Artikel 2.7.24

Artikel 2.7.25

De officier van justitie of de hulpofficier van justitie aan wie de in artikel 2.7.17 bedoelde kennisgeving van inbeslagneming is voorgelegd, beslist zo spoedig mogelijk over het voortduren van het beslag. Verzet het belang van de strafvordering zich niet of niet langer tegen teruggave, dan beveelt hij de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp aan de beslagene, tenzij toepassing wordt gegeven aan de artikelen 2.7.26 of 2.7.27. De hulpofficier van justitie pleegt zo nodig overleg met de officier van justitie voordat hij een beslissing neemt.

Artikel 2.7.26

Artikel 2.7.27

Artikel 2.7.28

Artikel 2.7.29

Artikel 2.7.30

Artikel 2.7.31

Artikel 2.7.32

Artikel 2.7.33

Beslissingen genomen op grond van de bepalingen van deze afdeling laten ieders rechten ten aanzien van het voorwerp onverlet.

Artikel 2.7.34

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de uitvoering van de bepalingen van deze afdeling.

Artikel 2.7.35

Artikel 2.7.36

Artikel 2.7.37

Artikel 2.7.38

Artikel 2.7.39

Artikel 2.7.40

Artikel 2.7.41

De opsporingsambtenaar kan, in afwachting van een bevel als bedoeld in de artikelen 2.7.38 en 2.7.40, ten behoeve van het onderzoek van gegevens de maatregelen nemen die redelijkerwijs noodzakelijk zijn ter voorkoming van wegmaking, onbruikbaarmaking, wijziging of verlies van gegevens.

Artikel 2.7.42

Artikel 2.7.43

Artikel 2.7.44

Artikel 2.7.45

Artikel 2.7.46

Artikel 2.7.47

Artikel 2.7.48

Artikel 2.7.49

Artikel 2.7.50

Artikel 2.7.51

Artikel 2.7.52

De officier van justitie kan bij of direct na de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 2.7.46 tot en met 2.7.49, degene van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij de versleuteling ongedaan kan maken van de in deze artikelen bedoelde gegevens, bevelen medewerking te verlenen aan het verkrijgen van toegang tot de versleutelde gegevens.

Artikel 2.7.53

De bepalingen in deze afdeling zijn van overeenkomstige toepassing:

Artikel 2.7.54

Het is toegestaan te verzoeken om vrijwillige verstrekking van persoonsgegevens in de gevallen waarin een bevel tot uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in deze afdeling, kan worden gegeven, mits het verzoek zodanig is gemotiveerd dat het de verwerkingsverantwoordelijke in staat stelt te beoordelen of aan de voorwaarden voor verstrekking op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming is voldaan.

Artikel 2.7.55

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het bepaalde in deze afdeling en in het bijzonder met betrekking tot de gegevens waarvan de verstrekking kan worden bevolen, de wijze waarop een bevel wordt gegeven en de wijze waarop gegevens worden verstrekt.

Artikel 2.7.56

Artikel 2.7.57

Artikel 2.7.58

Artikel 2.7.59

Artikel 2.7.60

Bij functioneel verschoningsgerechtigden worden daarvoor vatbare voorwerpen waarover het functioneel verschoningsrecht zich uitstrekt niet inbeslaggenomen en worden gegevens waarover het functioneel verschoningsrecht zich uitstrekt niet overgenomen, tenzij:

Artikel 2.7.61

Behoudens artikel 2.7.62, vierde lid, kan van gegevens of aan voorwerpen te ontlenen informatie waarover het functioneel verschoningsrecht zich uitstrekt geen kennis worden genomen, tenzij:

Artikel 2.7.62

Artikel 2.7.63

Artikel 2.7.64

In gevallen waarin de rechter-commissaris beslist dat mag worden kennisgenomen van de gegevens of aan voorwerpen te ontlenen informatie wordt, tenzij de functioneel verschoningsgerechtigde toestemming voor de kennisneming heeft gegeven, pas tot kennisneming overgegaan:

Artikel 2.7.65

Artikel 2.7.66

Artikel 2.7.67

Artikel 2.7.68

Artikel 2.7.69

Artikel 2.7.70

Artikel 2.7.71

Artikel 2.8.1

Artikel 2.8.2

Artikel 2.8.3

Artikel 2.8.4

Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over:

Artikel 2.8.5

Artikel 2.8.6

Artikel 2.8.7

Artikel 2.8.8

Artikel 2.8.9

Artikel 2.8.10

Artikel 2.8.11

Artikel 2.8.12

Artikel 2.8.13

Artikel 2.8.14

Artikel 2.8.15

Artikel 2.8.16

Artikel 2.8.17

[Gereserveerd]

Artikel 2.8.18

Artikel 2.8.19

Artikel 2.8.20

Bevelen tot uitoefening van een bevoegdheid als bedoeld in Titel 8.2, met uitzondering van bevelen tot uitoefening van de in artikel 2.8.16 omschreven bevoegdheid, kunnen ook worden gegeven aan een persoon in de openbare dienst van een vreemde staat. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen eisen worden gesteld aan deze persoon.

Artikel 2.8.21

Artikel 2.8.22

Artikel 2.8.23

Artikel 2.9.1

Artikel 2.10.1

Artikel 2.10.2

Artikel 2.10.3

Artikel 2.10.4

Indien de rechter-commissaris op vordering van de officier van justitie of ambtshalve onderzoek verricht, kan de verdachte de rechter-commissaris verzoeken aanvullend onderzoek te doen. Artikel 2.10.2, tweede en derde lid, is van toepassing.

Artikel 2.10.5

Artikel 2.10.6

Artikel 2.10.7

Artikel 2.10.8

De rechter-commissaris kan, zoveel mogelijk door tussenkomst van de officier van justitie, het doen van nasporingen opdragen en bevelen geven aan opsporingsambtenaren.

Artikel 2.10.9

Artikel 2.10.10

Artikel 2.10.11

Artikel 2.10.12

Voor de verdachte die geen raadsman heeft, wordt in opdracht van de rechter-commissaris door het bestuur van de raad voor rechtsbijstand een raadsman aangewezen, indien die raadsman bevoegd zou zijn enig verhoor bij te wonen.

Artikel 2.10.13

De rechter-commissaris kan de verdachte voor zich laten verschijnen voor verhoor. Hij kan de verdachte die in vrijheid is oproepen. De rechter-commissaris kan bepalen dat de oproeping wordt betekend. De verdachte is verplicht op de oproeping van de rechter-commissaris te verschijnen.

Artikel 2.10.14

Indien de verdachte in vrijheid is en op een betekende oproeping niet verschijnt, kan de rechter-commissaris hem opnieuw oproepen en daarbij of nadien een bevel tot medebrenging geven.

Artikel 2.10.15

Indien het belang van het onderzoek dit dringend vereist kan de rechter-commissaris bevelen dat de overeenkomstig artikel 2.10.14 meegebrachte verdachte gedurende ten hoogste twee dagen in een door hem aan te wijzen plaats in verzekering wordt gesteld.

Artikel 2.10.16

Artikel 2.10.17

De rechter-commissaris deelt de verdachte mee dat hij niet verplicht is tot antwoorden. Deze mededeling wordt in het proces-verbaal vermeld.

Artikel 2.10.18

Artikel 2.10.19

Artikel 2.10.20

Artikel 2.10.21

Artikel 2.10.22

De rechter-commissaris houdt de verdachte bij zijn verhoor de korte inhoud voor van de verklaringen van getuigen en deskundigen die hij buiten aanwezigheid van de verdachte heeft verhoord, voor zover naar het oordeel van de rechter-commissaris het belang van het onderzoek zich daartegen niet verzet. Indien de verdachte de wetenschap van bepaalde verklaringen of gedeelten daarvan wordt onthouden, deelt de rechter-commissaris hem dit mee.

Artikel 2.10.23

De rechter-commissaris kan bevelen dat de verdachte die zich in voorlopige hechtenis bevindt, indien het noodzakelijk is dat een onderzoek zal worden ingesteld naar zijn geestvermogens en dit niet voldoende op een andere wijze kan plaatsvinden, ter observatie wordt overgebracht naar een in het bevel aan te duiden accommodatie, bedoeld in artikel 90sexies van het Wetboek van Strafrecht, of een instelling voor klinische observatie.

Artikel 2.10.24

Artikel 2.10.25

Artikel 2.10.26

Artikel 2.10.27

Op het verhoor van de getuige zijn de artikelen 2.10.14, 2.10.15, 2.10.16, 2.10.18, 2.10.20 en 2.10.21 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.10.28

Artikel 2.10.29

Artikel 2.10.30

Artikel 2.10.31

Artikel 2.10.32

Artikel 2.10.33

Artikel 2.10.34

Artikel 2.10.35

Artikel 2.10.36

Artikel 2.10.37

Alle beslissingen waarbij gijzeling wordt bevolen of verlengd, of waarbij een verzoek van de getuige tot invrijheidstelling wordt afgewezen, worden binnen een dag aan de getuige betekend.

Artikel 2.10.38

Artikel 2.10.39

Artikel 2.10.40

Artikel 2.10.41

Artikel 2.10.42

Artikel 2.10.43

Tijdens het verhoor onderzoekt de rechter-commissaris de betrouwbaarheid van de bedreigde getuige en legt daarover in het proces-verbaal rekenschap af.

Artikel 2.10.44

Artikel 2.10.45

Artikel 2.10.46

Artikel 2.10.47

Artikel 2.10.48

Tijdens het verhoor van de afgeschermde getuige onderzoekt de rechter-commissaris de betrouwbaarheid van de verklaring van de afgeschermde getuige. Hij legt daarover in het proces-verbaal rekenschap af.

Artikel 2.10.49

Artikel 2.10.50

Artikel 2.10.51

De rechter-commissaris in de rechtbank Rotterdam is bij uitsluiting bevoegd tot het uitoefenen van bevoegdheden als omschreven in deze afdeling, ook binnen het rechtsgebied van een andere rechtbank. Artikel 1.2.26, vierde lid, tweede zin, is niet van toepassing.

Artikel 2.10.52

Artikel 2.10.53

Artikel 2.10.54

Artikel 2.10.55

Artikel 2.10.56

De rechter-commissaris kan een benoemde of een andere deskundige verhoren. De rechter-commissaris roept hem daartoe op. De rechter-commissaris kan bepalen dat de oproeping wordt betekend. De deskundige is verplicht op de oproeping van de rechter-commissaris te verschijnen.

Artikel 2.10.57

Artikel 2.10.58

Op het verhoor van de deskundige zijn de artikelen 1.6.4, 2.10.14, 2.10.16, 2.10.18, 2.10.20, 2.10.21, 2.10.28 en 2.10.29, 2.10.32 en 2.10.33 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.10.59

Artikel 2.10.60

Artikel 2.10.61

De beslissing van de rechter-commissaris wordt direct ter kennis gebracht van de officier van justitie en betekend aan de getuige.

Artikel 2.10.62

Artikel 2.10.63

Artikel 2.10.64

Artikel 2.10.65

De rechter-commissaris kan na ontvangst van de kennisgeving, bedoeld in artikel 2.10.64, en indien hij op grond van de artikelen 2.10.1 tot en met 2.10.4 onderzoek verricht tevens ambtshalve, in het belang van de voortgang van het onderzoek de officier van justitie en de verdachte een termijn stellen voor het indienen of onderbouwen van een vordering of een verzoek. Hij voegt de termijnstelling bij de processtukken.

Artikel 2.10.66

Artikel 2.10.67

Artikel 2.10.68

Artikel 2.10.69

Artikel 2.10.70

Artikel 2.10.71

Artikel 2.10.72

Artikel 3.1.1

Artikel 3.1.2

Indien een vervolging eindigt met een eindvonnis of eindarrest over de vragen, bedoeld in artikel 4.3.1, neemt de officier van justitie zo spoedig mogelijk een beslissing over het alsnog voortzetten van de vervolging. Artikel 3.4.2 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.1.3

Artikel 3.1.4

Na een verklaring dat de zaak is geëindigd, kan tegen de gewezen verdachte geen vervolging worden ingesteld of voortgezet voor hetzelfde feit, behoudens in het geval nieuwe bezwaren bekend zijn geworden. Artikel 3.4.3, tweede tot en met vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.2.1

Artikel 3.2.2

Artikel 3.2.3

Artikel 3.2.4

Na een buitenvervolgingstelling kan de gewezen verdachte niet opnieuw worden vervolgd voor hetzelfde feit, behoudens in het geval nieuwe bezwaren bekend zijn geworden. Artikel 3.4.3, tweede tot en met vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.3.1

Artikel 3.3.2

Artikel 3.3.3

Artikel 3.3.4

Artikel 3.3.5

Artikel 3.3.6

Artikel 3.3.7

Indien tegen de verdachte een strafbeschikking is uitgevaardigd die volledig is tenuitvoergelegd of die door de officier van justitie wordt ingetrokken kan de verdachte, behoudens een daartoe strekkend bevel van het gerechtshof op grond van Hoofdstuk 5, voor hetzelfde feit niet opnieuw worden vervolgd.

Artikel 3.3.8

Artikel 3.4.1

Artikel 3.4.2

Artikel 3.4.3

Artikel 3.5.1

Artikel 3.5.2

Onder rechtstreeks belanghebbende wordt mede verstaan een rechtspersoon die krachtens zijn doelstelling en blijkens zijn feitelijke werkzaamheden een belang behartigt dat door het achterwege blijven van opsporing, vervolging of voortzetting van de vervolging van een strafbaar feit, of door het vervolgen van een strafbaar feit door middel van een strafbeschikking rechtstreeks wordt getroffen.

Artikel 3.5.3

Na een buitenvervolgingstelling of een verklaring dat de zaak is geëindigd, is beklag ter zake van hetzelfde feit niet toegelaten, tenzij degene op wie het beklag betrekking heeft niet de gewezen verdachte is.

Artikel 3.5.4

Artikel 3.5.5

Artikel 3.5.6

Artikel 3.5.7

Artikel 3.5.8

Artikel 3.5.9

Artikel 3.5.10

Artikel 3.5.11

Artikel 3.5.12

De leden van het gerechtshof die over het beklag hebben geoordeeld, nemen geen deel aan de berechting.

Artikel 3.6.1

Artikel 3.6.2

Artikel 3.6.3

Indien binnen twee weken geen kopie of een geanonimiseerde kopie van de strafbeschikking wordt verstrekt als bedoeld in artikel 3.3.8, tweede lid, kan de verzoeker een klaagschrift indienen bij de officier van justitie, die het klaagschrift en de processtukken zo spoedig mogelijk ter kennis brengt van de rechtbank. De betrokken procespartij en haar raadsman of advocaat kunnen, in afwijking van artikel 1.2.15, tweede lid, niet van de inhoud van de processtukken kennisnemen dan voor zover de rechtbank dat toestaat.

Artikel 4.1.1

Artikel 4.1.2

Artikel 4.1.3

De voorzitter van de rechtbank kan ter voorbereiding van de terechtzitting overleg voeren met de officier van justitie en de verdachte. Hij stelt hen in kennis van standpunten die de ander in dat overleg heeft ingenomen en door hem genomen beslissingen.

Artikel 4.1.4

Artikel 4.1.5

De voorzitter van de rechtbank kan ambtshalve, op vordering van de officier van justitie of op verzoek van de verdachte, de officier van justitie en de verdachte in de gelegenheid stellen voorafgaand aan het onderzoek op de terechtzitting schriftelijk standpunten uit te wisselen.

Artikel 4.1.6

Artikel 4.1.7

Artikel 4.1.8

Artikel 4.1.9

Vorderingen en verzoeken op grond van de bepalingen in deze titel worden gemotiveerd.

Artikel 4.1.10

Artikel 4.1.11

Artikel 4.1.12

Artikel 4.1.13

Artikel 4.1.14

Artikel 4.1.15

Artikel 4.2.1

Artikel 4.2.2

Artikel 4.2.3

Artikel 4.2.4

De rechtbank kan bepalen dat van het onderzoek op de terechtzitting een geluidsopname of een geluids- en beeldopname wordt gemaakt. De voorzitter doet daarvan mededeling.

Artikel 4.2.5

Artikel 4.2.6

Artikel 4.2.7

Artikel 4.2.8

Artikel 4.2.9

Artikel 4.2.10

Artikel 4.2.11

De voorzitter opent het onderzoek door het doen uitroepen van de zaak tegen de verdachte.

Artikel 4.2.12

De voorzitter deelt de verdachte mee dat hij oplettend moet zijn op hetgeen hij zal horen en dat hij niet tot antwoorden verplicht is.

Artikel 4.2.13

Artikel 4.2.14

De verdachte die niet verschijnt, kan zich op de terechtzitting laten verdedigen door een raadsman die verklaart daartoe uitdrukkelijk te zijn gemachtigd.

Artikel 4.2.15

Artikel 4.2.16

De voorzitter stelt vast welke getuigen, deskundigen, slachtoffers, personen die op grond van artikel 1.5.8 het spreekrecht kunnen uitoefenen en tolken op de terechtzitting zijn verschenen.

Artikel 4.2.17

Artikel 4.2.18

Artikel 4.2.19

Artikel 4.2.20

Artikel 4.2.21

Artikel 4.2.22

Verschenen getuigen worden verhoord, tenzij daarvan wordt afgezien met toestemming van de officier van justitie en de verdachte dan wel op de gronden, bedoeld in artikel 4.2.19, tweede lid, onderdelen b en c. Artikel 4.2.20 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4.2.23

De voorzitter bepaalt in welke volgorde de verdachte, de getuige en de deskundige worden verhoord, het spreekrecht wordt uitgeoefend en het overige onderzoek op de terechtzitting wordt verricht.

Artikel 4.2.24

Alle bepalingen in deze titel over getuigen zijn van overeenkomstige toepassing op deskundigen.

Artikel 4.2.25

Artikel 4.2.26

Artikel 4.2.27

Artikel 4.2.28

Artikel 4.2.29

De rechtbank kan de officier van justitie en de verdachte in de gelegenheid stellen schriftelijk standpunten uit te wisselen.

Artikel 4.2.30

Artikel 4.2.31

Artikel 4.2.32

Artikel 4.2.33

De voorzitter toont zo nodig stukken van overtuiging. De voorzitter kan de verdachte, getuigen en deskundigen hierover verhoren.

Artikel 4.2.34

De rechtbank kan bepalen dat door een opsporingsambtenaar dan wel de rechter-commissaris en diens griffier van hetgeen op een geluids- of beeldopname is vastgelegd alsnog volledig proces-verbaal wordt opgemaakt.

Artikel 4.2.35

Artikel 4.2.36

Artikel 4.2.37

Artikel 4.2.38

Artikel 4.2.39

Artikel 4.2.40

Artikel 4.2.41

Artikel 4.2.42

De rechtbank kan getuigen tegenover elkaar stellen.

Artikel 4.2.43

Artikel 4.2.44

Artikel 4.2.45

Artikel 4.2.46

Degene die op grond van artikel 1.5.8 het spreekrecht kan uitoefenen, krijgt de gelegenheid om een verklaring af te leggen. Indien meer dan drie indirecte slachtoffers hebben meegedeeld dat zij van hun spreekrecht gebruik willen maken, en zij het onderling niet eens kunnen worden over wie van hen het woord zal voeren, beslist de voorzitter welke drie personen van het spreekrecht gebruik kunnen maken. De beslissing van de voorzitter laat onverlet dat de echtgenoot, geregistreerde partner of een andere levensgezel het woord kan voeren ter uitoefening van het spreekrecht.

Artikel 4.2.47

De voorzitter en de rechters kunnen degene die het spreekrecht heeft uitgeoefend vragen over zijn verklaring stellen. Nadere vragen van de officier van justitie en de verdachte worden door tussenkomst van de voorzitter gesteld.

Artikel 4.2.48

De officier van justitie legt een lijst met op grond van artikel 2.7.4, eerste lid, inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen over.

Artikel 4.2.49

Artikel 4.2.50

Artikel 4.2.51

Artikel 4.2.52

Artikel 4.2.53

Artikel 4.2.54

Artikel 4.2.55

Artikel 4.2.56

Artikel 4.2.57

Artikel 4.2.58

Artikel 4.2.59

Artikel 4.2.60

Artikel 4.2.61

Artikel 4.2.62

Artikel 4.2.63

Artikel 4.2.64

Voor de sluiting van het onderzoek vraagt de voorzitter, indien de uitspraak niet direct wordt gedaan, aan de verdachte die op de terechtzitting door een tolk is bijgestaan of hij bij de uitspraak aanwezig zal zijn. Indien de verdachte verklaart aanwezig te zullen zijn, deelt de voorzitter de tolk de datum en het tijdstip van de uitspraak mee. Die mededeling geldt als oproeping.

Artikel 4.2.65

Artikel 4.2.66

Artikel 4.2.67

Artikel 4.2.68

Artikel 4.2.69

Artikel 4.2.70

Artikel 4.3.1

De rechtbank onderzoekt op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting de geldigheid van de tenlastelegging, haar bevoegdheid tot kennisneming van het tenlastegelegde feit en de ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Artikel 4.3.2

Indien het onderzoek op grond van artikel 4.3.1 daartoe aanleiding geeft, spreekt de rechtbank de nietigheid van de tenlastelegging, haar onbevoegdheid of de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie uit.

Artikel 4.3.3

Indien het onderzoek op grond van artikel 4.3.1 niet leidt tot toepassing van artikel 4.3.2, beraadslaagt de rechtbank op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting over de vraag of bewezen is dat het feit door de verdachte is begaan, en, zo ja, welk strafbaar feit het bewezenverklaarde volgens de wet oplevert. Indien wordt aangenomen dat het feit bewezen en strafbaar is, beraadslaagt de rechtbank over de vraag of een strafuitsluitingsgrond de strafbaarheid van de verdachte wegneemt en over de oplegging van een of meer bij de wet bepaalde straffen of maatregelen.

Artikel 4.3.4

Artikel 4.3.5

Artikel 4.3.6

Artikel 4.3.7

Artikel 4.3.8

Artikel 4.3.9

Artikel 4.3.10

Artikel 4.3.11

Artikel 4.3.12

Artikel 4.3.13

Artikel 4.3.14

Artikel 4.3.15

Artikel 4.3.16

Indien het onrechtmatig handelen heeft plaatsgevonden buiten het opsporingsonderzoek of de vervolging zijn de artikelen 4.3.13, 4.3.14 en 4.3.15, eerste, tweede en derde lid, van overeenkomstige toepassing indien dat handelen van bepalende invloed is geweest op het opsporingsonderzoek naar of de vervolging van de verdachte ter zake van het tenlastegelegde feit.

Artikel 4.3.17

Artikel 4.3.18

Artikel 4.3.19

Artikel 4.3.20

Artikel 4.3.21

Artikel 4.3.22

Artikel 4.3.23

Artikel 4.3.24

Het eindvonnis dan wel de aanvulling, bedoeld in artikel 4.3.23, derde lid, geeft in het bijzonder de redenen op die hebben geleid tot het gebruik als bewijsmiddel, indien dat gebruik is betwist, van een verklaring die of een schriftelijk stuk dat mededelingen bevat van:

Artikel 4.3.25

Artikel 4.3.26

Artikel 4.3.27

Artikel 4.3.28

Indien de verdachte bij de uitspraak van het eindvonnis aanwezig is, deelt de voorzitter hem mee of een rechtsmiddel tegen het eindvonnis openstaat en, zo ja, binnen welke termijn dat rechtsmiddel kan worden aangewend.

Artikel 4.3.29

Het eindvonnis wordt binnen twee dagen na de uitspraak ondertekend door de rechters die over de zaak hebben geoordeeld en door de griffier die bij de beraadslaging aanwezig is geweest. De griffier brengt het ondertekende vonnis binnen twee weken ter kennis van het openbaar ministerie.

Artikel 4.3.30

Artikel 4.3.31

Artikel 4.3.32

De voorzitter of een andere rechter die over de zaak heeft geoordeeld verstrekt het eindvonnis desgevraagd aan ieder ander dan de verdachte en zijn raadsman, tenzij dit naar zijn oordeel ter bescherming van de belangen van degene ten aanzien van wie het eindvonnis is gewezen of van derden dient te worden geweigerd. In het laatste geval kan een geanonimiseerd eindvonnis, een deel van het eindvonnis of een uittreksel daarvan worden verstrekt.

Artikel 4.4.1

Artikel 4.4.2

Indien het schadeformulier op een zodanig tijdstip is ingediend dat van de voeging geen opgave kan worden gedaan in de procesinleiding, stelt de officier van justitie de voorzitter van de rechtbank en zo mogelijk de verdachte en zijn raadsman zo spoedig mogelijk in kennis van de voeging. Hij maakt daarnaast van de voeging melding bij de voordracht van de zaak.

Artikel 4.4.3

Indien de benadeelde partij zich in het strafproces heeft gevoegd, wordt in de Hoofdstukken 1, 2 en 3 onder slachtoffer en onder procespartijen ook de benadeelde partij begrepen.

Artikel 4.4.4

Indien naar het oordeel van de rechtbank de benadeelde partij kennelijk niet-ontvankelijk is, kan zij zonder nader onderzoek van de vordering de niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij uitspreken.

Artikel 4.4.5

Artikel 4.4.6

Artikel 4.4.7

Artikel 4.4.8

Artikel 4.4.9

Artikel 4.4.10

Indien de verdachte onder toezicht van de reclassering staat, roept de officier van justitie de medewerker die daarmee is belast voor de terechtzitting op. Hij doet van het voornemen tot oproeping opgave in de procesinleiding.

Artikel 4.4.11

Artikel 4.4.12

Artikel 4.4.13

De officier van justitie draagt de stukken die voor de beoordeling van de vordering van belang zijn over aan de rechtbank.

Artikel 4.4.14

De officier van justitie kan de vordering intrekken tot de aanvang van het onderzoek op de zitting. Na intrekking kan de vordering niet opnieuw worden ingediend, tenzij deze was gevoegd bij de berechting en de officier van justitie de verdachte direct kennisgeeft van zijn voornemen de vordering afzonderlijk in te dienen.

Artikel 4.4.15

De rechtbank beraadslaagt naar aanleiding van de vordering en van het onderzoek op de zitting over haar bevoegdheid om van de vordering kennis te nemen, over de ontvankelijkheid van de officier van justitie, over de vraag of de in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht bedoelde maatregel moet worden opgelegd en, zo ja, op welk bedrag de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel is te schatten en op welk bedrag de betalingsverplichting dient te worden vastgesteld.

Artikel 4.4.16

Artikel 4.4.17

Artikel 4.4.18

Artikel 4.4.19

Het vonnis vervalt van rechtswege indien de berechting na het instellen van hoger beroep tegen het veroordelend vonnis eindigt in een onherroepelijk eindvonnis of eindarrest dat geen veroordeling inhoudt.

Artikel 4.4.20

Voeging van de vordering geschiedt doordat de officier van justitie de vordering samen met de procesinleiding bij de rechtbank indient. De officier van justitie doet van de voeging opgave in de procesinleiding.

Artikel 4.4.21

Artikel 4.4.22

Artikel 4.4.23

Artikel 4.4.24

Artikel 4.5.1

Artikel 4.5.2

Artikel 4.5.3

Artikel 4.5.4

Artikel 4.5.5

Artikel 4.5.6

Artikel 4.5.7

Artikel 4.5.8

Artikel 4.5.9

Artikel 4.5.10

Artikel 4.6.1

Artikel 4.6.2

Artikel 4.6.3

Een verzoek als bedoeld in de artikelen 4.6.1 en 4.6.2 kan namens de verdachte of de benadeelde partij worden gedaan door:

Artikel 5.1.1

Rechtsmiddelen staan alleen open in de gevallen bij de wet bepaald.

Artikel 5.1.2

Artikel 5.1.3

Artikel 5.2.1

Artikel 5.2.2

Artikel 5.2.3

Artikel 5.2.4

Artikel 5.2.5

Artikel 5.2.6

Artikel 5.2.7

Artikel 5.2.8

Artikel 5.2.9

Artikel 5.3.1

Artikel 5.3.2

Artikel 5.3.3

Bij het verzet kunnen bezwaren tegen de strafbeschikking worden opgegeven.

Artikel 5.3.4

Artikel 5.3.5

Artikel 5.3.6

Indien de rechtbank de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaart dan wel de verdachte vrijspreekt, ontslaat van alle rechtsvervolging of veroordeelt, vernietigt zij de strafbeschikking.

Artikel 5.4.1

Artikel 5.4.2

Artikel 5.4.3

Artikel 5.4.4

Artikel 5.4.5

Hoger beroep kan door de verdachte en het openbaar ministerie worden ingetrokken tot een week nadat de kennisgeving van de ontvangst van de processtukken aan de verdachte is betekend.

Artikel 5.4.6

Artikel 5.4.7

Artikel 5.4.8

Artikel 5.4.9

Artikel 5.4.10

Artikel 5.4.11

Artikel 5.4.12

De voorzitter van het gerechtshof bepaalt zo spoedig mogelijk na betekening van de kennisgeving van de ontvangst van de processtukken, in overleg met de advocaat-generaal en zo mogelijk in overleg met de verdachte of zijn raadsman de dag en het tijdstip waarop de terechtzitting plaatsvindt.

Artikel 5.4.13

Op de voorbereiding van de terechtzitting zijn de artikelen 4.1.3, 4.1.5, 4.1.6, tweede lid, 4.1.7 en 4.1.8 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5.4.14

De advocaat-generaal en de verdachte kunnen nieuwe stukken van overtuiging aan de voorzitter overdragen.

Artikel 5.4.15

Artikel 5.4.16

Het onderzoek op de terechtzitting vindt plaats overeenkomstig Boek 4, Hoofdstuk 2, voor zover hiervan in de volgende artikelen van deze afdeling niet wordt afgeweken.

Artikel 5.4.17

Artikel 5.4.18

Artikel 5.4.19

Het gerechtshof richt het onderzoek op de terechtzitting op de opgegeven bezwaren tegen het eindvonnis en tussenvonnissen alsmede op hetgeen het verder nodig oordeelt.

Artikel 5.4.20

Artikel 5.4.21

Artikel 5.4.22

In geval van verdenking van meineed brengt de advocaat-generaal het proces-verbaal met de andere processtukken ter kennis van de officier van justitie.

Artikel 5.4.23

Artikel 5.4.24

In afwijking van artikel 4.2.70 kan de voorzitter van het gerechtshof niet bepalen dat een verkort proces-verbaal wordt opgemaakt indien beroep in cassatie is ingesteld.

Artikel 5.4.25

De beraadslaging, de uitspraak en de verstrekking van het eindarrest vinden plaats overeenkomstig Boek 4, Hoofdstuk 3, voor zover hiervan in deze afdeling niet wordt afgeweken.

Artikel 5.4.26

De beraadslaging in hoger beroep vindt plaats naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep. De beraadslaging vindt tevens plaats naar aanleiding van het onderzoek in eerste aanleg, zoals dit volgens het proces-verbaal van die terechtzitting en een geluidsopname of geluids- en beeldopname van die terechtzitting heeft plaatsgehad, tenzij artikel 4.5.9 is toegepast.

Artikel 5.4.27

Artikel 5.4.28

Artikel 5.4.29

Artikel 5.4.30

Indien het eindvonnis is gewezen naar aanleiding van verzet tegen een strafbeschikking, is artikel 5.3.6 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5.4.31

Artikel 5.4.32

Artikel 5.4.33

In afwijking van artikel 4.3.23, derde lid, vindt aanvulling van het eindarrest ook plaats indien het beroep in cassatie meer dan drie maanden na de dag van de uitspraak is ingesteld.

Artikel 5.4.34

Artikel 5.4.35

Artikel 5.4.36

Ingeval van een gevoegde behandeling zijn de artikelen 4.4.3 tot en met 4.4.8 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het gerechtshof artikel 4.4.7 betrekt bij de vraag of het ingestelde hoger beroep al dan niet geheel of gedeeltelijk moet worden verworpen.

Artikel 5.4.37

Artikel 5.4.38

Artikel 5.4.39

Indien in eerste aanleg een vordering tot tenuitvoerlegging is ingediend, zijn de artikelen 4.4.10 en 4.4.11 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het gerechtshof artikel 4.4.11 betrekt bij de vraag of het ingestelde hoger beroep al dan niet geheel of gedeeltelijk moet worden verworpen.

Artikel 5.4.40

Artikel 5.4.41

Artikel 5.4.42

Artikel 5.4.43

Artikel 5.4.44

Artikel 5.4.45

Artikel 5.4.46

Artikel 5.4.47

Artikel 5.4.48

De artikelen 4.6.1, 4.6.2 en 4.6.3 zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5.5.1

Artikel 5.5.2

Tegen een tussenarrest is het beroep in cassatie gelijktijdig met dat tegen het eindarrest toegelaten.

Artikel 5.5.3

Het beroep in cassatie kan ook tegen een gedeelte van het arrest worden ingesteld.

Artikel 5.5.4

Artikel 5.5.5

Artikel 5.5.6

Artikel 5.5.7

Artikel 5.5.8

Artikel 5.5.9

Artikel 5.5.10

Artikel 5.5.11

Artikel 5.5.12

Artikel 5.5.13

Artikel 5.5.14

Het arrest wordt ondertekend door de voorzitter en de raadsheren die over de zaak hebben geoordeeld, alsmede door de griffier die bij de beraadslaging aanwezig is geweest.

Artikel 5.5.15

Het arrest wordt door de Hoge Raad op een openbare zitting uitgesproken in aanwezigheid van de griffier en de procureur-generaal.

Artikel 5.5.16

Artikel 5.5.17

Artikel 5.5.18

Artikel 5.5.19

Op de voorbereiding en behandeling van het beroep in cassatie tegen een arrest uit hoofde van Afdeling 4.2.1 of een arrest uit hoofde van artikel 5.4.48 in verbinding met artikel 4.6.2, eerste lid, zijn de Afdelingen 5.1.2 en 5.1.3 alsmede artikel 5.5.18 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5.5.20

Artikel 5.5.21

Artikel 5.6.1

Artikel 5.6.2

Tegelijk met het instellen van beroep tegen een beslissing van de rechter-commissaris kan een schriftuur met bezwaren worden ingediend.

Artikel 5.6.3

De raadkamer verklaart het beroep niet-ontvankelijk of ongegrond dan wel gegrond. In het laatste geval beveelt de raadkamer hetgeen volgens de wet behoort of had behoren plaats te vinden.

Artikel 5.6.4

Indien het beroep tegen een beslissing van de rechter-commissaris gegrond wordt verklaard, kan de raadkamer bepalen dat onderzoek en beslissingen in het desbetreffende opsporingsonderzoek door een andere rechter-commissaris wordt verricht dan wel worden genomen.

Artikel 5.6.5

Artikel 5.6.6

Het gerecht dat de beslissing heeft genomen draagt de processtukken zo spoedig mogelijk over nadat de termijnen voor het instellen van het rechtsmiddel zijn verstreken aan het gerecht dat naar aanleiding van het rechtsmiddel dient te beslissen.

Artikel 5.6.7

Op het beroep in cassatie tegen een beslissing van de raadkamer is, voor zover de wet niet anders bepaalt, Titel 5.1 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de Hoge Raad de zaak na vernietiging kan terugwijzen naar de rechtbank die de beslissing genomen heeft.

Artikel 5.7.1

Artikel 5.8.1

Artikel 5.8.2

Artikel 5.8.3

De gewezen verdachte heeft het recht zich door een raadsman te doen bijstaan.

Artikel 5.8.4

Artikel 5.8.5

Artikel 5.8.6

Artikel 5.8.7

Artikel 5.8.8

Artikel 5.8.9

Artikel 5.8.10

Artikel 5.8.11

Artikel 5.8.12

Artikel 5.8.13

Artikel 5.8.14

Artikel 5.8.15

Indien de Hoge Raad de herzieningsaanvraag niet gegrond acht, wijst hij die af.

Artikel 5.8.16

Artikel 5.8.17

Artikel 5.8.18

Artikel 5.8.19

Beslissingen als bedoeld in de artikelen 5.8.10 en 5.8.15 tot en met 5.8.17 worden gegeven bij arrest. Deze beslissingen worden gemotiveerd. Het arrest wordt op een openbare zitting uitgesproken in aanwezigheid van de griffier en de procureur-generaal.

Artikel 5.8.20

De beslissingen van de Hoge Raad, bedoeld in de artikelen 5.8.10 en 5.8.15 tot en met 5.8.18 worden zodra mogelijk door de griffier ter kennis gebracht van de gewezen verdachte en van de ambtenaar belast met de tenuitvoerlegging van het onherroepelijke eindvonnis of eindarrest waarvan de herziening is gevraagd of uitgesproken.

Artikel 5.8.21

Artikel 5.8.22

Artikel 5.8.23

Artikel 5.8.24

Artikel 5.8.25

Artikel 5.8.26

Artikel 5.8.27

Artikel 5.8.28

Artikel 5.8.29

Artikel 5.8.30

Artikel 5.8.31

Artikel 5.8.32

Artikel 5.8.33

Artikel 5.8.34

Artikel 5.8.35

Artikel 6.1.1

De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op de verdachte die ten tijde van het begaan van het strafbaar feit nog niet de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt.

Artikel 6.1.2

Tegen de verdachte kan geen vervolging worden ingesteld.

Artikel 6.1.3

Artikel 6.1.4

De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op de verdachte die ten tijde van het begaan van het strafbaar feit de leeftijd van twaalf jaar maar nog niet die van achttien jaar heeft bereikt.

Artikel 6.1.5

Artikel 6.1.6

Van een verhoor door een opsporingsambtenaar worden geluids- en beeldopnamen gemaakt indien de ernst van het misdrijf of de persoonlijkheid van de verdachte daartoe aanleiding geeft.

Artikel 6.1.7

Artikel 6.1.8

De officier van justitie of de hulpofficier van justitie die bij de voorgeleiding beveelt dat de verdachte wordt opgehouden voor onderzoek, stelt de raad voor de kinderbescherming hiervan direct in kennis.

Artikel 6.1.9

Artikel 6.1.10

Voor het ophouden voor onderzoek of het ondergaan van inverzekeringstelling kan in het bevel elke geschikte plaats worden aangewezen.

Artikel 6.1.11

De kinderrechter treedt bij de toepassing van de voorlopige hechtenis op als rechter-commissaris.

Artikel 6.1.12

Bij een oproeping om te worden gehoord over een vordering tot het geven van een bevel tot voorlopige hechtenis of tot verlenging daarvan wordt de verdachte in kennis gesteld van:

Artikel 6.1.13

Artikel 6.1.14

Artikel 6.1.15

Artikel 6.1.16

Artikel 6.1.17

Artikel 6.1.18

Artikel 6.1.19

In de procesinleiding wordt de verdachte, naast op de in artikel 4.1.2, eerste lid, genoemde rechten, gewezen op zijn recht om bij het onderzoek op de terechtzitting te worden vergezeld door een ouder of een persoon naar keuze.

Artikel 6.1.20

Artikel 6.1.21

Artikel 6.1.22

Artikel 6.1.23

Indien over de verdachte advies is uitgebracht als bedoeld in artikel 6.1.29, geeft het eindvonnis aan op welke wijze met het advies rekening is gehouden.

Artikel 6.1.24

In geval van hoger beroep zijn de artikelen 6.1.21 tot en met 6.1.23 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 6.1.25

De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op de verdachte die ten tijde van het strafbaar feit de leeftijd van achttien jaar maar nog niet die van drieëntwintig jaar heeft bereikt.

Artikel 6.1.26

Artikel 6.1.27

Een strafbeschikking kan, naast de in artikel 3.3.1, derde lid, genoemde aanwijzingen, de aanwijzing bevatten dat de verdachte zich richt naar de aanwijzingen van een reclasseringsinstelling als bedoeld in artikel 6:3:14, tweede lid. Artikel 3.3.1, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 6.1.28

Artikel 6.1.29

Artikel 6.1.30

Artikel 6.1.31

De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing zolang de verdachte minderjarig is. De rechter kan aan de bepalingen over de persoon naar keuze ook toepassing geven indien het een verdachte betreft die inmiddels meerderjarig is geworden of een verdachte als bedoeld in artikel 6.1.25.

Artikel 6.1.32

Onverminderd artikel 1.4.20, tweede lid, worden berichten aan minderjarigen eveneens overgedragen aan de ouder die een bekende verblijfplaats in Nederland heeft. Aan samenwonende ouders wordt met één bericht volstaan.

Artikel 6.1.33

Artikel 6.1.34

De ouder of de persoon naar keuze kan de officier van justitie of de hulpofficier van justitie die bij de voorgeleiding beveelt dat de verdachte wordt opgehouden voor onderzoek, verzoeken te bevelen dat de verdachte medisch wordt onderzocht als bedoeld in artikel 6.1.9 om vast te stellen of deze in staat is een verhoor te ondergaan of te worden onderworpen aan een onderzoekshandeling.

Artikel 6.1.35

De ouder of een persoon naar keuze wordt bij het opstellen van het advies, bedoeld in artikel 6.1.29, eerste lid, betrokken.

Artikel 6.1.36

Artikel 6.1.37

Indien de verdachte rechtens zijn vrijheid is ontnomen en niet is geplaatst in een justitiële jeugdinrichting, heeft de ouder vrije toegang tot de verdachte zonder dat het onderzoek daardoor mag worden opgehouden en voor zover het belang van het onderzoek zich daartegen niet verzet. De ouder kan vertrouwelijk met de verdachte communiceren, een en ander onder het vereiste toezicht en met inachtneming van huishoudelijke reglementen die gelden op de plaats waar de verdachte verblijft.

Artikel 6.1.38

In de gevallen waarin de rechter over de voorlopige hechtenis oordeelt, wordt de ouder opgeroepen. Artikel 6.1.43 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 6.1.39

Het geven van de toestemming, bedoeld in artikel 2.6.3, eerste lid, het afleggen van een verklaring van afstand van het inbeslaggenomen voorwerp, bedoeld in artikel 2.7.26, eerste lid, en het doen van beklag, bedoeld in Hoofdstuk 4, vinden plaats door een ouder indien het een verdachte als bedoeld in artikel 6.1.1 betreft.

Artikel 6.1.40

Indien de officier van justitie voornemens is om een strafbeschikking uit te vaardigen als bedoeld in artikel 6.1.16, roept hij de ouder op om te worden gehoord. Artikel 6.1.43 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 6.1.41

Artikel 6.1.42

Artikel 6.1.43

Artikel 6.1.44

Indien de vordering van de benadeelde partij wordt geacht te zijn gericht tegen de ouder, zijn de bepalingen van deze paragraaf van toepassing.

Artikel 6.1.45

Voor de toepassing van de bepalingen van Boek 4, Hoofdstukken 2 tot en met 6, en Boek 5, Hoofdstukken 4 en 5, wordt de ouder, voor zover het de behandeling van de vordering van de benadeelde partij betreft, gelijkgesteld aan de verdachte, tenzij uit de bepalingen van deze afdeling of de aard van de regeling het tegendeel voortvloeit.

Artikel 6.1.46

Artikel 6.1.47

De officier van justitie brengt het eindvonnis of het eindarrest na ondertekening ter kennis van de ouder.

Artikel 6.1.48

Het hoger beroep dat voor de ouder openstaat op grond van artikel 6.1.45 wordt binnen twee weken na de uitspraak van het eindvonnis ingesteld.

Artikel 6.1.49

Het beroep in cassatie dat voor de ouder openstaat op grond van artikel 6.1.45 wordt binnen twee weken na de uitspraak van het eindarrest ingesteld.

Artikel 6.1.50

Artikel 6.1.51

Artikel 6.1.52

Artikel 6.1.53

Artikel 6.1.54

Artikel 6.1.55

Artikel 6.2.1

Op verzoek van een procespartij kan elk van de rechters die een zaak behandelt, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

Artikel 6.2.2

Artikel 6.2.3

Een rechter van wie wraking is verzocht, kan in de wraking berusten.

Artikel 6.2.4

Artikel 6.2.5

Artikel 6.2.6

Artikel 6.2.7

Artikel 6.2.8

Artikel 6.2.9

Artikel 6.2.10

Artikel 6.2.11

Artikel 6.2.12

Artikel 6.4.1

Artikel 6.4.2

Artikel 6.4.3

Artikel 6.4.4

Indien het inbeslaggenomen voorwerp een geautomatiseerd werk of een gegevensdrager betreft, geeft de belanghebbende in zijn klaagschrift aan of het beklag zich mede uitstrekt tot daarin opgeslagen gegevens of over de na de inbeslagneming overgenomen gegevens.

Artikel 6.4.5

Artikel 6.4.6

Artikel 6.4.7

Artikel 6.4.8

Artikel 6.4.9

Artikel 6.4.10

Artikel 6.4.11

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de inhoud van de klaagschriften, de wijze waarop deze moeten worden ingediend en de vorm van de beslissingen op deze klaagschriften.

Artikel 6.4.12

Artikel 6.4.13

Artikel 6.4.14

Tegen de beslissing van de raadkamer op het beklag kan door de officier van justitie beroep in cassatie worden ingesteld binnen twee weken na de dagtekening van de beslissing, en door de klager binnen twee weken na de betekening.

Artikel 6.4.15

Artikel 6.5.1

Artikel 6.5.2

Artikel 6.5.3

Artikel 6.5.4

Artikel 6.5.5

Artikel 6.5.6

Artikel 6.5.7

Artikel 6.5.8

Artikel 6.5.9

Artikel 6.5.10

Artikel 6.5.11

De in de artikelen 2.7.12, 2.7.13 en 2.7.69 omschreven bevoegdheden kunnen, wanneer zij worden uitgeoefend ter inbeslagneming van de in de artikelen 6.5.9 en 6.5.10 bedoelde stukken en voorwerpen, ook worden uitgeoefend in geval van verdenking van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vierde categorie kan worden opgelegd en waardoor op geld waardeerbaar voordeel van enig belang kan zijn verkregen.

Artikel 6.5.12

Artikel 6.5.13

Artikel 6.5.14

Artikel 6.5.15

Artikel 6.5.16

Artikel 6.6.1

Artikel 6.6.2

De rechtmatigheid of onrechtmatigheid van strafvorderlijk optreden wordt beoordeeld naar het tijdstip waarop het optreden plaatsvond.

Artikel 6.6.3

Artikel 6.6.4

Artikel 6.6.5

Artikel 6.6.6

Artikel 6.6.7

Artikel 6.6.8

Artikel 6.6.9

Artikel 6.6.10

Artikel 6.6.11

Artikel 6.6.12

Artikel 6.6.13

Artikel 6.6.14

Artikel 9.1

Onze Minister voor Rechtsbescherming en Onze Minister van Justitie en Veiligheid zenden binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan beide kamers van de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.

Artikel 9.2

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende boeken, hoofdstukken, titels, afdelingen, paragrafen, artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Artikel 9.3

Deze wet wordt aangehaald als: Wetboek van Strafvordering.

Wetswijzigingen integreren met je processen? Probeer Way 3 weken gratis.