Part of Smart Yellow Suite

WGK004563
Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg

Updates ontvangen over deze regeling? Log in

Overheid.nl - XML - JSON

Type Wet
Fase Bekendmaking
Ministerie Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Datum uitgave 28 maart 2015
Datum inwerkingtreding -
Per KB Ja

Opschrift

Regels voor het kunnen verlenen van verplichte zorg aan een persoon met een psychische stoornis (Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg)

Samenvatting

Nieuwe regeling voor verplichte geestelijke gezondheidszorg ter vervanging van regeling in Wet bopz nav evaluatie van die wet in 2007.

Documenten

stb-2018-37 (PDF)

Wet van 24 januari 2018, houdende regels voor het kunnen verlenen van verplichte zorg aan een persoon met een psychische stoornis (Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regels te stellen voor het als uiterste middel verlenen van verplichte zorg op maat aan personen met een psychische stoornis, die aansluiten bij ontwikkelingen in de geestelijke gezondheidszorg en internationale ontwikkelingen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Artikel 1:1

Artikel 1:2

Artikel 1:3

Artikel 1:4

Artikel 1:5

Artikel 1:6

Artikel 1:7

Artikel 1:8

Artikel 2:1

Artikel 2:2

Artikel 2:3

Artikel 2:4

Artikel 3:1

Verplichte zorg is zorg die ondanks verzet als bedoeld in artikel 1:4 kan worden verleend op grond van een:

Artikel 3:2

Artikel 3:3

Indien het gedrag van een persoon als gevolg van zijn psychische stoornis, niet zijnde een psychogeriatrische aandoening of een verstandelijke handicap, leidt tot ernstig nadeel kan als uiterste middel verplichte zorg als bedoeld in artikel 3:1 worden verleend, indien:

Artikel 3:4

Verplichte zorg kan worden verleend om:

Artikel 4:1

Artikel 4:2

Artikel 4:3

De zelfbindingsverklaring kan tussentijds worden gewijzigd of ingetrokken. Op de wijziging of de intrekking zijn de artikelen 4:1 en 4:2 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5:1

Het college van burgemeester en wethouders draagt zorg voor het in behandeling nemen van meldingen betreffende personen voor wie de noodzaak tot geestelijke gezondheidszorg zou moeten worden onderzocht, het verrichten van onderzoek naar die noodzaak, het informeren van degene die een melding heeft gedaan en het zo nodig indienen van een aanvraag voor de voorbereiding van een verzoekschrift voor een zorgmachtiging bij de officier van justitie.

Artikel 5:2

Artikel 5:3

De officier van justitie kan ambtshalve of op aanvraag van het college van burgemeester en wethouders, een geneesheer-directeur, een persoon die op beroepsmatige basis zorg verleent aan betrokkene, een zorgaanbieder als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, onderdeel o, van de Wet forensische zorg of een ambtenaar van de politie, besluiten een verzoekschrift voor een zorgmachtiging voor te bereiden.

Artikel 5:4

Artikel 5:5

Artikel 5:6

Indien er geen zorgverantwoordelijke voor betrokkene is, wijst de geneesheer-directeur een zorgverantwoordelijke voor betrokkene aan.

Artikel 5:7

Voor de toepassing van deze wet gelden voor de psychiater de volgende voorwaarden:

Artikel 5:8

Artikel 5:9

Artikel 5:10

De geneesheer-directeur verstrekt de op grond van artikel 5:4, eerste lid, onderdelen b en c, verkregen gegevens aan de psychiater ten behoeve van het opstellen van de medische verklaring.

Artikel 5:11

Artikel 5:12

Artikel 5:13

Artikel 5:14

Artikel 5:15

Artikel 5:16

Artikel 5:17

Artikel 5:18

Artikel 5:19

Artikel 6:1

Artikel 6:2

Artikel 6:3

Tegen de beschikking inzake het verlenen van een zorgmachtiging staat geen hoger beroep open.

Artikel 6:4

Artikel 6:5

De rechter verleent een zorgmachtiging voor de duur die noodzakelijk is om het doel van verplichte zorg te realiseren, maar maximaal voor:

Artikel 6:6

De zorgmachtiging vervalt, indien:

Artikel 7:1

Artikel 7:2

Artikel 7:3

Artikel 7:4

De burgemeester bepaalt de geldigheidsduur van de crisismaatregel, die ten hoogste drie dagen bedraagt.

Artikel 7:5

De crisismaatregel vervalt, indien:

Artikel 7:6

Artikel 7:7

Artikel 7:8

Artikel 7:9

De machtiging tot voorzetting van de crisismaatregel heeft een geldigheidsduur van drie weken na de dagtekening ervan.

Artikel 7:10

De machtiging tot voorzetting van de crisismaatregel vervalt indien:

Artikel 7:11

Artikel 8:1

Artikel 8:2

Artikel 8:3

Artikel 8:4

Artikel 8:5

Artikel 8:6

Artikel 8:7

Artikel 8:8

De zorgaanbieder draagt er zorg voor dat de zorgkaart van betrokkene, inclusief de bijlagen, bekend is bij de geneesheer-directeur en de zorgverantwoordelijke.

Artikel 8:9

Artikel 8:10

De zorgaanbieder, de geneesheer-directeur en de zorgverantwoordelijke kunnen bij de uitvoering van de crisismaatregel, machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel of zorgmachtiging zo nodig de hulp inroepen van personen met kennis en ervaring met het verlenen van zorg en verplichte zorg en van ambtenaren van politie.

Artikel 8:11

De zorgverantwoordelijke kan, indien er sprake is van verzet als bedoeld in artikel 1:4 beslissen tot het verlenen van verplichte zorg waar de crisismaatregel, de machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel of de zorgmachtiging niet in voorziet, voor zover dit tijdelijk ter afwending van een noodsituatie noodzakelijk is, gelet op:

Artikel 8:12

Artikel 8:13

Artikel 8:14

Artikel 8:15

Artikel 8:16

Artikel 8:17

Artikel 8:18

Artikel 8:19

Artikel 8:20

Artikel 8:21

Artikel 8:22

Artikel 8:23

Het openbaar ministerie zorgt, ten behoeve van de uitvoering van de taak van de officier van justitie, bedoeld in deze wet, voor het beschikbaar zijn van de volgende gegevens:

Artikel 8:24

Artikel 8:25

Artikel 8:26

Artikel 8:27

De zorgverantwoordelijke verschaft op verzoek van nabestaanden van betrokkene aan hen inzage in of afschrift van het dossier van betrokkene, bedoeld in artikel 8:4, voor zover de persoonlijke levenssfeer van derden daardoor niet wordt geschaad, en:

Artikel 8:28

In afwijking van artikel 8:34 en van artikel 2:5 van de Algemene wet bestuursrecht kunnen de zorgaanbieder, de geneesheer-directeur, de burgemeester en de officier van justitie zonder toestemming van betrokkene gegevens en bescheiden ten behoeve van statistiek of wetenschappelijk onderzoek aan een ander verstrekken, indien:

Artikel 8:29

Artikel 8:30

Artikel 8:31

Artikel 8:32

Artikel 8:33

Artikel 8:34

De officier van justitie, de rechter, de zorgaanbieder, de geneesheer-directeur, de zorgverantwoordelijke, de burgemeester, het college van burgemeester en wethouders, de psychiater, bedoeld in artikel 5:7, alsmede de medewerkers van de hiervoor genoemde personen zijn tot geheimhouding verplicht van hetgeen in de uitoefening van hun taak aan hen is toevertrouwd, tenzij uit hun taak op grond van deze wet de noodzaak tot mededeling voortvloeit of enig ander wettelijk voorschrift hen tot mededeling verplicht.

Artikel 9:1

Artikel 9:2

Indien de geneesheer-directeur van oordeel is dat voldaan is aan de criteria voor het verlenen van verlof of ontslag, dan wel dat cliënt in aanmerking komt voor overplaatsing, verzoekt hij Onze Minister van Veiligheid en Justitie daartoe een beslissing te nemen. Onze Minister van Veiligheid en Justitie neemt zo spoedig mogelijk een beslissing. Hij betrekt daarbij de overwegingen en de voorwaarden die de geneesheer-directeur ingevolge de artikelen 8:16 tot en met 8:18 nodig oordeelt.

Artikel 9:3

Artikel 9:4

Artikel 9:5

Behandeling van betrokkene vindt slechts plaats:

Artikel 9:6

Artikel 9:7

Artikel 9:8

Artikel 9:9

Artikel 9:10

Artikel 9:11

Artikel 10:1

Artikel 10:2

Artikel 10:3

Betrokkene, de vertegenwoordiger of een nabestaande van betrokkene kan een schriftelijke en gemotiveerde klacht indienen bij de klachtencommissie over de nakoming van een verplichting of een beslissing op grond van artikel:

Artikel 10:4

Artikel 10:5

Artikel 10:6

Artikel 10:7

Artikel 10:8

Artikel 10:9

Artikel 10:10

Artikel 10:11

Artikel 10:12

Artikel 10:13

Een ieder die betrokken is bij de uitvoering van dit hoofdstuk en daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, en voor wie niet reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift ter zake van die gegevens een geheimhoudingsplicht geldt, is verplicht tot geheimhouding daarvan, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot bekendmaking verplicht of uit zijn taak bij de uitvoering van dit hoofdstuk de noodzaak tot bekendmaking voortvloeit.

Artikel 11:1

Artikel 11:2

Artikel 11:3

Artikel 11:4

De patiëntenvertrouwenspersoon is tot geheimhouding verplicht van hetgeen in de uitoefening van zijn taak aan hem is toevertrouwd, tenzij enig wettelijk voorschrift hem tot mededeling verplicht of uit zijn taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit.

Artikel 11:5

De patiëntenvertrouwenspersoon kan zich op grond van zijn geheimhoudingsplicht verschonen van het geven van getuigenis of het beantwoorden van vragen in een klachtprocedure of een rechterlijke procedure.

Artikel 12:1

Artikel 12:2

De familievertrouwenspersoon heeft vrije toegang tot betrokkene en behoeft geen toestemming van derden om te spreken met betrokkene, voor zover:

Artikel 12:3

Artikel 12:4

Artikel 13:1

Artikel 13:2

Artikel 13:3

Artikel 13:4

Artikel 13:5

Artikel 13:6

Artikel 14:1

Artikel 1 van bijlage 2 van de Algemene wet bestuursrecht wordt als volgt gewijzigd:

Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg, met uitzondering van de artikelen 5:2 en 13:4.

Artikel 14:2

De Jeugdwet wordt als volgt gewijzigd:

A

Aan artikel 6.1.2. van de Jeugdwet wordt na het negende lid een lid toegevoegd, luidende:

10.
Indien de machtiging betrekking heeft op een jeugdige voor wie reeds een zorgmachtiging op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg is afgegeven, vervalt die zorgmachtiging.
B

Aan artikel 9.2 van de Jeugdwet wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende:

8.
Aan leden van het Subcomité ter Preventie als bedoeld in het op 18 december 2002 te New York tot stand gekomen Facultatief Protocol bij het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing (Trb. 2005, 243) en het Comité als bedoeld in het op 26 november 1987 te Straatsburg tot stand gekomen Europees Verdrag ter voorkoming van folteringen en onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen (Trb. 1988, 19) zoals gewijzigd door Protocol 1 en Protocol 2 (Trb. 1994, 106 en 107), komen dezelfde bevoegdheden toe als waarover de met het toezicht belaste ambtenaren bedoeld in het eerste lid beschikken. Artikel 5:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 14:3

Indien het bij koninklijke boodschap van 30 juni 2009 ingediende voorstel van wet, houdende regels ten aanzien van zorg en dwang voor personen met een psychogeriatrische aandoening of een verstandelijke handicap (Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapten cliënten; Kamerstukken 31 996) tot wet wordt verheven, wordt die wet als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

2.
Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder «ernstig nadeel» verstaan, het bestaan van of het aanzienlijk risico op:
  1. levensgevaar, ernstig lichamelijk letsel, ernstige psychische, materiële, immateriële of financiële schade, ernstige verwaarlozing of maatschappelijke teloorgang, ernstig verstoorde ontwikkeling voor of van de cliënt of een ander;
  2. bedreiging van de veiligheid van de cliënt al dan niet doordat hij onder invloed van een ander raakt;
  3. de situatie dat betrokkene met hinderlijk gedrag agressie van anderen oproept;
  4. de situatie dat de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar is.
3.
Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder «zorg» verstaan: de zorg van een zorgaanbieder jegens een cliënt die kan bestaan uit bejegening, verzorging, verpleging, behandeling, begeleiding, bescherming, beveiliging, en onvrijwillige zorg als bedoeld in artikel 2.
5.
In de regels gesteld krachtens de artikelen 2a, 8, derde lid, 21, vierde lid en 23, kan onderscheid worden gemaakt tussen cliënten met een psychogeriatrische aandoening en cliënten met een verstandelijke handicap.
6.
In het geval op grond van deze wet een rechterlijke machtiging is afgegeven voor opname in een accommodatie, vervalt een eerdere voor die cliënt afgegeven zorgmachtiging op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg.
B

Artikel 2 komt te luiden:

Artikel 2
1.
Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder «onvrijwillige zorg» verstaan zorg waartegen de cliënt of zijn vertegenwoordiger zich verzet en die bestaat uit:
  1. toedienen van vocht, voeding en medicatie, alsmede doorvoeren van medische controles of andere medische handelingen en overige therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychogeriatrische aandoening, verstandelijke handicap, een daarmee gepaard gaande psychische stoornis of een combinatie hiervan, dan wel vanwege die aandoening, handicap of stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening;
  2. beperken van de bewegingsvrijheid;
  3. insluiten;
  4. uitoefenen van toezicht op betrokkene;
  5. onderzoek aan kleding of lichaam;
  6. onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gedrag beïnvloedende middelen en gevaarlijke voorwerpen;
  7. controleren op de aanwezigheid van gedrag beïnvloedende middelen;
  8. aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder begrepen het gebruik van communicatiemiddelen;
  9. beperken van het recht op het ontvangen van bezoek.
2.
Indien een cliënt wilsonbekwaam is en de vertegenwoordiger en de cliënt zich niet verzetten tegen het opnemen in het zorgplan van:
  1. het toedienen van medicatie die van invloed is op het gedrag of de bewegingsvrijheid van de cliënt, vanwege de psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap, of vanwege een daarmee gepaard gaande psychische stoornis of een combinatie hiervan, indien die medicatie niet wordt toegediend overeenkomstig de geldende professionele richtlijnen,
  2. een maatregel die tot het gevolg heeft dat de cliënt enige tijd in zijn bewegingsvrijheid wordt beperkt, of
  3. de mogelijkheid tot insluiting,
wordt overeenkomstige toepassing gegeven aan de artikelen 10, 11 en 11a voor het opnemen van die zorg in het zorgplan, aan de artikelen 11 en 11a indien het niet lukt die zorg binnen de in het zorgplan opgenomen termijn af te bouwen, en aan artikel 13 voor het toepassen van deze zorg.
C

Na artikel 2 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 2a
1.
Onvrijwillige zorg, anders dan die in een accommodatie aan een cliënt wordt verleend, omvat uitsluitend de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen vormen van onvrijwillige zorg, toegepast onder de bij die algemene maatregel van bestuur gestelde regels.
2.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop bepaalde vormen van onvrijwillige zorg alsmede de zorg, bedoeld in artikel 2, tweede lid, worden verleend aan een cliënt die in een accommodatie verblijft, welke personen die vormen van zorg mogen verlenen, alsmede de wijze van toezicht door de zorgaanbieder op de onvrijwillige zorg in de accommodatie.
3.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen maatregelen worden aangewezen die voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde in ieder geval worden beschouwd als maatregelen die de bewegingsvrijheid beperken of die niet, of slechts onder de bij die algemene maatregel van bestuur gestelde voorwaarden, mogen worden gebruikt om de bewegingsvrijheid te beperken.
4.
De voordracht voor een krachtens het eerste, tweede en derde lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Artikel 2b
1.
Een zorgaanbieder waarbij cliënten worden opgenomen met toepassing van hoofdstuk 3, paragraaf 2, dan wel die onvrijwillige zorg verleent, wijst een Wzd-arts aan.
2.
Voordat de zorgaanbieder een Wzd-arts aanwijst, vraagt de zorgaanbieder hierover advies aan de cliëntenraad, bedoeld in artikel 2 van de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen. Artikel 4, eerste en derde lid, en 5, eerste lid, van de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen zijn van toepassing.
3.
De zorgaanbieder draagt er zorg voor dat de Wzd-arts zijn taken op grond van deze wet naar behoren kan uitvoeren en waarborgt de onafhankelijkheid van de Wzd-arts bij de uitvoering van zijn taken op grond van deze wet. De zorgaanbieder geeft de Wzd-arts geen aanwijzingen met betrekking tot diens taakuitvoering op grond van deze wet.
D

Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

1.
De cliënt die de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt neemt de beslissing over de zorg die aan hem verleend wordt en over de uitoefening van rechten en plichten op grond van deze wet. Een cliënt die de leeftijd van twaalf maar nog niet die van zestien jaar heeft bereikt, neemt de beslissing over de zorg die aan hem verleend wordt en over de uitoefening van rechten en plichten op grond van deze wet, samen met zijn ouders of voogden die gezamenlijk het gezag uitoefenen, of de ouder of voogd die alleen het gezag uitoefent. Voor een cliënt die nog niet de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt nemen de ouders of voogden die gezamenlijk het gezag uitoefenen, de beslissing over de zorg die aan de cliënt verleend wordt en over de uitoefening van rechten en plichten op grond van deze wet of neemt of de ouder of voogd die alleen het gezag uitoefent die beslissing.
3.
De zorgverantwoordelijke legt de beslissing, bedoeld in het tweede lid, schriftelijk vast en vermeldt daarbij de datum en het tijdstip, of met de vertegenwoordiger overeenstemming is over de beslissing en ter zake van welke beslissing de cliënt niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen. De zorgverantwoordelijke stelt de Wzd-arts op de hoogte van de beslissing en het overleg met de vertegenwoordiger.
5.
Degene die door een cliënt schriftelijk wordt gemachtigd om als zijn vertegenwoordiger op te treden, dient meerderjarig en handelingsbekwaam te zijn.
6.
Degene die als vertegenwoordiger optreedt, verklaart schriftelijk daartoe bereid te zijn.
7.
De vertegenwoordiger betracht de zorg van een goed vertegenwoordiger en is gehouden de cliënt zoveel mogelijk bij de vervulling van zijn taak te betrekken.
E

Na artikel 3 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3a
1.
Indien de cliënt overeenkomstig het bepaalde in artikel 3, zelf de beslissing neemt, is er sprake van:
  1. instemming, indien de cliënt instemt;
  2. verzet, indien de cliënt zich verzet.
2.
Indien voor de cliënt overeenkomstig het bepaalde in artikel 3 een vertegenwoordiger optreedt, is er sprake van:
  1. instemming, indien de vertegenwoordiger instemt;
  2. verzet, indien de cliënt of de vertegenwoordiger zich verzet.
3.
In afwijking van het tweede lid geldt voor een cliënt die de leeftijd van twaalf jaar nog niet heeft bereikt dat er sprake is van:
  1. instemming, indien de vertegenwoordiger instemt;
  2. verzet, indien de vertegenwoordiger zich verzet.
4.
In afwijking van het tweede lid geldt voor een cliënt die de leeftijd van twaalf maar nog niet van zestien jaar heeft bereikt en die in staat wordt geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake, dat er sprake is van:
  1. instemming, indien de cliënt en de vertegenwoordiger beiden instemmen;
  2. verzet, indien de cliënt of de vertegenwoordiger zich verzet.
5.
Indien de cliënt op enig moment blijk geeft van verzet, vervalt de eerder gegeven instemming, en is er sprake van verzet.
6.
Indien de ouders van een cliënt gezamenlijk de wettelijke vertegenwoordiger zijn, wordt verzet van een van beiden aangemerkt als verzet van de vertegenwoordiger.
F

Artikel 4 komt te luiden:

Artikel 4
1.
In zaken betreffende deze wet, uitgezonderd hoofdstuk 3, paragraaf 2.4, en hoofdstuk 4, is uitsluitend bevoegd de rechter van de woonplaats van de cliënt, of van de plaats waar hij hoofdzakelijk of daadwerkelijk verblijft. Zaken met betrekking tot minderjarige cliënten worden behandeld door de kinderrechter of door een meervoudige kamer waarvan de kinderrechter deel uitmaakt.
2.
In zaken betreffende hoofdstuk 3, paragraaf 2.4, zijn gelijkelijk bevoegd de rechter van de woonplaats van betrokkene, of van de plaats waar hij hoofdzakelijk of daadwerkelijk verblijft en de rechter die bevoegd is de in artikel 2.3 van de Wet forensische zorg opgenomen beslissingen te nemen op grond van het Wetboek van Strafvordering of het Wetboek van Strafrecht.
3.
In zaken betreffende hoofdstuk 4, is uitsluitend bevoegd de rechter van de plaats waar de cliënt verblijft. Zaken met betrekking tot minderjarige cliënten worden behandeld door de kinderrechter, of door een meervoudige kamer waarvan de kinderrechter deel uit maakt.
4.
Indien op grond van het in deze wet bepaalde door het CIZ een verzoekschrift wordt ingediend, behoeft de indiening niet door een advocaat te geschieden.
5.
De beschikking van de rechter is bij voorraad uitvoerbaar.
G

Na artikel 4 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 4a
1.
In aanvulling op hetgeen uit deze wet voortvloeit, zijn de regels inzake de verzoekprocedure uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing. Artikel 282, vierde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is niet van toepassing op de verzoekprocedure, bedoeld in deze wet, en zaken betreffende hoofdstuk 3, paragraaf 2.4. In zaken betreffende hoofdstuk 3, paragraaf 2.4, is in afwijking van het bepaalde in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering artikel 269 van het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige toepassing.
2.
Kosten van door de rechter opgeroepen getuigen en deskundigen komen ten laste van de Staat.
3.
Bij de voorbereiding, de uitvoering, de wijziging en de beëindiging van het zorgplan of opname en verblijf in een accommodatie op grond van hoofdstuk 3, wordt de cliënt in een voor hem begrijpelijke taal geïnformeerd.
4.
Voor zover de uitvoering van de onvrijwillige zorg of de opname leidt tot vrijheidsbeneming heeft de cliënt, indien hij de Nederlandse taal niet beheerst, recht op bijstand van een tolk.
Artikel 4b
1.
De artikelen 38, 39, 40, 45 tot en met 48, 50, eerste lid, en 51 van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing op de toevoeging en de taak van de advocaat, bedoeld in deze wet.
2.
De advocaat is tot geheimhouding verplicht van hetgeen in de uitoefening van zijn taak op grond van deze wet aan hem is toevertrouwd, tenzij enig wettelijk voorschrift hem tot mededeling verplicht of uit zijn taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit. De advocaat kan zich op grond van zijn geheimhoudingsplicht verschonen van het geven van getuigenis of het beantwoorden van vragen in een klachtprocedure of rechterlijke procedure.
H

Artikel 5 komt te luiden:

Artikel 5
1.
De zorgaanbieder wijst voor elke cliënt een zorgverantwoordelijke aan en deelt diens naam aan de cliënt en, indien hij een vertegenwoordiger heeft, aan zijn vertegenwoordiger mee. Indien de cliënt zorg ontvangt van meer dan één zorgaanbieder, wijzen deze zorgaanbieders gezamenlijk een zorgverantwoordelijke aan.
2.
De zorgverantwoordelijke draagt zorg voor het opstellen, het vaststellen, het uitvoeren, het evalueren en zo nodig het periodiek aanpassen van een zorgplan en het voeren van overleg met de cliënt of zijn vertegenwoordiger voorafgaand daarover en het inrichten van een dossier voor de cliënt.
3.
Voor zover de cliënt of zijn vertegenwoordiger daarmee instemt, verstrekt de zorgaanbieder zo spoedig mogelijk na de aanvang van de zorg, de naam en contactgegevens van een cliënt en de naam en contactgegevens van zijn vertegenwoordiger, aan de cliëntenvertrouwenspersoon, bedoeld in artikel 57, zodat de cliëntenvertrouwenspersoon de cliënt en zijn vertegenwoordiger kan informeren over de mogelijkheid tot advies en bijstand door een cliëntenvertrouwenspersoon.
I

In artikel 6, eerste lid, wordt «het in artikel 5 bedoelde zorgplan» vervangen door: het in artikel 7 bedoelde zorgplan.

J

Artikel 7 komt te luiden:

Artikel 7
1.
De zorgverantwoordelijke stelt na overleg met de cliënt of zijn vertegenwoordiger zo spoedig mogelijk, doch in elk geval binnen zes weken na aanvang van de zorg, een zorgplan vast. De afspraken met de cliënt of de vertegenwoordiger worden in het zorgplan vastgelegd.
2.
Indien in verband met de zorgbehoefte van de cliënt de deskundigheid van anderen van belang is, betrekt de zorgverantwoordelijke deze deskundigheid bij het opstellen van het zorgplan.
3.
De zorgverantwoordelijke spant zich in om de instemming van de cliënt of zijn vertegenwoordiger met het zorgplan te verkrijgen, waarbij hij zoveel als mogelijk rekening houdt met de wensen en voorkeuren van de cliënt. Van schriftelijke wilsuitingen van de cliënt of zijn vertegenwoordiger inzake zijn wensen en voorkeuren wordt een afschrift bij het zorgplan gevoegd. Indien het niet mogelijk is om hiermee rekening te houden, deelt de zorgverantwoordelijke dit schriftelijk en gemotiveerd mee aan betrokkene of zijn vertegenwoordiger.
K

Artikel 8 wordt als volgt gewijzigd:

2.
Indien een cliënt tijdelijk op een andere locatie verblijft waar hij zorg ontvangt van een andere zorgaanbieder in het kader van een geneeskundige behandeling, voert die andere zorgaanbieder het zorgplan uit. In situaties waarin het zorgplan niet voorziet, of uitvoering van het zorgplan niet mogelijk is bij het verlenen van verantwoorde zorg binnen de instelling waar de geneeskundige behandeling plaatsvindt, kan van het zorgplan worden afgeweken.
L

Artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:

3.
Onvrijwillige zorg wordt niet in het zorgplan opgenomen dan na overleg met ten minste één deskundige van een andere discipline dan die van de zorgverantwoordelijke, op het terrein van de aan de cliënt te verlenen zorg en indien de zorgverantwoordelijke geen arts is en het onvrijwillige zorg als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, b of c, of zorg als bedoeld in artikel 2, tweede lid, betreft, instemming van een bij de zorg betrokken arts.
M

Artikel 11 wordt als volgt gewijzigd:

  1. de cliënt of de vertegenwoordiger zich verzet tegen het opnemen van bepaalde zorg in het zorgplan, of.
Ma

Na artikel 11 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 11a
1.
Indien in het zorgplan onvrijwillige zorg is opgenomen of de onvrijwillige zorg in het zorgplan is gewijzigd, overlegt de zorgverantwoordelijke het zorgplan aan de Wzd-arts.
2.
De Wzd-arts beoordeelt het zorgplan. Indien hij oordeelt dat het zorgplan niet voldoet aan het uitgangspunt dat onvrijwillige zorg zoveel mogelijk wordt voorkomen of dat het zorgplan niet geschikt is om ernstig nadeel zoveel mogelijk te voorkomen, past de zorgverantwoordelijke het zorgplan op aanwijzen van de Wzd-arts aan.
3.
De zorgverantwoordelijke informeert de Wzd-arts over een evaluatie van het zorgplan als bedoeld in artikel 11, vierde lid.
4.
Het zorgplan vermeldt in elk geval de wijze waarop de zorgaanbieder en de Wzd-arts de kwaliteit van de onvrijwillige zorg bewaken en toezicht houden op de uitvoering van de onvrijwillige zorg. De zorgaanbieder en de Wzd-arts geven hieraan uitvoering.
N

Artikel 12 wordt als volgt gewijzigd:

1.
Indien de cliënt of zijn vertegenwoordiger zich verzet tegen de uitvoering van het zorgplan of bepaalde onderdelen van het zorgplan, wordt aan dat zorgplan of die onderdelen van het zorgplan slechts uitvoering gegeven indien met toepassing van artikel 13 is vastgesteld dat uitvoering noodzakelijk is ter voorkoming van ernstig nadeel.
O

Artikel 13 komt te luiden:

Artikel 13
1.
De zorgverlener geeft slechts uitvoering aan in het zorgplan opgenomen onvrijwillige zorg indien de zorgverlener voor de eerste toepassing van die onvrijwillige zorg, na instemming van de zorgverantwoordelijke heeft vastgesteld dat:
  1. het in het zorgplan omschreven ernstige nadeel zich daadwerkelijk voordoet,
  2. onvrijwillige zorg noodzakelijk is om het ernstige nadeel te voorkomen of af te wenden,
  3. de onvrijwillige zorg geschikt is om het ernstige nadeel te voorkomen of af te wenden en gelet op het beoogde doel evenredig is,
  4. er geen minder ingrijpende mogelijkheden zijn om het ernstige nadeel te voorkomen of af te wenden, en
  5. op verantwoorde wijze is voorzien in toezicht tijdens de toepassing ervan.
2.
Voordat de onvrijwillige zorg voor de eerste keer wordt verleend, informeert de zorgverantwoordelijke de Wzd-arts, de vertegenwoordiger en de cliënt, tenzij dit informeren kennelijke ernstige bezwaren voor de cliënt zou opleveren. Indien de situatie dermate urgent is dat vooraf informeren niet mogelijk is, informeert de zorgverantwoordelijke hen allen zo spoedig mogelijk nadat de onvrijwillige zorg is verleend of daarmee een begin is gemaakt.
3.
Indien de situatie dermate urgent is dat de in het eerste lid bedoelde instemming van de zorgverantwoordelijke voor de eerste toepassing van de onvrijwillige zorg niet mogelijk is, treedt de zorgverlener zo spoedig mogelijk nadat de onvrijwillige zorg is verleend of daarmee een begin is gemaakt in overleg met de zorgverantwoordelijke om instemming te verkrijgen als bedoeld in het eerste lid.
P

Artikel 14 komt te luiden:

Artikel 14
Indien sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 8, tweede lid, neemt de verantwoordelijk arts van de zorgaanbieder waar de geneeskundige behandeling wordt uitgevoerd in plaats van de zorgverantwoordelijke de beslissing over het uitvoeren van de in het zorgplan opgenomen zorg, overeenkomstig het bepaalde in artikel 13, tweede en derde lid.
Q

Artikel 15 wordt als volgt gewijzigd:

In een situatie waarin het zorgplan redelijkerwijs niet heeft kunnen voorzien of in een noodsituatie die zich voordoet in de periode dat nog geen zorgplan is vastgesteld, wordt uitsluitend onvrijwillige zorg verleend, op grond van een schriftelijke beslissing van de zorgverantwoordelijke waarin hij heeft vastgesteld dat:.
2.
In de in het eerste lid bedoelde schriftelijke beslissing wordt vermeld voor welke termijn zij geldt. De termijn is niet langer dan strikt noodzakelijk, en in ieder geval niet langer dan twee weken.
3.
Indien de in het eerste lid bedoelde beslissing onvrijwillige zorg als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen a, b of c, of zorg als bedoeld in artikel 2, tweede lid, betreft en de zorgverantwoordelijke geen arts is, overlegt hij over deze beslissing met de bij de zorg betrokken arts.
5.
Ter voorkoming van noodsituaties kan de zorgverantwoordelijke beslissen tot onvrijwillige zorg als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder e of f, dan wel de poststukken bestemd voor de cliënt te onderzoeken bij het gegronde vermoeden van aanwezigheid binnen de accommodatie van voorwerpen die cliënt niet in zijn bezit mag hebben of die een aanzienlijk risico op ernstig nadeel veroorzaken. In afwijking van het eerste, tweede en vierde lid stelt de zorgverantwoordelijke zo spoedig mogelijk na het onderzoek zijn beslissing op schrift. De ontnomen voorwerpen worden voor cliënt bewaard, voor zover dit niet in strijd is met enig wettelijk voorschrift. Aan cliënt of zijn vertegenwoordiger wordt een bewijs van ontvangst verstrekt, waarin de voorwerpen die in bewaring zijn genomen zijn omschreven.
R

De aanduiding «§ 2.6. Administratieve voorschriften bij zorg» wordt vervangen door: § 2.6. Administratieve voorschriften en verplichtingen tot het verstrekken van gegevens

S

Artikel 16 wordt als volgt gewijzigd:

2.
Onverminderd het bepaalde in artikel 454 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, bevat het dossier:.
  1. een afschrift van de beslissing bedoeld in artikel 3, tweede lid en de verklaring van de vertegenwoordiger bedoeld in artikel 3, zesde lid;.
  1. aantekening van de verstrekking van gegevens op grond van artikel 18c, eerste lid, zonder toestemming van de cliënt of zijn vertegenwoordiger;.
  1. de beoordeling van de Wzd-arts, bedoeld in artikel 11a.
T

Artikel 17 komt te luiden:

Artikel 17
1.
De zorgaanbieder zorgt ten behoeve van het toezicht door de inspectie voor het digitaal beschikbaar zijn van in ieder geval de volgende gegevens:
  1. de vorm van de aan de cliënt verleende onvrijwillige zorg;
  2. de zorgverantwoordelijke;
  3. de noodzaak voor de onvrijwillige zorg;
  4. een schriftelijke beslissing als bedoeld in artikel 3, tweede lid;
  5. het zorgplan of een schriftelijke beslissing als bedoeld in artikel 15, eerste of vijfde lid, die legitimeert tot de vorm van onvrijwillige zorg;
  6. het besluit tot opname en verblijf, de rechterlijke machtiging, of de beschikking tot inbewaringstelling, die legitimeert tot onvrijwillige opname, of de beslissing van de strafrechter op grond van artikel 2.3 van de Wet forensische zorg waaruit blijkt of de cliënt is opgenomen met een nog geldende justitiële titel op grond van het Wetboek van Strafrecht;
  7. de begindatum en de einddatum van de onvrijwillige zorg;
  8. de duur en de frequentie van de onvrijwillige zorg;
  9. de beslissingen van de zorgaanbieder op de aanvragen voor verlof of ontslag op grond van de artikelen 47 of 48;
  10. de beoordelingen van de Wzd-arts, bedoeld in de artikelen 11a, 47, derde, achtste en negende lid, en 48, zesde en tiende lid.
2.
De zorgaanbieder verstrekt ten minste eens per zes maanden aan de inspectie een digitaal overzicht van de gegevens, bedoeld in het eerste lid. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat deze gegevens op een bij of krachtens die maatregel aangewezen wijze verstrekt worden aan en verwerkt worden door een door Onze Minister aan te wijzen instantie.
U

Artikel 18 komt te luiden:

Artikel 18
1.
De zorgaanbieder verstrekt ten minste eens per zes maanden aan de inspectie een door het bestuur van de zorgaanbieder ondertekende analyse over de verplichte onvrijwillige zorg die door hem in die periode is verleend.
2.
Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld over de inhoud en de wijze van verstrekken van de analyse.
V

Na artikel 18 worden drie artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 18a
1.
De zorgaanbieder bewaart de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 17 gedurende de termijn, bedoeld in artikel 7:454 van het Burgerlijk Wetboek, te rekenen vanaf het tijdstip waarop de onvrijwillige zorg wordt beëindigd.
2.
De burgemeester en het CIZ bewaren de beschikking tot inbewaringstelling en de verklaring bedoeld in artikel 30, eerste lid, of het besluit tot opname en verblijf en de verklaring, bedoeld in artikel 26, vijfde lid, onderdeel d gedurende de termijn, bedoeld in artikel 7:454 van het Burgerlijk Wetboek te rekenen vanaf het tijdstip waarop het verblijf op basis van de beschikking of het besluit tot opname en verblijf wordt beëindigd.
3.
Indien het verzoek om een rechterlijke machtiging niet-ontvankelijk is verklaard, bewaart het CIZ het verzoek gedurende één jaar te rekenen vanaf het tijdstip waarop die beslissing is genomen.
4.
Na verloop van de termijnen, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, worden de documenten, bedoeld in respectievelijk het eerste, tweede of derde lid, vernietigd, tenzij:
  1. redelijkerwijs aannemelijk is dat bewaring van de gegevens en bescheiden van aanmerkelijk belang is voor een ander dan de cliënt, of
  2. het bij de wet bepaalde zich tegen vernietiging verzet.
5.
In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid worden vanaf vijf jaar na de beëindiging van onvrijwillige zorg of beschikking tot inbewaringstelling de gegevens en bescheiden binnen drie maanden vernietigd indien de cliënt daartoe verzoekt en:
  1. redelijkerwijs aannemelijk is dat bewaring van de gegevens en bescheiden niet van aanmerkelijk belang is voor een ander dan de cliënt,
  2. het bij de wet bepaalde zich niet tegen vernietiging verzet.
Artikel 18b
1.
De zorgaanbieder verschaft het CIZ ten behoeve van diens taak op grond van hoofdstuk 3, inzage in het zorgplan bedoeld in artikel 5, tweede lid, en het dossier bedoeld in artikel 16, tweede lid, van een cliënt voor wie een besluit tot opname en verblijf of een verzoek om een rechterlijke machtiging als bedoeld in artikel 24 wordt voorbereid.
2.
De zorgaanbieder verschaft op verzoek van nabestaanden aan hen inzage in of afschrift van het dossier van de cliënt bedoeld in artikel 16, tweede lid, voor zover de persoonlijke levenssfeer van derden daardoor niet wordt geschaad, en:
  1. betrokkene daarvoor schriftelijk toestemming heeft gegeven; of
  2. er sprake is van een zwaarwegend belang ter zake voor de nabestaanden.
Artikel 18c
1.
Onverminderd andere verplichtingen tot het verstrekken van gegevens die voortvloeien uit deze wet, verstrekken de zorgaanbieder, de Wzd-arts, de zorgverantwoordelijke, het CIZ, de burgemeester en de officier van justitie elkaar, zo nodig zonder toestemming van de cliënt of diens vertegenwoordiger, gegevens voor zover dat strikt noodzakelijk is ter voorkoming of beperking van ernstig nadeel, en dit hoort bij de uitoefening van ieders taak op grond van deze wet.
2.
Onder de gegevens die op grond van deze wet worden verwerkt, dan wel kunnen worden verwerkt, worden justitiële en strafvorderlijke gegevens als bedoeld in de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, politiegegevens als bedoeld in de Wet politiegegevens en bijzondere gegevens inzake de gezondheid van betrokkene als bedoeld in de Wet bescherming persoonsgegevens begrepen.
3.
De zorgaanbieder, de Wzd-arts, het CIZ, de burgemeester en de officier van justitie stellen de zorgverantwoordelijke ten behoeve van diens taak op grond van artikel 16, tweede lid, onderdeel h, op de hoogte indien zij op grond van het eerste lid gegevens over betrokkene uitwisselen zonder diens toestemming.
4.
De medewerkers van de zorgaanbieder, de Wzd-arts, de zorgverantwoordelijke, het CIZ, de burgemeester en de officier van justitie en de rechter zijn tot geheimhouding verplicht van hetgeen in de uitoefening van hun taak aan hen is toevertrouwd, tenzij het bepaalde in het eerste lid of enig ander wettelijk voorschrift hen tot mededeling verplicht of uit hun taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit.
5.
In afwijking van het bepaalde in het vierde lid kunnen de zorgaanbieder, de Wzd-arts, het CIZ en de burgemeester zonder toestemming van de cliënt gegevens en bescheiden ten behoeve van statistiek of wetenschappelijk onderzoek aan een ander verstrekken, indien:
  1. het onderzoek voorziet in zodanige waarborgen dat de persoonlijke levenssfeer van de cliënt niet wordt geschaad,
  2. het onderzoek een zwaarwegend algemeen belang dient, en
  3. de cliënt niet uitdrukkelijk bezwaar heeft gemaakt tegen verstrekking.
6.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de wijze waarop de gegevensverwerkingen die voortvloeien uit deze wet worden ingericht en met aanvullende waarborgen worden omkleed, waaronder begrepen de technische standaarden daarvoor.
7.
De voordracht voor een krachtens het zesde lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
W

De aanduidingen «HOOFDSTUK 3 OPNAME EN VERBLIJF IN EEN ACCOMMODATIE» en «§ 1. Openbaar register van accommodaties» vervallen.

X

Artikel 20 komt te luiden:

Artikel 20
1.
De zorgaanbieder die onvrijwillige zorg verleent, verstrekt Onze Minister, ter opneming in een openbaar register, een opgave van de:
  1. naam of een andere aanduiding van de locatie, alsmede het adres ervan;
  2. aanduiding of de locatie een accommodatie is;
  3. naam, het adres, de rechtsvorm en het Handelsregisternummer van de zorgaanbieder.
2.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen bouwkundige eisen worden gesteld aan de accommodatie, tenzij deze behoort tot een instelling als bedoeld in de Wet forensische zorg.
Y

Na artikel 20 wordt ingevoegd de aanduiding:

Z

In de aanduiding § 2. Opname en verblijf zonder rechterlijke machtiging wordt «§ 2.» vervangen door: § 1.

AA

Artikel 21 wordt als volgt gewijzigd:

BB

Artikel 22 wordt als volgt gewijzigd:

  1. de Wzd-arts, voor zover het een cliënt betreft die al in een accommodatie verblijft dan wel voor wie een zorgplan is vastgesteld waarin onvrijwillige zorg wordt opgenomen.
2.
De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt ingediend bij het CIZ.
  1. de aanspraak op opname en verblijf vervalt wegens het herzien of intrekken van het indicatiebesluit als bedoeld in de Wet langdurige zorg;.
  1. het CIZ op verzoek van de cliënt heeft vastgesteld dat deze zijn bereidheid tot opname heeft uitgesproken. Het CIZ doet hiervan mededeling aan de zorgaanbieder. Op verzoek van het CIZ verklaart de bij de zorg betrokken arts of de cliënt in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake.
CC

In de aanduiding § 3. Onvrijwillige opname en verblijf wordt «§ 3.» vervangen door: § 2.

DD

In de aanduiding § 3.1 De reguliere onvrijwillige opname en verblijf of voortgezet verblijf wordt «§ 3.1» vervangen door: § 2.1.

EE

Artikel 24 wordt als volgt gewijzigd:

  1. de vertegenwoordiger zich verzet tegen de opname en het verblijf of voortzetting van het verblijf, of.
FF

In de aanduiding § 3.2 De aanvraag wordt «§ 3.2» vervangen door: § 2.2.

GG

Artikel 25 wordt als volgt gewijzigd:

  1. de Wzd-arts.
2.
De aanvraag wordt schriftelijk ingediend bij het CIZ.
HH

In de aanduiding § 3.3 Het verzoek wordt «§ 3.3» vervangen door: § 2.3.

II

Artikel 26 wordt als volgt gewijzigd:

  1. het indicatiebesluit dat op grond van artikel 3.2.3 van de Wet langdurige zorg door het CIZ is vastgesteld, dan wel de verklaring, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c;.
JJ

Artikel 28 wordt als volgt gewijzigd:

KK

Na artikel 28 worden twee paragrafen ingevoegd, luidende:

KK1

Na artikel 28a worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 28b
1.
De officier van justitie gaat onverwijld over tot tenuitvoerlegging van de rechterlijke machtiging als bedoeld in artikel 28a.
2.
Het ten uitvoer leggen van een krachtens artikel 28a gegeven rechterlijke machtiging kan de officier van justitie opdragen aan een of meer ambtenaren, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, die zich voorzien van de bijstand van een of meer personen met kennis van de zorg voor mensen met een psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap.
3.
De in het tweede lid bedoelde ambtenaren kunnen voor de uitvoering van de in het tweede lid bedoelde taak elke plaats betreden waar de op te nemen persoon zich bevindt, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is. Zij zijn daarbij tevens bevoegd een woning binnen te treden zonder toestemming van de bewoner.
4.
De in het tweede lid bedoelde ambtenaren kunnen aan de betrokkene voorwerpen ontnemen die een gevaar voor de veiligheid van de betrokkene of van anderen kunnen opleveren. Zij zijn bevoegd hem daartoe aan de kleding of aan het lichaam te onderzoeken.
5.
Zo mogelijk worden de overeenkomstig het vierde lid ontnomen voorwerpen met de betrokkene overgebracht naar de accommodatie waarin hij wordt opgenomen. In de accommodatie wordt aan cliënt of zijn vertegenwoordiger een bewijs van ontvangst afgegeven waarin die voorwerpen zijn omschreven. De voorwerpen worden voor de betrokkene bewaard, voor zover dit niet in strijd is met enig wettelijk voorschrift.
6.
Bij de opneming van de betrokkene in de accommodatie geven de in het tweede lid bedoelde ambtenaren een afschrift van de beschikking van de rechter aan de zorgaanbieder die de zorg levert in de accommodatie.
Artikel 28c
1.
De officier van justitie zendt de machtiging bedoeld in artikel 28a direct aan respectievelijk de Wlz-uitvoerder, het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de cliënt ingezetene is of de zorgverzekeraar.
2.
De Wlz-uitvoerder, het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de cliënt ingezetene is of de zorgverzekeraar draagt er zorg voor dat de beschikking ten uitvoer wordt gelegd. Hij zendt daartoe de beschikking zo spoedig mogelijk aan de zorgaanbieder of de aanbieder van beschermd wonen. Deze aanbieder neemt zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen een week na ontvangst van de beschikking, de betrokkene op.
3.
Indien de zorgaanbieder of aanbieder, bedoeld in het tweede lid, de betrokkene niet binnen een week na ontvangst van de beschikking heeft opgenomen, meldt de Wlz-uitvoerder, het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de cliënt ingezetene is of de zorgverzekeraar dit direct aan de inspectie. De inspectie kan de zorgaanbieder of aanbieder, bedoeld in het tweede lid, bevelen de betrokkene op te nemen. De zorgaanbieder of aanbieder, bedoeld in het tweede lid, is verplicht de betrokkene onverwijld op te nemen.
LL

In de aanduiding § 3.4 Opname en verblijf in crisissituaties wordt «§ 3.4» vervangen door: § 2.5.

MM

Artikel 29 wordt als volgt gewijzigd:

NN

In artikel 31 vervallen de tweede volzin van het eerste lid alsmede de zinsnede «de eerste volzin van» in het tweede lid.

NN1

In artikel 32 vervallen het derde en vierde lid.

OO

Het eerste lid van artikel 33 komt te luiden:

1.
De burgemeester gaat binnen 24 uur na afgifte van de beschikking, bedoeld in artikel 29, over tot tenuitvoerlegging via een opdracht aan een of meer ambtenaren van politie, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, die zich voorzien van de bijstand van een of meer personen met kennis van de zorg voor mensen met een psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap.
PP

Artikel 34 komt te luiden:

Artikel 34
Indien binnen 24 uur na het tijdstip waarop de beschikking tot inbewaringstelling is gegeven, door de zorgaanbieders van de daarvoor in aanmerking komende accommodaties nog niet tot opneming is overgegaan, kan de burgemeester na overleg met de inspectie, een van de bovenbedoelde zorgaanbieders bevelen de betrokkene op te nemen. De betrokken zorgaanbieder is verplicht de betrokkene op te nemen.
QQ

Artikel 35 wordt als volgt gewijzigd:

RR

Artikel 37 wordt als volgt gewijzigd:

SS

In de aanduiding § 3.5 De rechterlijke machtiging wordt «§ 3.5» vervangen door: § 2.6.

TT

Artikel 38 wordt als volgt gewijzigd:

10.
Indien de rechtbank zich op grond van het door haar ingestelde onderzoek afvraagt of in de gegeven omstandigheden een zorgmachtiging als bedoeld in de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg niet passender is, kan zij dit gevoelen aan het CIZ en de officier van justitie van het desbetreffende arrondissement kenbaar maken en kan zij het verzoek tot het verlenen van een machtiging beschouwen als een verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging als bedoeld in de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg. Zo nodig kan de rechter daarbij bepalen dat de behandeling op een later tijdstip wordt voortgezet.
UU

Artikel 39 wordt als volgt gewijzigd:

8.
Tegen de beschikking op een verzoek tot het verlenen van een machtiging staat geen hoger beroep open.
VV

Artikel 41, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

  1. het CIZ;.
  1. de Wzd-arts, aangewezen door de in onderdeel h bedoelde zorgaanbieder.
WW

Artikel 42, onderdeel e komt te luiden:

  1. het CIZ en de inspectie.
XX

In de aanduiding § 5 Schadevergoeding wordt «§ 5.» vervangen door: § 2.7.

YY

Artikel 44 komt te luiden:

Artikel 44
1.
Indien de wet niet in acht is genomen bij het gelasten van een inbewaringstelling of bij de toepassing van artikel 15 kan de cliënt of zijn vertegenwoordiger de rechter verzoeken tot schadevergoeding door respectievelijk de gemeente of de zorgaanbieder. De rechter kent een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding toe.
2.
Indien de wet niet in acht is genomen door de zorgaanbieder, de Wzd-arts of de zorgverantwoordelijke kan de cliënt of zijn vertegenwoordiger de rechter verzoeken tot schadevergoeding door de zorgaanbieder, de Wzd-arts of de zorgverantwoordelijke. De rechter kent een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding toe.
3.
Indien de wet niet in acht is genomen door de rechter of de officier van justitie, kan de cliënt of zijn vertegenwoordiger de rechter verzoeken tot schadevergoeding ten laste van de Staat. De rechter kent een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding toe.
ZZ

In de aanduiding § 6. Administratieve voorschriften bij opname en verblijf wordt «§ 6.» vervangen door: § 3.

ZZ1

In artikel 45, tweede lid, wordt «voor een ordelijke gang van zaken» vervangen door: voor een ordelijke gang van zaken en voor de veiligheid.

AB

Artikel 46 wordt als volgt gewijzigd:

AC

In de aanduiding § 7. Verlof en ontslag wordt «§ 7.» vervangen door: § 4.

AD

Artikel 47 wordt als volgt gewijzigd:

3.
De zorgaanbieder verzoekt de Wzd-arts schriftelijk om toestemming voor het verlenen of het weigeren van verlof. De Wzd-arts verstrekt de zorgaanbieder zo spoedig mogelijk schriftelijk en gemotiveerd zijn beslissing.
4.
Indien de Wzd-arts toestemming verleent voor het verlof, verzoekt de zorgaanbieder tevens Onze Minister van Veiligheid en Justitie schriftelijk om toestemming voor het verlenen van verlof, indien de cliënt is opgenomen op grond van een machtiging die is afgegeven met toepassing van artikel 2.3, tweede lid, van de Wet forensische zorg, behoudens de gevallen waarin artikel 2.3, tweede lid, juncto eerste lid, onderdeel 3, is toegepast en de cliënt is vrijgesproken van hetgeen hem ten laste is gelegd. Onze Minister van Veiligheid en Justitie verstrekt de zorgaanbieder zo spoedig mogelijk schriftelijk en gemotiveerd zijn beslissing.
5.
Indien de in het derde of vierde lid bedoelde toestemming voor het verlenen van verlof niet wordt gegeven, verleent de zorgaanbieder geen verlof en wijst hij de aanvraag af.
6.
De zorgaanbieder geeft de cliënt, de vertegenwoordiger, en de advocaat een afschrift van de beslissing, voorzien van de beoordeling van de Wzd-arts, alsmede, indien van toepassing voorzien van de beoordeling van Onze Minister van Veiligheid en Justitie, en stelt hen uiterlijk binnen vier dagen schriftelijk in kennis van de klachtwaardigheid van de beslissing en de mogelijkheid van advies en bijstand door de cliëntenvertrouwenspersoon.
7.
De zorgaanbieder informeert tijdig de officier van justitie over het verlof ter onderbreking van de opname in een accommodatie op grond van een machtiging, waarvoor Onze Minister van Veiligheid en Justitie op grond van het vierde lid toestemming heeft verleend.
9.
Aan het verlof kunnen, met instemming van de Wzd-arts, voorwaarden en beperkingen worden verbonden betreffende de zorg of het gedrag van de cliënt, voor zover dit gedrag samenhangt met ernstig nadeel als gevolg van de psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap dan wel een daarmee gepaard gaande psychische stoornis. De zorgaanbieder verleent slechts verlof indien de cliënt dan wel, indien van toepassing, de vertegenwoordiger zich bereid heeft verklaard tot naleving van de voorwaarden en beperkingen.
AE

Artikel 48 wordt als volgt gewijzigd:

4.
Voor zover de cliënt op grond van een rechterlijke machtiging als bedoeld in artikel 24, of op grond van een beschikking tot inbewaringstelling als bedoeld in artikel 29, of een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling als bedoeld in artikel 37, onvrijwillig is opgenomen in een accommodatie en uit de verklaring van een ter zake kundige arts als bedoeld in artikel 26, of artikel 30, eerste lid, is gebleken dat hij ernstig nadeel voor een ander veroorzaakt, neemt de zorgaanbieder niet eerder een beslissing over het verlenen van ontslag dan nadat hij:
  1. zich door middel van een verklaring van een ter zake kundige arts als bedoeld in artikel 26 op de hoogte heeft gesteld van het oordeel van die arts over het voornemen van de zorgaanbieder ontslag te verlenen en over de actuele gezondheidstoestand van de cliënt, en
  2. overleg heeft gevoerd met de burgemeester die de beschikking tot inbewaringstelling heeft afgegeven, in geval van beëindiging van de inbewaringstelling, met de officier van justitie indien de cliënt is opgenomen op grond van een machtiging die is afgegeven met toepassing van artikel 2.3 van de Wet forensische zorg, en met het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de cliënt ingezetene is dan wel naar verwachting zal verblijven, in geval van beëindiging van de machtiging tot opname en verblijf.
5.
De zorgaanbieder neemt niet eerder een beslissing over het verlenen van ontslag bij opname op grond van een beschikking tot inbewaringstelling als bedoeld in artikel 29, dan nadat hij zich ervan heeft vergewist dat er geen verzoek tot voortzetting van de inbewaringstelling als bedoeld in artikel 37 is ingediend en bij opname op grond van voortzetting van de inbewaringstelling als bedoeld in artikel 37, dan nadat hij zich ervan heeft vergewist dat er geen verzoek om een rechterlijke machtiging als bedoeld in artikel 25, eerste lid, is ingediend.
6.
De zorgaanbieder verzoekt de Wzd-arts schriftelijk om toestemming voor het verlenen of het weigeren van ontslag. De Wzd-arts verstrekt de zorgaanbieder zo spoedig mogelijk schriftelijk en gemotiveerd zijn beslissing.
7.
Indien de Wzd-arts toestemming verleent voor het ontslag, verzoekt de zorgaanbieder tevens Onze Minister van Veiligheid en Justitie schriftelijk om toestemming voor het verlenen van ontslag ingeval de cliënt is opgenomen op grond van een machtiging die is afgegeven met toepassing van artikel 2.3, tweede lid, van de Wet forensische zorg, behoudens de gevallen waarin artikel 2.3, tweede lid, juncto eerste lid, onder 3, van die wet is toegepast en cliënt is vrijgesproken van hetgeen hem ten laste is gelegd. Onze Minister van Veiligheid en Justitie verstrekt de zorgaanbieder zo spoedig mogelijk schriftelijk en gemotiveerd zijn beslissing.
8.
Indien de in het zesde of zevende lid bedoelde toestemming voor het verlenen van ontslag, niet wordt gegeven, verleent de zorgaanbieder geen ontslag en wijst hij de aanvraag af.
9.
De zorgaanbieder neemt binnen veertien dagen na ontvangst van een aanvraag tot het verlenen van ontslag een schriftelijke en gemotiveerde beslissing.
10.
Aan het ontslag kunnen, met instemming van de Wzd-arts, voorwaarden of beperkingen worden verbonden betreffende de zorg of het gedrag van de cliënt, voor zover dit gedrag samenhangt met mogelijk ernstig nadeel als gevolg van de psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap. De zorgaanbieder verleent slechts ontslag indien de cliënt dan wel, indien van toepassing, de vertegenwoordiger zich bereid heeft verklaard tot naleving van de voorwaarden of beperkingen.
11.
De zorgaanbieder geeft de cliënt, de vertegenwoordiger en de advocaat een afschrift van de beslissing, voorzien van de beoordeling van de Wzd-arts alsmede, indien van toepassing voorzien van de beoordeling van Onze Minister van Veiligheid en Justitie, en stelt hen uiterlijk binnen vier dagen schriftelijk in kennis van de klachtwaardigheid van de beslissing om aan de beslissing voorwaarden of beperkingen te verbinden, als bedoeld in het tiende lid, en de mogelijkheid van advies en bijstand door de cliëntenvertrouwenspersoon.
12.
De zorgaanbieder informeert tijdig de officier van justitie over het verlenen van ontslag waarvoor Onze Minister van Veiligheid en Justitie op grond van het zevende lid toestemming heeft verleend.
13.
De zorgaanbieder kan de voor de continuïteit van zorg voor de cliënt relevante familie en naasten en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de cliënt ingezetene is dan wel naar verwachting zal verblijven informeren over het ontslag indien dit noodzakelijk is omdat essentiële voorwaarden voor deelname aan het maatschappelijk verkeer van de cliënt ontbreken.
14.
Bij niet naleving van een aan het ontslag door de zorgaanbieder verbonden voorwaarde of beperking trekt de zorgaanbieder de beslissing tot het verlenen van ontslag in. Het elfde lid is van overeenkomstige toepassing op die beslissing.
15.
De zorgaanbieder deelt de beslissing tot intrekking, bedoeld in het veertiende lid, uiterlijk binnen vier dagen schriftelijk en gemotiveerd mee aan de Wzd-arts, de cliënt, de vertegenwoordiger en de advocaat en stelt hen daarbij in kennis van de klachtwaardigheid van de beslissing en de mogelijkheid van advies en bijstand door de cliëntenvertrouwenspersoon.
AF

De hoofdstukken 3A en 4 komen te luiden:

AG

Artikel 57 wordt als volgt gewijzigd:

3.
De cliëntenvertrouwenspersoon verricht zijn werkzaamheden onafhankelijk van de zorgaanbieder, de Wzd-arts, de zorgverantwoordelijke en het CIZ.
AH

In artikel 58, tweede lid wordt de zinsnede « en de cliënt of zijn vertegenwoordiger daartegen geen bezwaar heeft gemaakt» vervangen door: en de cliënt of zijn vertegenwoordiger daarmee uitdrukkelijk heeft ingestemd.

AH1

Artikel 59, tweede lid, vervalt onder verwijdering van de aanduiding «1.» voor het eerste lid.

AI

Artikel 60 wordt als volgt gewijzigd:

1.
Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet zijn belast de ambtenaren van de inspectie.
2.
Indien onvrijwillige zorg wordt verleend of de inspectie een gegrond vermoeden heeft dat onvrijwillige zorg wordt verleend, zijn de met het toezicht belaste ambtenaren bij de bevoegdheden, genoemd in de artikelen 5:15 tot en met 5:17 van de Algemene wet bestuursrecht, tevens bevoegd, met medeneming van de benodigde apparatuur, een woning of verblijfsruimte binnen te treden zonder toestemming van de bewoner, voor zover dat noodzakelijk is voor het toezicht op de onvrijwillige zorg in de woning of verblijfsruimte. Zij beschikken niet over de bevoegdheden, genoemd in de artikelen 5:18 en 5:19 van de Algemene wet bestuursrecht.
4.
De zorgaanbieder, de zorgverantwoordelijke, alsmede alle anderen die bij de uitvoering van deze wet betrokken zijn, geven aan de met het toezicht belaste ambtenaren alle door hen verlangde inlichtingen, voor zover dit redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is.
AJ

Na artikel 60 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 60a
1.
Indien bij de zorgaanbieder, de Wzd-arts, de zorgverantwoordelijke of de zorgverlener het gegronde vermoeden bestaat dat de uitvoering van de onvrijwillige zorg ernstig tekortschiet, doet hij daarvan melding bij de inspectie.
2.
Indien de zorgaanbieder, de Wzd-arts, de zorgverantwoordelijke of de zorgverlener onvoldoende, niet of niet tijdig reageert op de klachten van de cliëntenvertrouwenspersoon over de uitvoering van de zorg, kan de cliëntenvertrouwenspersoon dit melden aan de inspectie.
AK

De artikelen 61 tot en met 63 komen te luiden:

Artikel 61
1.
Onze Minister kan een bestuurlijke boete van ten hoogste € 33.500,- opleggen ter zake van overtreding van regels gesteld bij of krachtens artikel:
  1. 2a;
  2. 3, derde, achtste en negende lid;
  3. 5;
  4. 6;
  5. 7;
  6. 8, eerste en derde lid;
  7. 9, derde tot en met zevende lid;
  8. 10, derde tot en met tiende lid;
  9. 11;
  10. 11a;
  11. 12;
  12. 13;
  13. 15;
  14. 16;
  15. 17;
  16. 18;
  17. 18a;
  18. 18b;
  19. 18c, eerste lid;
  20. 19;
  21. 20;
  22. 21, eerste lid;
  23. 24, eerste lid;
  24. 28c, tweede lid;
  25. 29, eerste lid;
  26. 34;
  27. 42;
  28. 45;
  29. 46;
  30. 47;
  31. 48;
  32. 50;
  33. 52;
  34. 57, eerste lid;
  35. 58.
2.
Onze Minister kan een last onder dwangsom opleggen ter zake van overtreding van regels de regels gesteld bij of krachtens artikel:
  1. 11a, eerste lid;
  2. 13;
  3. 17;
  4. 18;
  5. 18c, zesde lid;
  6. 19;
  7. 20;
  8. 28c, tweede lid;
  9. 34;
  10. 53;
  11. 54;
  12. 57, eerste lid;
  13. 58;
  14. 60, derde, vierde, vijfde en zesde lid..
3.
Indien de ernst van de overtreding, of de omstandigheden waaronder deze is begaan daartoe aanleiding geven, wordt die overtreding aan het openbaar ministerie voorgelegd.
Artikel 62
1.
Met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaar of geldboete van de derde categorie wordt gestraft hij die opzettelijk iemand van zijn vrijheid berooft of doet beroven door deze persoon tegen zijn wil op te nemen of te laten opnemen in een accommodatie, zonder dat daar een besluit tot opname en verblijf als bedoeld in artikel 21, eerste lid, een rechterlijke machtiging als bedoeld in artikel 24, eerste lid of een beschikking tot inbewaringstelling als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aan ten grondslag ligt.
2.
Met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaar of geldboete van de derde categorie wordt gestraft hij die opzettelijk onvrijwillige zorg verleent, waarin het zorgplan niet overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 10, 11 of 11a voorziet en die ook niet op basis van artikel 15 kan worden verleend.
3.
De in het eerste en tweede lid strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven.
Artikel 63
1.
Met een geldboete van de tweede categorie wordt gestraft hij die:
  1. iemand van zijn vrijheid berooft of doet beroven door deze persoon tegen zijn wil op te nemen of te laten opnemen in een accommodatie, zonder dat daar een besluit tot opname en verblijf als bedoeld in artikel 21, eerste lid, een rechterlijke machtiging als bedoeld in artikel 24, eerste lid of een beschikking van de burgemeester als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aan te grondslag ligt;
  2. onvrijwillige zorg verleent, waarin het zorgplan niet overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 10, 11 of 11a voorziet en die ook niet op basis van artikel 15 kan worden verleend;
  3. in strijd handelt met de artikelen 11a, 12, eerste lid, 13, eerste lid, 15, eerste lid, 16, eerste lid, 47 of 48.
2.
De in het eerste lid strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.
AL

(vervallen)

AM

De artikelen 65, 66, 67, 68, 69, 70, 71, 72, 73, 75 en 77 vervallen.

AN

Artikel 74 komt te luiden:

AO

Artikel 76 komt te luiden:

Artikel 76
1.
De Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen blijft van toepassing op:
  1. verzoeken die krachtens die wet zijn ingediend en die strekken tot het verkrijgen van een beslissing door de rechter, de officier, de inspecteur, de geneesheer-directeur of de commissie, bedoeld in artikel 41, tweede lid, van die wet.
  2. de vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet aangevangen voorbereiding van een last tot inbewaringstelling door de burgemeester, bedoeld in artikel 20 van die wet;
  3. een beslissing als bedoeld in onderdeel a of b die vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet is genomen;
  4. een beslissing die met toepassing van onderdeel a of b na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet is genomen.
2.
In afwijking van het eerste lid, onder c en d, worden een besluit en een machtiging als bedoeld in de artikelen 60, onderscheidenlijk 3, 15, eerste lid, en 32, eerste lid, van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen gelijkgesteld met een besluit, als bedoeld in artikel 21, tweede lid, onderscheidenlijk een machtiging tot opname en verblijf als bedoeld in artikel 24, eerste lid.
3.
Ten aanzien van een cliënt die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet is opgenomen met toepassing van hoofdstuk II of hoofdstuk VIII van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen en waarvoor op dat tijdstip reeds een behandelplan als bedoeld in artikel 38 van die wet is opgesteld, voldoet de zorgaanbieder zo spoedig mogelijk, doch in ieder geval binnen zes maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, aan de artikelen 5 tot en met 11. Gedurende de periode waarin de zorgaanbieder ten aanzien van de betrokken cliënt nog niet heeft voldaan aan de artikelen 5 tot en met 11, doch ten hoogste gedurende de zes maanden, bedoeld in de eerste volzin, blijven de artikelen 38, vijfde, zesde en zevende lid, 41, 41a, 41b, 42, en de hoofdstukken IX en XI van die wet ten aanzien van de betrokken cliënt van toepassing.
4.
Een krachtens de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen verleende last tot inbewaringstelling, waarvan de geldigheidsduur op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet nog niet is verstreken, wordt voor de toepassing van hoofdstuk 3, paragraaf 2.6, aangemerkt als een last tot inbewaringstelling als bedoeld in artikel 29, eerste lid.
AP

Na artikel 77 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 77a
Een door Onze Minister op grond van artikel 1, eerste lid, onderdeel h, van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen als verpleeginrichting of zwakzinnigeninrichting aangemerkte zorginstelling of afdeling daarvan wordt door Onze Minister ambtshalve opgenomen in het register, bedoeld in artikel 20, eerste lid.
AQ

Artikel 78 komt te luiden:

Artikel 78
De artikelen 41 en 42 van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg vervallen.

Artikel 2

Artikel 2a

Artikel 2b

Artikel 3a

Artikel 4

Artikel 4a

Artikel 4b

Artikel 5

Artikel 7

Artikel 11a

Artikel 13

Artikel 14

Indien sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 8, tweede lid, neemt de verantwoordelijk arts van de zorgaanbieder waar de geneeskundige behandeling wordt uitgevoerd in plaats van de zorgverantwoordelijke de beslissing over het uitvoeren van de in het zorgplan opgenomen zorg, overeenkomstig het bepaalde in artikel 13, tweede en derde lid.

Artikel 17

Artikel 18

Artikel 18a

Artikel 18b

Artikel 18c

Artikel 20

Artikel 28aa

Artikel 28ab

Artikel 28ac

Artikel 28ad

Artikel 28a

Artikel 28b

Artikel 28c

Artikel 34

Indien binnen 24 uur na het tijdstip waarop de beschikking tot inbewaringstelling is gegeven, door de zorgaanbieders van de daarvoor in aanmerking komende accommodaties nog niet tot opneming is overgegaan, kan de burgemeester na overleg met de inspectie, een van de bovenbedoelde zorgaanbieders bevelen de betrokkene op te nemen. De betrokken zorgaanbieder is verplicht de betrokkene op te nemen.

Artikel 44

Artikel 49

Artikel 50

Indien de zorgaanbieder, na overleg met de Wzd arts, ten aanzien van een cliënt als bedoeld in artikel 49, eerste lid, van oordeel is dat voldaan is aan de criteria voor het verlenen van verlof of ontslag, dan wel dat de cliënt in aanmerking komt voor overplaatsing, verzoekt de zorgaanbieder Onze Minister van Veiligheid en Justitie daartoe een beslissing te nemen. De zorgaanbieder vermeldt daarbij het oordeel van de Wzd-arts. Onze Minister van Veiligheid en Justitie neemt zo spoedig mogelijk een beslissing. Hij betrekt daarbij de overwegingen en de voorwaarden of beperkingen die de zorgaanbieder ingevolge de artikelen 47 en 48 nodig oordeelt.

Artikel 51

Artikel 51a

Artikel 52

Artikel 53

Artikel 54

Artikel 55

Artikel 56

Artikel 56a

Artikel 56b

Artikel 56c

Artikel 56d

Artikel 56e

Artikel 56f

Artikel 56g

Artikel 56h

Artikel 60a

Artikel 61

Artikel 62

Artikel 63

Artikel 74

In artikel 1 van bijlage 2 van de Algemene wet bestuursrecht wordt op alfabetische volgorde opgenomen:

Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten, met uitzondering van artikel 61.

Artikel 76

Artikel 77a

Een door Onze Minister op grond van artikel 1, eerste lid, onderdeel h, van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen als verpleeginrichting of zwakzinnigeninrichting aangemerkte zorginstelling of afdeling daarvan wordt door Onze Minister ambtshalve opgenomen in het register, bedoeld in artikel 20, eerste lid.

Artikel 78

De artikelen 41 en 42 van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg vervallen.

Artikel 14:4

Indien het bij koninklijke boodschap van 4 juni 2010 ingediende voorstel van wet, houdende vaststelling van een Wet forensische zorg en daarmee verband houdende wijzigingen in diverse andere wetten (Wet forensische zorg; Kamerstukken 32 398) tot wet wordt verheven, wordt die wet als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1.1 wordt als volgt gewijzigd:

2.
Onder forensische zorg wordt verstaan zorg, die wordt verleend aan een justitiabele met een psychiatrische aandoening of beperking, verslaving daaronder begrepen, of een verstandelijke handicap, en die al dan niet als een voorwaarde, onderdeel uitmaakt van een straf of een maatregel, of van de ten uitvoerlegging van een straf of maatregel, of als voorwaarde onderdeel uitmaakt van een sepot, een schorsing van de voorlopige hechtenis, of een gratieverlening op grond van de Gratiewet, dan wel onderdeel uitmaakt van een strafbeschikking waarbij een gedragsmaatregel wordt opgelegd. De eerste volzin is niet van toepassing op zorg die al dan niet als voorwaarde onderdeel uitmaakt van een straf of maatregel bedoeld in het Eerste boek, Titel VIII A, van het Wetboek van Strafrecht. Forensische zorg omvat de zorg als bedoeld in artikel 3:2 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg en artikel 1, vierde lid, en artikel 2, eerste lid, van de Wet zorg en dwang. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen andere vormen van zorg worden aangemerkt als forensische zorg dan wel daarvan worden uitgesloten.
B

Artikel 2.3 komt te luiden:

Artikel 2.3
1.
Indien de rechter van oordeel is, dat voldaan is aan de criteria voor het afgeven van een zorgmachtiging krachtens de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg, kan hij, ambtshalve of na een verzoekschrift van de officier van justitie, met toepassing van die wet een zorgmachtiging ingevolge die wet afgeven als bedoeld in artikel 6:5, aanhef en onderdeel a, van die wet. Aan deze bevoegdheid kan in het kader van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde bij afzonderlijke beslissing toepassing worden gegeven:
  1. bij de rechterlijke uitspraak waarbij iemand wegens een strafbaar feit wordt veroordeeld;
  2. bij de rechterlijke uitspraak waarbij overeenkomstig artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht wordt bepaald dat geen straf wordt opgelegd;
  3. bij de rechterlijke uitspraak waarbij de verdachte wordt vrijgesproken;
  4. bij de rechterlijke uitspraak waarbij de verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging;
  5. op vordering van het openbaar ministerie;
  6. indien de rechter maatregel van terbeschikkingstelling niet verlengt;
  7. indien de rechter de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege niet verlengt;
  8. indien de rechter de plaatsing in een inrichting voor jeugdigen niet verlengt;
  9. indien de rechter de voorwaardelijke beëindiging van de maatregel plaatsing in een inrichting voor jeugdigen niet verlengt;
  10. bij rechterlijke beslissing op vordering van het openbaar ministerie tot omzetting van de maatregel plaatsing in een inrichting voor jeugdigen in de maatregel van terbeschikkingstelling;
  11. indien de voorwaarden, bedoeld in artikel 2.4 van de Wet forensische zorg, zijn geëxpireerd.
2.
Indien de rechter van oordeel is, dat voldaan is aan de criteria voor het afgeven van een rechterlijke machtiging voor opname en verblijf als bedoeld in artikel 24 van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten, kan hij, ambtshalve of na een verzoekschrift van de officier van justitie, met toepassing van die wet een rechterlijke machtiging ingevolge die wet afgeven voor de maximale duur van zes maanden. Aan deze bevoegdheid kan in het kader van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde bij afzonderlijke beslissing toepassing worden gegeven op een van de in het eerste lid onder 1° tot en met 11° genoemde gronden.
C

Artikel 3:1, tweede lid, eerste volzin, komt te luiden:

Door de aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, is de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden van toepassing, tenzij de wet anders bepaalt.
D

Artikel 6.7 komt te luiden:

Artikel 6.7
Indien de aard van de bij de forensische patiënt geconstateerde psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap daartoe aanleiding geeft, kan Onze Minister bepalen dat de forensische patiënt naar een private instelling, niet zijnde een private instelling met een bijzondere aanwijzing als bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, zal worden overgebracht om daar zolang dat noodzakelijk is, te worden verpleegd. Voor deze overbrenging is een zorgmachtiging vereist op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg of een rechterlijke machtiging voor onvrijwillige opname op grond van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten. Een zorgmachtiging of rechterlijke machtiging als bedoeld in de vorige volzin kan achterwege blijven indien de forensische patiënt schriftelijk en vrijwillig met de overbrenging instemt.
E

Artikel 7.1 wordt als volgt gewijzigd:

F

De artikelen 7.4, 7.5 en 7.6 vervallen.

G

Onderdeel B, subonderdeel c, van artikel 7.8 vervalt.

H

In artikel 8:1 wordt «drie jaar» vervangen door: twee jaar.

Artikel 2.3

Artikel 6.7

Indien de aard van de bij de forensische patiënt geconstateerde psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap daartoe aanleiding geeft, kan Onze Minister bepalen dat de forensische patiënt naar een private instelling, niet zijnde een private instelling met een bijzondere aanwijzing als bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, zal worden overgebracht om daar zolang dat noodzakelijk is, te worden verpleegd. Voor deze overbrenging is een zorgmachtiging vereist op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg of een rechterlijke machtiging voor onvrijwillige opname op grond van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten. Een zorgmachtiging of rechterlijke machtiging als bedoeld in de vorige volzin kan achterwege blijven indien de forensische patiënt schriftelijk en vrijwillig met de overbrenging instemt.

Artikel 14:5

In artikel 1, onderdeel l, van de Algemene nabestaandenwet wordt «bedoeld in de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen en in artikel 37, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht» vervangen door: bedoeld in de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg en in de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten.

Artikel 14:6

In artikel 1, eerste lid, onderdeel e, van de Algemene Ouderdomswet wordt «bedoeld in de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen en in artikel 37, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht» vervangen door: bedoeld in de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg en in de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten.

Artikel 14:7

De Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 8, eerste lid, onderdeel g, komt te luiden:

  1. personen die in een inrichting verblijven en ten aanzien van wie een rechterlijke machtiging op grond van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten of een zorgmachtiging op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg is gegeven, in afwachting van plaatsing in een accommodatie als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg of artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten.
B

Artikel 12, achtste lid, komt te luiden:

8.
In geval van een psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap van een jeugdige kan de selectiefunctionaris, met inachtneming van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg of de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten, bepalen dat de jeugdige naar een accommodatie als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg of artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten zal worden overgebracht om daar zolang als dat noodzakelijk is te worden verpleegd.

Artikel 14:8

De Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden wordt als volgt gewijzigd:

A

In de artikelen 1, onderdeel v, 16, tweede lid, 16b, onderdelen a en b, 50, eerste lid, 51, eerste lid, en 72, eerste lid, onderdeel a, wordt «de stoornis van de geestvermogens» telkens vervangen door: de psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap.

B

In artikel 11, tweede lid, onderdeel b, wordt «de bij hem geconstateerde gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens» vervangen door: de bij hem geconstateerde psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap.

C

In artikel 13, eerste lid, wordt «psychiatrisch ziekenhuis» vervangen door: accommodatie als bedoeld in artikel 1:1, onderdeel b, van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg.

D

In artikel 16c, tweede lid, wordt «is gestoord in zijn geestvermogens» vervangen door: een psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap heeft.

Artikel 14:9

In de artikelen 378, derde lid, 431, derde lid, en 450 derde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek wordt «het verlenen van een voorlopige of voorwaardelijke machtiging, een observatiemachtiging of een machtiging tot voortgezet verblijf als bedoeld in de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen, dan wel een machtiging als bedoeld in artikel 33, eerste lid, van die wet» telkens vervangen door: het verlenen van een rechterlijke machtiging als bedoeld in de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten dan wel een zorgmachtiging of een machtiging tot voorzetting van de crisismaatregel als bedoeld in de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg.

Artikel 14:10

In art. 57, tweede lid, onderdeel a, van de Geneesmiddelenwet wordt «als algemeen onderscheidenlijk als psychiatrisch ziekenhuis aangewezen instelling» vervangen door: als algemeen ziekenhuis of als accommodatie als bedoeld in artikel 1:1, onderdeel b, van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg of artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten, aangewezen instelling.

Artikel 14:11

Artikel 63 van de Invoerings- en aanpassingswet Politiewet 2012 vervalt.

Artikel 14:12

De Participatiewet wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 13, derde lid, wordt «de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen, dan wel van artikel 37, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht,» vervangen door: de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg en de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten.

B

Artikel 64 wordt als volgt gewijzigd:

  1. de geneesheer-directeur, bedoeld in de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg, en de zorgaanbieder, bedoeld in de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten;.

Artikel 14:12a

Aan artikel 2.1.2, tweede lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel h door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

  1. de participatie van ingezetenen die geestelijke gezondheidszorg nodig hebben, te versterken.

Artikel 14:13

De Penitentiaire beginselenwet wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 15, vijfde lid, komt te luiden:

5.
In geval van een psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap van een gedetineerde kan Onze Minister bepalen dat de gedetineerde naar een accommodatie als bedoeld in artikel 1:1, onderdeel b, van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg of artikel 1, onderdeel b, van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten zal worden overgebracht om daar zolang dat noodzakelijk is te worden verpleegd. Indien de gedetineerde wordt overgebracht ten behoeve van de verlening van forensische zorg, bedoeld bij of krachtens de Wet forensische zorg, geschiedt de overbrenging overeenkomstig die wet.
B

In de artikelen 32, tweede lid, 46b, tweede lid, 46d, onderdelen a en b, wordt «de stoornis van de geestvermogens» telkens vervangen door: de psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap.

C

In artikel 46e, tweede lid, wordt «is gestoord in zijn geestvermogens» vervangen door: een psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap heeft.

Artikel 14:14

In artikel 1, eerste lid, onder k, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen wordt «bedoeld in de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen en in artikel 37, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht» vervangen door: bedoeld in de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg, in de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten en in artikel 2.3 van de Wet forensische zorg.

Artikel 14:15

In artikel 1:1, eerste lid, onder f, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten wordt «bedoeld in de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen en in artikel 37, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht» vervangen door: bedoeld in de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg, in de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten en in artikel 2.3 van de Wet forensische zorg.

Artikel 14:16

In artikel 5, eerste lid, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden wordt «een psychiatrisch ziekenhuis» vervangen door: een accommodatie als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg of als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten.

Artikel 14:17

De Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 8a, tweede lid, wordt «39e, derde lid,» vervangen door: 39e, derde, zesde en zevende lid,.

B

In artikel 39e wordt, onder vernummering van het zesde lid tot achtste lid, twee leden ingevoegd, luidende:

6.
Het College van procureurs-generaal verstrekt strafvorderlijke gegevens aan de geneesheer-directeur en de psychiater, bedoeld in de artikelen 5:4, 7:1, 7:11 en 8:19 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg, voor zover dit voortvloeit uit de verplichtingen van de officier van justitie op grond van die artikelen.
7.
Het College van procureurs-generaal verstrekt strafvorderlijke gegevens aan het Indicatieorgaan, bedoeld in artikel 28a, derde lid, en de arts die de medische verklaring bedoeld in artikel 28a, tweede lid, onderdeel d, van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten vaststelt, voor zover dit voortvloeit uit de in dat artikel bedoelde verplichtingen van de officier van justitie.

Artikel 14:18

De Wet langdurige zorg wordt als volgt gewijzigd:

A

Aan hoofdstuk 10 van de Wet langdurige zorg wordt een paragraaf toegevoegd, luidende:

B

Artikel 12.1.11 van de Wet langdurige zorg vervalt.

Artikel 10.5.1

Artikel 14:19

In artikel 1, eerste lid, onder i, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt «bedoeld in de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen en in artikel 37, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht» vervangen door: bedoeld in de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg, in de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten en in artikel 2.3 van de Wet forensische zorg.

Artikel 14:20

De Wet op de rechtsbijstand wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 43, tweede lid, onderdeel f, van de Wet op de rechtsbijstand wordt vervangen door:

  1. de artikelen 1:7, eerste en tweede lid van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg;
B

Aan artikel 43, tweede lid van de Wet op de rechtsbijstand wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel h door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

  1. artikel 38, derde lid, en 56d, zesde lid, van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten.

Artikel 14:21

In artikel 2.17, eerste lid, van de Wet studiefinanciering 2000 wordt «bedoeld in de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen en in artikel 37, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht» vervangen door: bedoeld in de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg, in de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten en in artikel 2.3 van de Wet forensische zorg.

Artikel 14:22

In artikel 2.22a, eerste lid, van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten wordt «bedoeld in de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen en in artikel 37, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht» vervangen door: bedoeld in de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg, in de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten en in artikel 2.3 van de Wet forensische zorg.

Artikel 14:23

In artikel 44, eerste lid, onder a, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen wordt «bedoeld in de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen en in artikel 37, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht» vervangen door: bedoeld in de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg, in de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten en in artikel 2.3 van de Wet forensische zorg.

Artikel 14:24

In artikel 817, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt «een psychiatrisch ziekenhuis als bedoeld in artikel 1, onder h, van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Stb. 1992, 669)» vervangen door: een accommodatie als bedoeld in artikel 1:1, onderdeel b, van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg, of als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten.

Artikel 14:25

Het Wetboek van Strafrecht wordt als volgt gewijzigd:

A

In de artikelen 13, eerste lid, 15d, eerste lid, onderdeel a, en 39, wordt «de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens» telkens vervangen door: de psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap.

B

In de artikelen 65, eerste en vierde lid, 243 en 247, wordt «een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens» vervangen door: een zodanige psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap.

C

In artikel 77s, eerste lid, wordt «een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens» vervangen door: een psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap.

D

In artikel 77tb, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht wordt «een rechterlijke machtiging op grond van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen» vervangen door: een rechterlijke machtiging op grond van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapten cliënten of een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel of een zorgmachtiging op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg.

E

Artikel 90sexies komt te luiden:

Artikel 90sexies
Onder psychiatrisch ziekenhuis wordt verstaan:
  1. een accommodatie als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg;
  2. een accommodatie als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten.
F

In artikel 437bis, eerste lid, onderdeel b, wordt «krankzinnigengesticht» vervangen door: psychiatrisch ziekenhuis.

G

In artikel 447e wordt «de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen of de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen» vervangen door: de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg of de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten.

Artikel 90sexies

Onder psychiatrisch ziekenhuis wordt verstaan:

Artikel 14:26

Het Wetboek van Strafvordering wordt als volgt gewijzigd:

A

In de artikelen 16, eerste lid, en 458, vijfde lid, wordt «een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens» telkens vervangen door: een zodanige psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap.

B

In artikel 216a, tweede lid, wordt «met gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens» vervangen door: met een psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap.

C

De aanduiding «Titel IIA. Berechting van verdachten bij wie een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens wordt vermoed» komt te luiden:

Titel IIA. Berechting van verdachten bij wie een psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap wordt vermoed.
D

In artikel 509a, eerste lid, wordt «de geestvermogens van de verdachte gebrekkig ontwikkeld of ziekelijk gestoord zijn» vervangen door: de verdachte een psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap heeft.

E

In artikel 509t, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering, wordt na «overweegt» ingevoegd: dan wel toepassing van artikel 2.3 van de Wet forensische zorg overweegt.

F

In artikel 562, eerste lid, wordt «een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens» vervangen door: een psychische stoornis.

G

In artikel 563, eerste lid, wordt «de ziekelijke stoornis van de geestvermogens» vervangen door: de psychische stoornis.

Artikel 14:27

In artikel 1, eerste lid, onder f, van de Ziektewet wordt «bedoeld in de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen en in artikel 37, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht» vervangen door: bedoeld in de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg, in de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten en in artikel 2.3 van de Wet forensische zorg.

Artikel 14:28

Indien het bij koninklijke boodschap van 8 april 2016 ingediende voorstel van wet houdende Wijziging van de Wet marktordening gezondheidszorg en enkele andere wetten in verband met aanpassingen van de tarief- en prestatieregulering en het markttoezicht op het terrein van de gezondheidszorg (Kamerstukken 34 445) tot wet is of wordt verheven, komt artikel 1a, tweede lid te luiden:

2.
Forensische zorg, is zorg als bedoeld bij of krachtens artikel 1, tweede lid, van de Wet forensische zorg.

Artikel 14:29

Indien het bij koninklijke boodschap van 24 juni 2015 ingediende voorstel van wet tot Implementatie van richtlijn 2012/29/EU van het Europees parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ (34 236) tot wet is of wordt verheven en die wet eerder in werking is getreden of treedt dan deze wet, dan wordt artikel 51ac van het Wetboek van Strafvordering als volgt gewijzigd:

  1. de afzonderlijke beslissing waarbij met toepassing van artikel 2.3 van de Wet forensische zorg een zorgmachtiging krachtens de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg of een rechterlijke machtiging voor onvrijwillige opname krachtens de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten wordt afgegeven.

Artikel 15:1

Artikel 15:2

Een door Onze Minister op grond van artikel 1, eerste lid, onderdeel h, van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen als psychiatrisch ziekenhuis aangemerkte zorginstelling of afdeling daarvan wordt door Onze Minister ambtshalve opgenomen in het register, bedoeld in artikel 1:2.

Artikel 16:1

Onze Minister zendt in overeenstemming met Onze Minister van Veiligheid en Justitie binnen twee jaar na de inwerkingtreding van deze wet, en vervolgens telkens om de vijf jaar, aan de beide Kamers van de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.

Artikel 16:2

De Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen wordt ingetrokken.

Artikel 16:3

De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit bepaald tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Artikel 16:4

Deze wet wordt aangehaald als: Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg.

Wetswijzigingen integreren met je processen? Probeer Way 3 weken gratis.